ECLI:NL:GHSHE:2025:1986 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 10-07-2025 / 200.349.282_01
Verzoek tot vaststellen omgangsregeling tussen vader en de kinderen afgewezen. Vader gediagnosticeerd met psychiatrische problematiek. De kinderen zijn getraumatiseerd door gewelddadig gedrag van vader richting de moeder en de kinderen. Vader gelooft niet dat de kinderen bang zijn van hem en erkent eigen gedrag niet -> geen basis om te komen tot contactherstel.
18 min de lecture · 3 764 mots
Inhoudsindicatie. Verzoek tot vaststellen omgangsregeling tussen vader en de kinderen afgewezen. Vader gediagnosticeerd met psychiatrische problematiek. De kinderen zijn getraumatiseerd door gewelddadig gedrag van vader richting de moeder en de kinderen. Vader gelooft niet dat de kinderen bang zijn van hem en erkent eigen gedrag niet -> geen basis om te komen tot contactherstel.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 10 juli 2025
Zaaknummer: 200.349.282/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/384142 / FA RK 22-3169.2
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. I. van Meeteren,
tegen
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. I.M. van Kuilenburg.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) in de procedure gekend.
In het kort
De vader is het er niet mee eens dat de rechtbank zijn verzoek om omgangsregeling met [minderjarige 1] (15 jaar), [minderjarige 2] (14 jaar) en [minderjarige 3] (10 jaar) heeft afgewezen.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 december 2024, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat – primair – er tussen de vader en de kinderen omgang zal plaatsvinden, welke omgang eerst zal worden begeleid via een omgangshuis en – subsidiair – dat de kinderen onder toezicht worden gesteld en dat de moeder de vader maandelijks informeert over het welzijn van de kinderen.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 maart 2025, heeft de moeder verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een Oost-Armeense tolk, genaamd mevrouw A. Markarian (tolkennummer 4699);
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .
Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken en daar hebben zij gebruik van gemaakt. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben op 5 juni 2025 een gesprek gehad met de voorzitter in het bijzijn van de griffier. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 30 juli 2024;
het V-formulier van 22 mei 2025 met bijlagen van de advocaat van de vader;
de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de vader overgelegde pleitnota.
3De beoordeling
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Tijdens deze relatie zijn geboren:
– [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2010;
[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2012;
[minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2014.
De vader heeft [minderjarige 3] erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over de kinderen uit.
Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat partijen na het verbreken van hun relatie in 2019 aanvankelijk in onderling overleg tot een regeling waren gekomen waarbij de vader twee keer per week de kinderen zag.
Uit de stukken is gebleken dat het laatste contact tussen de vader en de kinderen in het najaar van 2022 heeft plaatsgevonden.
Bij de rechtbank
De vader heeft, kort gezegd en voor zover nu nog relevant, de rechtbank verzocht om een begeleide omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.
Bij het hof
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. In zijn beroepschrift, zoals aangevuld op de mondelinge behandeling, voert hij – samengevat – het volgende aan.
