ECLI:NL:GHSHE:2025:1848 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 02-07-2025 / 23/1869

Naheffingsaanslag BPM. Het beroep van belanghebbende op het toepassen van de herleidingsmethode wordt verworpen. Belanghebbende heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade, waaronder motorschade. Hoger beroep ongegrond.

Source officielle

7 min de lecture 1 464 mots

Inhoudsindicatie. Naheffingsaanslag BPM. Het beroep van belanghebbende op het toepassen van de herleidingsmethode wordt verworpen. Belanghebbende heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade, waaronder motorschade. Hoger beroep ongegrond.

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 23/1869

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 december 2023, nummer BRE 22/2491 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst.

2Feiten

Belanghebbende heeft op 6 mei 2020 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een [merk auto] met VIN-nummer [nummer] (hierna: de auto) naar een te betalen bedrag aan BPM van € 3.474.

Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] van 24 april 2020. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 47.089. De taxateur heeft een bedrag van € 28.396 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht, zijnde 85% van de geconstateerde schade. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 18.693.

In de bijlage bij het taxatierapport van belanghebbende is een foto van de inkoopfactuur gevoegd. Daarop is op de vraag "Dem Verkäufer sind auf andere Weise Unfallschäden bekantt" het antwoord aangekruist: "Repariert, wenn repariert, folgende:". Als toelichting is daarachter opgenomen: "Fahrzeug wurde nachlackiert,Motorschaden".

De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 15 mei 2020. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld aan de hand van een koerslijst van Xray op € 42.780. Hij heeft geen aanleiding gezien om een waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen.

De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 8.585. Met dagtekening 24 december 2021 is aan belanghebbende voor de onderhavige auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 5.111.

3Geschil en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Dient de handelsinkoopwaarde van de auto verminderd te worden in verband met aanwezige schade aan de auto?

II. Mag de verschuldigde BPM voor de auto worden bepaald aan de hand van de herrekende bruto BPM van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de zogenoemde herleidingsmethode)?

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4Gronden

Ten aanzien van het geschil

I. Dient de handelsinkoopwaarde van de auto verminderd te worden in verband met aanwezige schade aan de auto?

De rechtbank heeft met betrekking tot de vermindering in verband met schade als volgt geoordeeld:

“4.1. Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende dient de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde aannemelijk te maken. Ter onderbouwing van de schade heeft belanghebbende een taxatierapport overgelegd.

Belanghebbende stelt dat de auto motorschade heeft. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij een schermafdruk overgelegd van een factuur waar een opmerking met betrekking tot de motorschade op is vermeld (zie 3.2). De rechtbank acht aannemelijk dat de auto op enig moment motorschade heeft gehad, echter uit de door belanghebbende overgelegde factuur blijkt dat deze schade reeds was hersteld en niet dat de schade nog aanwezig zou zijn. Dit volgt ook niet uit andere stukken. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van registratie van de auto sprake was van schade aan de motor.

Voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van andere schade is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat met een waardevermindering wegens schade rekening moet worden gehouden. Aan de hand van de foto’s kan de door belanghebbende bepleite schade niet worden vastgesteld, dan wel is sprake van normale gebruiksschade. Eventuele onduidelijkheden op de foto’s van belanghebbende of wat daarop in de visie van de taxateur zichtbaar zou moeten zijn, dienen voor zijn rekening te komen.

De inspecteur heeft daarom terecht geen rekening gehouden met een waardevermindering wegens schade. De overige standpunten van de inspecteur behoeven daarom niet te worden beoordeeld.”

Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.

II. Mag de verschuldigde BPM voor de auto worden bepaald aan de hand van de herleidingsmethode)?

Belanghebbende stelt dat de verschuldigde BPM moet worden bepaald op basis van de herleidingsmethode. Deze methode houdt in dat de verschuldigde BPM wordt herleid uit de herrekende bruto BPM van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s.

De inspecteur heeft verwezen naar het wettelijke systeem vervat in de artikelen 9 en 10 Wet BPM. De wetgever biedt voor de berekening van de bij invoer van een gebruikte auto verschuldigde BPM drie methoden aan. De waardevermindering kan worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, aan de hand van een koerslijst en, in bepaalde gevallen, door middel van een taxatierapport. De herleidingsmethode van belanghebbende behoort daar niet toe.

Belanghebbendes stelling dient te worden verworpen. De herleidingsmethode kan niet worden toegepast. Het hof verwijst naar hetgeen ter zake is overwogen in zijn eerdere uitspraken van 5 juli 2023, 15 juni 2022 en 14 april 2022.

Tussenconclusie

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5Beslissing

Het hof:

verklaart het hoger beroep ongegrond;

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, raadsheer, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De raadsheer,

F. Marcolina T.A. Gladpootjes

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad http://www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie http://www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

  1. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 5 juli 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2184 tot en met 2187.
  2. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 15 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1894 en 1895.
  3. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 14 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1427.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.