ECLI:NL:GHARL:2025:6822 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 03-11-2025 / Wahv 200.352.659/01
Proceskostenvergoeding. Het hof volgt het oordeel van de Hoge Raad uit het arrest van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:985) en past bij de berekening van de proceskostenvergoeding de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toe. Er is geen sprake van een bijzonder geval in de zin van die bepaling. Dat in een individuele zaak, een categorie van zaken of met een specifieke cliënt bepa...
13 min de lecture · 2 784 mots
Inhoudsindicatie. Proceskostenvergoeding. Het hof volgt het oordeel van de Hoge Raad uit het arrest van 24 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:985) en past bij de berekening van de proceskostenvergoeding de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv toe. Er is geen sprake van een bijzonder geval in de zin van die bepaling. Dat in een individuele zaak, een categorie van zaken of met een specifieke cliënt bepaalde afspraken zijn gemaakt die meebrengen dat in dat geval niet wordt voldaan aan alle door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken, is niet de toets die in dit verband geldt. Het gaat erom of het bedrijfsmodel (van het kantoor) van de gemachtigde in het algemeen niet voldoet aan alle kenmerken. De gemachtigde heeft onvoldoende inzicht geboden in zijn bedrijfsmodel om dat te kunnen beoordelen.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.352.659/01
CJIB-nummer
: 252444558
Uitspraak d.d.
: 3 november 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2025, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 262,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De griffier van het hof heeft de gemachtigde van de betrokkene bij brief van 14 juli 2025 in de gelegenheid gesteld een nadere reactie in te dienen. Van die gelegenheid is gebruik gemaakt.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 september 2022 om 14:48 uur op de Rijksweg N11 in Hazerswoude-Rijndijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] . De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd tot € 262,50, omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene geen mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden tijdens het rijden. De kantonrechter baseert zijn oordeel hoofdzakelijk op de verklaring van de verbalisant in het aanvullend proces-verbaal. Dit aanvullend proces-verbaal is echter pas opgemaakt op 21 augustus 2024, terwijl de vermeende gedraging plaatsvond op 15 september 2022. De gemachtigde is van mening dat de betrouwbaarheid van deze verklaring twijfelachtig is, aangezien het onwaarschijnlijk is dat een verbalisant zich na zo’n lange periode nog exact de situatie en de omstandigheden kan herinneren.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat betrokken voertuig mij inhaalde bij de afslag Hazerswoude-Rijndijk. Toen hij dit deed zag ik dat de bestuurder zijn mobiele telefoon in zijn rechterhand vasthield. Ik zag tevens dat zijn linkerhand ook los van het stuur was.”
5. In het dossier bevindt zich voorts een (op verzoek van de kantonrechter opgemaakt) proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2024. Hierin verklaart de ambtenaar op ambtsbelofte onder meer:
“Ik constateerde dat de bestuurder van betrokken voertuig bijzonder dan wel gevaarlijk rijgedrag vertoonde. Ik zag namelijk dat de bestuurder aan het kleven was (…). Ik zag dat de bestuurder zich agressief gedroeg. Ik zag dit omdat hij gebaren maakte naar overige weggebruikers, waaronder het opsteken van een middelvinger. Toen het voertuig mij passeerde zag ik dat de bestuurder een mobiele telefoon in zijn hand hield. Ik zag dat de bestuurder zijn andere hand ook los had van het stuur en het stuur dus niet vasthield.”
6. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield. De verklaring in het proces-verbaal van 21 augustus 2024 is in feite een nadere uitwerking van de reeds in het zaakoverzicht opgenomen verklaring. Dat de ambtenaar die informatie bijna twee jaar na de datum van de gedraging heeft verstrekt, geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van diens verklaring. Het is het hof ambtshalve bekend dat ambtenaren na constatering van een gedraging aantekeningen plegen te maken van hun waarneming, die zij raadplegen als later om aanvulling wordt verzocht. Op basis van de verklaring van de ambtenaar kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. In zoverre kan de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd.