Het gegeven dat de kinderen bang zijn voor vader is iets wat vooral door de moeder wordt beweerd. Sinds de moeder samen is met haar nieuwe partner, probeert zij de vader uit het leven van de kinderen te weren en het contact tussen vader en de kinderen te beperken. Na de scheiding in 2020 is vader altijd betrokken gebleven bij het leven van de kinderen. De vader heeft in 2022 via sociale media berichten uitgewisseld met [minderjarige 1] waarin zij aangeeft veel van haar vader te houden en hem te missen. Veilig Thuis heeft twee keer (op 16 juni 2022 en op 29 september 2022) bevestigd dat alle drie de kinderen hun vader willen zien. De vader is nooit voor enig geweldsdelict tijdens de relatie veroordeeld en hij heeft zich nooit gewelddadig richting de moeder en de kinderen gedragen. Er heeft nooit een incident plaatsgevonden waarbij de vader de moeder met een mes zou hebben bedreigd en de kinderen tussen beiden moesten springen. Daar is geen bewijs van. De vader kan zich niet voorstellen dat de kinderen bang voor hem zijn. Hij heeft wel een reëel beeld van wat er in het verleden is gebeurd en wat de impact hiervan is geweest op de kinderen. De vader erkent dat er tijdens de relatie moeilijkheden zijn geweest die hun weerslag hebben gehad op zijn kinderen. Hij is zich ervan bewust dat de spanningen tussen hem en de moeder belastend zijn (geweest) voor de kinderen en dit spijt hem ook. Inmiddels is er al heel wat tijd verstreken en hebben de kinderen hulp gekregen bij het verwerken van de gebeurtenissen. De vader heeft destijds hulp gezocht en stond onder begeleiding van maatschappelijk werk. Hij heeft werk, een woning en hij heeft onlangs zijn inburgeringsexamen behaald. De vader werkt in loondienst en leidt een stabiel leven. De vader gebruikt sinds 2020 geen medicatie meer, omdat hij geen psychische problemen meer heeft. Hij heeft zijn medicatie onder begeleiding van de artsen afgebouwd. Tot 2022 heeft de vader onder behandeling gestaan. Daarna was dat niet meer nodig. Iedereen zegt hem dat hij zijn problemen in de rechtszaal moet oplossen. Hij wil andere mensen niet beschuldigen, maar het is gewoon niet waar wat ze zeggen. De vader heeft een hele goede band met de kinderen en hij houdt veel van hen.
Over de informatieregeling: totdat er een externe partij bereid is gevonden, is de advocaat van de vader tijdelijk bereid (maximaal één jaar) om de informatie van de moeder over de kinderen te ontvangen op haar e-mailadres en dat vervolgens door te sturen naar de vader.
In haar verweerschrift, aangevuld op de mondelinge behandeling, formuleert de moeder haar standpunt – samengevat – als volgt.
Ondanks alle informatie in deze procedure heeft de vader geen (zelf-)inzicht. Dit staat een positieve ontwikkeling van de relatie tussen de vader en de kinderen in de weg. Hij ziet niet dat hij de kinderen hun hele jonge leven heeft laten opgroeien in een situatie van onrust en geweld. Hij ziet niet dat de kinderen daardoor getraumatiseerd zijn en ook niet dat hij zelf ernstige psychiatrische stoornissen heeft waarvoor hij niet wenst te worden behandeld. Juist in periodes dat hij psychisch ontregeld is, zoekt hij contact met de kinderen. Hij ziet niet dat hij voor de kinderen beangstigend en onvoorspelbaar is. De vader is jarenlang onder behandeling geweest van psychiaters en meermalen langdurig (maandenlang) gedwongen opgenomen geweest. Hij heeft een overweldigende hoeveelheid informatie gekregen, maar er is blijkbaar niets blijven hangen. De kinderen hebben erg weinig positieve herinneringen aan hun vader. Hij had geen enkele rol in hun zorg en opvoeding. Tijdens hun jeugd was de vader vrijwel constant in de ban van psychoses en wanen. Het is niet zo dat de moeder omgang (definitief) onmogelijk wil maken. Maar het gedrag van de vader is zo beangstigend voor de kinderen dat omgang met hem op dit moment een gevaar is voor hun ontwikkeling. Zelfs omgang onder begeleiding is te belastend voor de kinderen. Ze zijn bang om hun vader weer te (moeten) zien. Anders dan de rechtbank hem in de tussenbeschikking heeft opgedragen, heeft vader geen enkele vorm van behandeling of medicatie voor zijn psychische problemen. Hij heeft op zitting laten weten daartoe geen noodzaak te zien. De vader is altijd al een zorgmijder geweest. Hij heeft wel geestelijke problemen, maar hij heeft zichzelf gezond verklaard. Er is geen bewijs dat het beter gaat met hem. De vader beschikt ook over de brieven van de psycholoog van de kinderen waarin duidelijk staat dat de kinderen nog maar aan het begin staan van hun behandeling en dat – in de woorden van de psycholoog – juist de angst om vader weer te “moeten” zien, in de weg staat aan traumaverwerking. Dit geldt met name voor [minderjarige 1] . De vader woont op fietsafstand. Hij blijft contact zoeken met de kinderen, duikt op onverwachte momenten op en achtervolgt de kinderen. De kinderen schrikken hier steeds erg van en ze kunnen zich daardoor niet vrij bewegen in hun eigen leefomgeving. Begeleide omgang is al geprobeerd in het verleden, maar de vader kwam niet opdagen, maakte de kinderen bang of gedroeg zich gewelddadig naar de moeder en haar partner. Hoewel het nu redelijk gaat met de kinderen, heeft het een negatief effect op hun gedrag en studie als (contact met) de vader ter sprake komt. De kinderen hebben nu geen hulp meer, omdat het steeds beter ging met ze. Jeugdzorg heeft het dossier eind 2024 afgesloten.
