ECLI:NL:GHSHE:2025:1976 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 05-06-2025 / 20-001062-25
De executievolgorde van vrijheidsbenemende sancties is neergelegd in artikel 1:4 van de ministeriële regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Regeling). Uit die Regeling volgt dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorgaat op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf en overige vrijheidsbenemende sancties. Tot schorsing van de voorlopige hechtenis t...
5 min de lecture · 1 081 mots
Inhoudsindicatie. De executievolgorde van vrijheidsbenemende sancties is neergelegd in artikel 1:4 van de ministeriële regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Regeling). Uit die Regeling volgt dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorgaat op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf en overige vrijheidsbenemende sancties. Tot schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de executie van een onherroepelijke gevangenisstraf kan derhalve worden overgegaan indien sprake is van een zodanig zwaarwegend persoonlijk belang van verdachte dat een uitzondering dient te worden gemaakt op de hoofdregel van executie.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Parketnummer hof: [nummer]
Parketnummer 1e aanleg: [nummer]
Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft gezien het verzoekschrift d.d. 26 mei 2025 ingediend namens:
naam
[naam]
voornamen
[naam]
geboren
[[1975]] te [[plaats]]
wonende te
[adres]
adres
[straat en huisnummer]
thans verblijvende in
[detentieplaats]
strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis;
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.M.A. Baetsen.
Het hof heeft kennisgenomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt onder meer het navolgende.
Verdachte is op 11 april 2025 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld tot een vrijheidsbenemende maatregel, te weten de maatregel plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar, wegens bedreiging meermalen gepleegd en een diefstal. Tegen dat vonnis is namens verdachte hoger beroep aangetekend.
Verdachte is in andere strafzaken veroordeeld tot gevangenisstraffen welke inmiddels onherroepelijk zijn. Dit gaat om de volgende zaken:
– parketnummer [nummer] , vonnis d.d. 12-02-2024;
– parketnummer [nummer] , vonnis d.d. 13-11-2019;
– parketnummer [nummer] , vonnis d.d. 28-04-2022;
– parketnummer [nummer] , vonnis d.d. 12-02-2024.
Namens verdachte is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen ter fine van de executie van de onherroepelijke straffen.
Het hof oordeelt als volgt
De verdachte heeft in beginsel het recht zijn berechting in vrijheid af te wachten. Dat kan anders zijn wanneer, zoals in de onderhavige zaak, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, wanneer hij zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, een strafbaar feit zal plegen als bedoeld in artikel 67a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. In een dergelijk geval zal de rechter, op grond van het subsidiariteitsbeginsel, dienen na te gaan of niet ook op een andere, voor de verdachte minder bezwarende manier, tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Dat belang is gelegen in het verschoond blijven van een of meer strafbare feiten, gepleegd door verdachte.
De executievolgorde van vrijheidsbenemende sancties is neergelegd in artikel 1:4 van de ministeriële regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Regeling). Uit die Regeling volgt dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorgaat op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf en overige vrijheidsbenemende sancties. Artikel 1:9, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat van de executievolgorde niet wordt afgeweken, tenzij “uit een persoonsgerichte beoordeling volgt dat dit bijdraagt aan een persoonsgerichte invulling van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, onder a, van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen”. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat het schorsen van de voorlopige hechtenis ter fine van de executie van een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf in zijn algemeenheid niet zelden gepaard gaat met een aantal zwaarwegende praktische bezwaren, die in voorkomende gevallen ook (maatschappelijk ongewenste) risico’s met zich kunnen brengen, is het hof van oordeel dat als uitgangspunt dient te gelden dat verzoeken als het onderhavige dienen te worden afgewezen, tenzij er sprake is van zwaarwegende persoonlijke belangen. Daarbij verdient opmerking dat naar het oordeel van het hof het – mede door de rechtspraak van het EHRM vormgegeven – ‘subsidiariteitsbeginsel’ niet aldus dient te worden uitgelegd dat dit beginsel de rechter dwingt om in alle gevallen het uitzitten van een gevangenisstraf voor te laten gaan op de voorlopige hechtenis.
Tot schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de executie van een onherroepelijke gevangenisstraf kan derhalve worden overgegaan indien sprake is van een zodanig zwaarwegend persoonlijk belang van verdachte dat een uitzondering dient te worden gemaakt op de hoofdregel van executie.
Het hof zal echter in dit geval het hof het verzoek ter fine de executie van de onherroepelijke straffen toewijzen. Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het belang van de voortgang van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke straffen in dit geval zwaarder weegt dan het belang bij de voortduring van de voorlopige hechtenis in onderhavige zaak, nu de voorlopige hechtenis niet in mindering wordt gebracht op de eventueel op te leggen ISD-maatregel en naar het hof begrijpt, is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat hof in de onderhavige zaak een dergelijke maatregel zal opleggen.
Het hof zal overigens wel bepalen dat de voorlopige hechtenis herleeft op het moment dat verdachte in aanmerking komt voor verlof en/of strafonderbreking dan wel om welke reden dan ook uit de penitentiaire inrichting zou worden vrijgelaten.
Alles overwegend wijst het hof het verzoek toe en schorst de voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop de bovengenoemde onherroepelijke straffen worden geëxecuteerd tot het moment waarop de tenuitvoerlegging van de straffen afloopt dan wel verdachte in aanmerking komt voor verlof of strafonderbreking of om welke reden dan ook wordt vrijgelaten uit de penitentiaire inrichting.
BESCHIKKENDE
Wijst toe het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis;
Beveelt dat de voorlopige hechtenis van verdachte zal worden geschorst ingang van het moment waarop de executie van de onherroepelijke straffen onder de volgende parketnummers: [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] kunnen worden tenuitvoergelegd.
Stelt aan verdachte als voorwaarden der schorsing:
dat verdachte -indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen- zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis, niet zal onttrekken;
dat verdachte -ingeval hij wegens het feit waarvoor voorlopige hechtenis is bevolen- tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;
dat verdachte zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis zal onthouden van het plegen van strafbare feiten;
dat verdachte gehoor zal geven aan alle oproepingen van politie en justitie.
Bepaalt dat de voorlopige hechtenis herleeft op het moment dat verdachte in aanmerking komt voor detentiefasering, verlof en/of strafonderbreking.
Aldus gedaan op 5 juni 2025
door mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter, mr. P.J. Hödl en mr. A.C. van der Schans, raadsheren, in tegenwoordigheid van S.J.H. van Beekveld, griffier.
Fiat betekening en tenuitvoerlegging:
's-Hertogenbosch,
De advocaat-generaal,
Gezien d.d.
De directeur van
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...