7. De gemachtigde van de betrokkene voert verder aan dat de betrokkene door de kantonrechter gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, zodat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.
8. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking gewijzigd op het punt van het bedrag van de sanctie. Daarmee is de betrokkene in het gelijk gesteld, zoals bedoeld in het arrest van dit hof van 28 april 2020.
9. De kantonrechter heeft afgezien van toekenning van een proceskostenvergoeding en daartoe overwogen dat sprake is van een ambtshalve matiging.
10. Zoals het hof al eerder heeft overwogen, maakt de omstandigheid dat de kantonrechter de betrokkene ambtshalve in het gelijk stelt niet dat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding dus ten onrechte afgewezen.
11. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen, namelijk de volgende proceskostenvergoeding toekennen.
12. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het bijwonen van de zitting bij de kantonrechter dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
13. De proceskosten in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Het hof stelt vast dat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding voor de in hoger beroep gemaakte kosten overweegt het hof het volgende.
14. Op 24 juni 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het beroep in cassatie in het belang der wet.
15. In dat arrest heeft de Hoge Raad over de werkingssfeer van de regeling van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv in r.o. 5.2 en 5.3 overwogen dat de wetgever met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv), ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over Wahv, het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.
16. De Hoge Raad heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op deze afbakening van de werkingssfeer van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv niet kan worden gezegd dat de wetgever verder is gegaan dan nodig om het als legitiem aangemerkte doel van het wetsvoorstel te bereiken, te weten voorkomen dat proceskostenvergoedingen dermate hoog uitvallen dat afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt van het Bpb dat proceskostenvergoedingen niet méér beogen te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling is daarom geen sprake.
17. Het hof volgt het oordeel van de Hoge Raad. Aangezien het arrest van de Hoge Raad is gewezen nadat de gemachtigde hoger beroep had ingesteld, hoefde hij niet bedacht te zijn op de in dat arrest geformuleerde regels. Daarom is de gemachtigde door de griffier van het hof in de gelegenheid gesteld om te reageren op de in dat arrest geformuleerde regels en in dat verband zo nodig nadere gegevens te verstrekken. De gemachtigde heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
18. De gemachtigde voert aan dat de door zijn kantoor gehanteerde werkwijze en aard van de dienstverlening moet worden aangemerkt als een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 13a, tweede lid van de Wahv en in r.o. 5.3 van het arrest van de Hoge Raad. Daarom bestaat geen aanleiding tot het vermenigvuldigen met de factoren 0,25 of 0,10. De gemachtigde stelt dat niet is voldaan aan het tweede kenmerk dat door de Hoge Raad is geformuleerd omdat de proceskostenvergoeding niet volledig wordt afgedragen aan de rechtsbijstandsverlener. De gemachtigde heeft een samenwerkingsovereenkomst met de kentekenhouder [de betrokkene] B.V. Onderdeel daarvan is dat 95 procent van het bedrag aan proceskostenvergoeding toekomt aan de rechtsbijstandverlener en 5 procent van de vergoeding aan de kentekenhouder. De gemachtigde voert aan dat de Hoge Raad de absolute term "het bedrag" gebruikt en niet "grotendeels" of "het merendeel van het bedrag". Een letterlijke en grammaticale interpretatie van het arrest leidt tot de conclusie dat het onderhavige model met een revenue share feitelijk afwijkt van de door de Hoge Raad omschreven situatie. Daarom kan het bedrijfsmodel niet worden gekwalificeerd als het type model waarop de verminderingsfactoren van toepassing zijn. De relevante delen van de samenwerkingsovereenkomst zijn bij de ingediende reactie gevoegd.