De moeder wil aan een maandelijkse informatieverplichting voldoen, mits op een voor alle partijen veilige manier, via bijvoorbeeld een hulpverlener of via de advocaat van de vader. De moeder wil niet persoonlijk met de vader communiceren, want ze is bang dat hij daar misbruik van gaat maken.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de beslissing van de rechtbank in stand te laten. De raad hoort geen verschil vergeleken met de situatie in 2023. Het ontbreekt de vader nog steeds aan zelfinzicht; wellicht komt dit uit onvermogen of omdat hij geen actieve herinnering heeft aan wat er is gebeurd. De vader kan niet kijken vanuit het perspectief van de kinderen. De kinderen zijn getraumatiseerd en hebben een ouder nodig die responsief en sensitief op hen reageert. Het zou in het belang van de kinderen zijn als het beeld van de vader zou ombuigen. De vader heeft hier hulpverlening bij nodig. Zolang de vader nog in de volledige ontkenning zit, is begeleide omgang niet in het belang van de kinderen. De kinderen zijn nu enigszins gestabiliseerd. Als er nu opnieuw pogingen worden ondernomen om contact met de vader aan te gaan, worden de kinderen teveel gedestabiliseerd. Alle betrokkenen zijn getraumatiseerd. Het is moeilijk om stappen te zetten, want verandering kost veel tijd.
Het hof overweegt als volgt.
Ondertoezichtstelling
De vader heeft op de mondelinge behandeling zijn verzoek om de kinderen onder toezicht te stellen, ingetrokken. Dit brengt met zich dat het hof niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil op dit punt en de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in dit verzoek.
Begeleide omgangsregeling
De vader heeft [minderjarige 3] erkend, maar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet. Het is tussen partijen niet in geschil dat de vader de biologische ouder is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat de vader en de kinderen in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan. Op grond van artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling over de uitoefening van het omgangsrecht vast. Op grond van lid 3 van dat artikel kan een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling slechts worden afgewezen, indien:
omgang met de ouder ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder doet blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Het hof is van oordeel dat aan al deze gronden is voldaan en dat het verzoek van de vader tot omgang met de kinderen terecht is afgewezen. Het hof legt nu uit waarom.
Uit het dossier is gebleken dat de ouders in 2009 vanuit Armenië naar Nederland zijn gevlucht en dat de kinderen het merendeel van hun leven zijn opgegroeid in asielzoekerscentra. De vader stond sinds 2009 onder behandeling bij de GGZ vanwege zijn geconstateerde psychiatrische problematiek die gepaard ging met psychotische wanen waarin hij zich gewelddadig en agressief gedroeg richting de moeder en de kinderen. Dit heeft ook geleid tot meerdere gedwongen opnames. Uit het raadsrapport van 19 juli 2023 blijkt dat de eerste meldingen van huiselijk geweld door de vader binnen het gezin al dateren uit 2013 en dat de GGZ-vluchtelingenarts de vader in juni 2014 heeft gediagnosticeerd met (onder andere) een posttraumatische stress-stoornis, chronisch en ernstige depressieve stoornis; recidiverend en psychotische stoornis NAO. Nadat de moeder aangifte heeft gedaan tegen de vader, heeft het Openbaar Ministerie de vader in december 2021 een gedragsaanwijzing opgelegd waarbij hij zich drie maanden lang niet binnen een straal van 200 meter rondom de woning van de moeder en de kinderen mocht begeven. Ook is de vader strafrechtelijk veroordeeld voor zijn gewelddadige gedrag richting de moeder met een voorwaardelijke werkstraf en is hem reclasseringstoezicht opgelegd.
