ECLI:NL:CRVB:2025:1562 Centrale Raad van Beroep , 22-10-2025 / 24/2205 WMO15
Weigering om een pgb te verstrekken voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gewaarborgd dat met de ondersteuning door vader aan appellant veilige, doeltreffende en cliëntgerichte begeleiding zal worden verstrekt.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Weigering om een pgb te verstrekken voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gewaarborgd dat met de ondersteuning door vader aan appellant veilige, doeltreffende en cliëntgerichte begeleiding zal worden verstrekt.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 16 augustus 2024, 21/5418 en 22/1399 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (college)
Datum uitspraak: 22 oktober 2025
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de weigering om een pgb te verstrekken voor de maatwerkvoorziening begeleiding individueel. De Raad is van oordeel dat het college zich op het standpunt kon stellen dat niet is gewaarborgd dat met de ondersteuning door zijn vader aan appellant veilige, doeltreffende en cliëntgerichte begeleiding zal worden verstrekt.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [naam vader] , zijn vader, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. B.J.H.L. Brouwer, advocaat, heeft zich vervolgens gesteld als gemachtigde van appellant.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 september 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer en zijn vader. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G. Röst.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, geboren in 1989, is bekend met psychiatrische problematiek. In het verleden is ook sprake geweest van verslavingsproblematiek.
Het college heeft, voor zover nog van belang, bij besluit van 5 september 2019, gehandhaafd bij besluit van 27 oktober 2021 (bestreden besluit 1) aan appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode van 1 september 2019 tot en met 31 augustus 2020. Het pgb wordt na 31 augustus 2020 niet voortgezet, omdat het college van oordeel is dat de ondersteuning die met het pgb zal worden ingekocht bij de vader van appellant niet voldoet aan de benodigde kwaliteitseisen. In dit verband heeft het college verwezen naar het advies van Factum van 23 januari 2020.
Appellant heeft vervolgens op 24 maart 2021 opnieuw een aanvraag ingediend voor een pgb voor begeleiding individueel te verlenen door zijn vader. Bij besluit van 7 september 2021, gehandhaafd bij besluit van 9 maart 2022 (bestreden besluit 2), heeft het college deze aanvraag afgewezen, onder verwijzing naar het advies van Factum.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee deze besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft, kort samengevat en voor zover nog van belang, overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vader van appellant niet over de vereiste deskundigheid beschikt om appellant adequaat te begeleiden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn vader niet geschikt is om hem te begeleiden. Zijn vader verzorgt en begeleidt hem al sinds 2014. Appellant wil in aanmerking komen voor een pgb, zodat zijn vader voor de begeleiding kan worden betaald.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Zoals ter zitting is besproken, beperkt het geschil tussen partijen zich tot de vraag of het college op goede gronden heeft geweigerd om nog een pgb aan appellant te verstrekken voor het inkopen van de door hem benodigde begeleiding individueel bij zijn vader.
Het college heeft aan de bestreden besluiten het eerder genoemde advies van Factum ten grondslag gelegd. In dit advies is onder meer vermeld dat vanwege de aard en ernst van de problematiek, een grote mate van deskundigheid wordt gevraagd van degene die de begeleiding van appellant vorm gaat geven. Kennis van het ziektebeeld en behandelmethoden is noodzakelijk. Daarnaast moet er periodiek overleg plaatsvinden met de behandelaars om behandeldoelen te integreren in de aangeboden begeleiding. Factum acht de vader van appellant hiertoe niet in staat.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college de bestreden besluiten mocht baseren op dit advies. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat dit advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat dit advies niet concludent of anderszins onjuist is. De Raad vindt in wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen steun om tot een ander oordeel te komen. Dat de vader van appellant voor hem de huishoudelijke taken en de boodschappen kan doen en hem naar afspraken kan brengen, leidt, gelet op de inhoud van het advies van Factum, niet tot de conclusie dat hij in staat is om de begeleiding te bieden die volgens dat advies noodzakelijk is.
Gelet op wat in 4.2 en 4.3 is overwogen, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat niet gewaarborgd is dat met de ondersteuning door zijn vader aan appellant veilige, doeltreffende en cliëntgerichte begeleiding zal worden verstrekt. Het college heeft dan ook op goede gronden de verdere verstrekking van een pgb geweigerd.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2025.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) N. El Khabazi
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.6
1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.
2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien:
(…)
c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Voetnoten
- Als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wmo 2015.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...