19. Verder voert de gemachtigde aan dat geen sprake is van een zuivere no cure no pay afspraak. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 het door de wetgever bedoelde model omschreven als een afspraak waarbij de belanghebbende geen financieel risico loopt. De dynamiek van een dergelijke zuivere 'no cure no pay'-relatie is dat de betrokkene volledig financieel passief is met betrekking tot de uitkomst van de proceskostenveroordeling. De betrokkene betaalt niets en ontvangt niets. Het enige voordeel is het tenietdoen van de oorspronkelijke sanctie. Het financiële belang bij de proceskostenvergoeding ligt in dat model exclusief en volledig bij de rechtsbijstandverlener. De afspraak met de onderhavige betrokkene wijkt hier van af. Door de revenue share-overeenkomst ontvangt de betrokkene niet alleen de 'cure' (de vernietiging van de sanctie), maar ook een 'pay' (een uitkering van 5 procent van de toegekende proceskostenvergoeding). De betrokkene is hierdoor geen financieel passieve partij, maar heeft een direct en positief financieel belang bij de toekenning van een proceskostenvergoeding, aldus de gemachtigde.
20. De gemachtigde voert ook aan dat hij cliënten heeft die per zaak een instapvergoeding betalen van ten hoogste € 10,-. Dit betreffen verschillende verhuurbedrijven. Het gaat hierbij om dienstverlening op grond van artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv. Deze dienstverlening is inherent niet ingesteld op het verkrijgen van een proceskostenvergoeding. De cliënten lopen een financieel risico en er is niet voldaan aan het kenmerk van ‘no cure no pay’.
21. Het hof dient te beoordelen of het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde niet (één van) de kenmerken heeft zoals hiervoor genoemd, om in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoeding in de Whpkv, namelijk om de proceskostenvergoedingen meer in lijn te brengen met de daadwerkelijk verrichte inspanningen van de rechtsbijstandverlener, de verleende rechtsbijstand aan te kunnen merken als een bijzonder geval in de zin van artikel 13a, tweede lid, Wahv. Bij de beoordeling of het bedrijfsmodel van de gemachtigde kennelijk niet de in het arrest van de Hoge Raad genoemde drie kenmerken heeft, stelt het hof voorop dat het niet specifiek gaat om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.
22. Dat de gemachtigde in een individuele zaak, een categorie van zaken of met een specifieke cliënt bepaalde afspraken heeft gemaakt die meebrengen dat het geval niet alle drie kenmerken heeft, is naar het oordeel van het hof niet de toets die in dit verband geldt. Het gaat er immers niet om of in een individuele zaak of een categorie van zaken niet wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar of het bedrijfsmodel in het algemeen daaraan niet voldoet. Het hof laat de vraag of met de door de gemachtigde aangevoerde voorwaarden in de overeenkomst met de kentekenhouder niet aan één of meer kenmerken genoemd door de Hoge Raad is voldaan onbeantwoord, omdat, ongeacht het antwoord op die vraag, daarmee onvoldoende inzicht is geboden in het bedrijfsmodel (van het kantoor) van de gemachtigde om te kunnen oordelen of het geval kennelijk niet alle hiervoor vermelde drie kenmerken heeft.
23. Gelet op het voorgaande is met hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde van de betrokkene één of meer kenmerken niet heeft. Er is geen sprake van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. De vergoeding van de proceskosten gemaakt in hoger beroep zal daarom worden berekend met inachtneming van de Whpkv.
24. Het voorgaande brengt mee dat de proceskostenvergoeding als volgt zal worden berekend. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en de nadere reactie op het verzoek van de griffier dient 1,5 punt te worden toegekend. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1.
25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 941,01 (= (2 x € 907,- x 0,5) + (1,5 x € 907,- x 0,25 x 0,1)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 941,01.
Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Voetnoten
- ECLI:NL:GHARL:2020:3336.
- vgl. de arresten van het hof van 28 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2330, en 13 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8301.
- vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369.
- ECLI:NL:HR:2025:985.
- ECLI:NL:HR:2025:46.
- vgl. het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.4.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...