Het verleden met de vader heeft zijn sporen nagelaten bij de kinderen: gebleken is dat de kinderen hierdoor getraumatiseerd zijn geraakt en dat zij professionele hulpverlening nodig hebben (gehad). Sinds december 2023 stonden zij onder behandeling van een psycholoog en is traumatherapie ingezet. De kinderen vertellen de raad en andere hulpverleners consequent dat zij geen fijne herinneringen hebben aan hun vader, omdat hij de moeder en de kinderen sloeg. Ook was er volgens de kinderen een incident waarbij de vader de moeder met een mes heeft bedreigd waarna de kinderen tussenbeide moesten springen. Over dit incident hebben zij ook gesproken bij het hof waarbij zij zichtbaar geëmotioneerd raakten. Of dit precies zo heeft plaatsgevonden zoals de kinderen het verteld hebben, is niet meer te achterhalen. Wat echter wel vaststaat, is dat zij zich onveilig bij de vader hebben gevoeld, nog steeds bang zijn voor hem en dat zij heftig reageren als zij over hem praten. Dat de vader – bij herhaling – blijft beweren dat hij zich nooit gewelddadig richting de kinderen heeft gedragen en dat hij zich niet kan voorstellen dat de kinderen bang zijn voor hem, doet afbreuk aan de ernst en de impact van de incidenten die zich jarenlang hebben voorgedaan en waarvan [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nog steeds last hebben.
De raad concludeerde in het rapport van 19 juni 2023 al dat duidelijk naar voren is gekomen dat de vader niet kan reflecteren op de hele situatie, dat hij niet beschikt over probleeminzicht en dat het van belang is dat hij de kinderen erkenning kan geven voor de negatieve ervaringen die zij in het contact met hem hebben opgedaan. Het hof constateert dat de vader dit tot op heden niet heeft gedaan en dat deze situatie nog steeds actueel is.
In de stukken, maar ook op de mondelinge behandeling bij het hof op 11 juni 2025, erkent de vader de gevoelens van de kinderen niet, toont hij geen inzicht in wat zijn gedrag voor de kinderen heeft betekend en legt hij alle schuld buiten zichzelf (en voornamelijk bij de moeder). Zelfs al zouden de incidenten niet hebben plaatsgevonden of anders dan het in het raadsrapport staat beschreven, dan nog zou de vader in ieder geval blijk kunnen geven van begrip of het openlijk kunnen betreuren dát de kinderen onveilige gevoelens hebben gehad bij hem. Gelet op de wijze waarop de vader nu terugblikt op het verleden – volgens hem zijn er tijdens de relatie “moeilijkheden” geweest die hun weerslag hebben gehad op zijn kinderen, blijkt dat hij nog steeds niet in staat is om zijn aandeel in de heftige gebeurtenissen onder ogen te komen en dat hij zich niet verantwoordelijk voelt voor wat de kinderen hebben doorgemaakt (en nog steeds doormaken). De vader kan zich niet inleven wat het voor de kinderen heeft betekend (en nog steeds betekent) wat zij met hem hebben meegemaakt en dat is nu juist het voornaamste wat de kinderen van hem nodig hebben om deze impasse te doorbreken. Het hof sluit aan bij de bevindingen van de raad dat de kinderen van hun vader nodig hebben dat hij zijn zelfinzicht vergroot en zich responsief en sensitief tegenover hen opstelt. Zo lang de vader dat niet doet, waarbij het hof in het midden laat of dit komt uit onmacht of onwil, ontstaat er bij de kinderen geen ruimte om anders naar hun vader te leren kijken. Daar komt bij dat het hof het verontrustend acht dat de vader sinds 2020 geen medicatie meer gebruikt en sinds 2022 geen behandeling meer ondergaat. Zonder medische onderbouwing, die ontbreekt, kan het hof er niet op vertrouwen dat de specifieke psychiatrische problematiek waarmee de vader is gediagnosticeerd vanzelf zou zijn overgegaan.
Onder de huidige omstandigheden, ingegeven door de onveranderde houding en denkwijze van de vader, bestaat er geen enkele basis meer om te komen tot herstel van de contacten tussen de vader en de kinderen, ook niet als dit begeleid zou worden door een professionele instantie. Dat zou, zoals de raad het op de mondelinge behandeling verwoordde, leiden tot een destabilisatie bij de kinderen en dat moet te allen tijde zien te worden voorkomen. Uit vaste jurisprudentie volgt echter dat het de taak van de rechter is om te bevorderen dat er een omgangsregeling tot stand komt. Dat heeft de rechtbank dan ook gedaan door de zaak bijna drie jaar aan zich te houden waarbij tweemaal een tussenbeschikking is gegeven. De eerste keer (30 augustus 2022) heeft de rechtbank een raadsonderzoek gelast waarbij de rechtbank heeft overwogen dat het niet duidelijk is wat de (gezondheids-)situatie van de vader is en in hoeverre contact tussen hem en de kinderen mogelijk en verantwoord is. De tweede keer (27 september 2023) heeft de rechtbank de vader erop gewezen dat hij contact met zijn behandelaren moet blijven onderhouden en dat hij in die contacten hulp moet vragen om te leren erkennen dat de kinderen last hebben van de negatieve ervaringen met hem. De raad en de rechtbank zagen hierna geen mogelijkheden meer voor omgang en het hof ziet deze mogelijkheden ook niet meer. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank alle in het gegeven geval mogelijke en gepaste maatregelen heeft genomen om contact tussen de vader en de kinderen weer tot stand te brengen, maar dat die maatregelen niet tot enige vorm van contact hebben geleid. Het hof neemt hierbij tot slot in aanmerking dat er bij de kinderen en de moeder geen draagvlak meer is om te komen tot enige vorm van contactherstel. Al met al is dus op basis van het voorgaande aan alle afwijzingsgronden voldaan zoals geformuleerd in lid 3 van het onderhavige artikel. Het is bovendien goed voor de kinderen als er in deze procedure, die drie jaar geleden is begonnen, een einde komt aan de onzekerheid die deze gang van zaken voor hen met zich meebrengt, zodat zij aan verwerking van hun ervaringen in het verleden kunnen toekomen.
Informatieregeling
Ten aanzien van het verzoek tot oplegging van een informatieregeling oordeelt het hof als volgt. Artikel 377b lid 2 BW bepaalt dat de ouder die met het gezag is belast, is gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen — zo nodig door tussenkomst van derden — over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
Partijen zijn op de mondelinge behandeling overeengekomen dat de moeder de vader één keer per maand zal informeren over het welzijn van de kinderen (waaronder actuele foto’s en informatie over hun schoolgang) en dat zij deze informatie per e-mail zal verstrekken aan de advocaat van de vader. Het hof zal deze informatieregeling vastleggen in het dictum van deze beschikking met dien verstande dat partijen in overleg met hun advocaten in de tussentijd dienen te zoeken naar een professionele derde die de informatie van de moeder kan overdragen naar de vader.
Tot slot
De moeder staat – op zichzelf genomen – niet onwelwillend tegenover een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen, mits de vader maar hulp zoekt, laat zien dat hij aan zichzelf heeft gewerkt en dat hij veranderd is. Gelet op de ernst van wat de moeder en de kinderen met de vader hebben meegemaakt, onderschrijft het hof dit. Als de vader oprecht is in zijn wens om de kinderen weer te mogen zien, dient hij hiervoor zelf de eerste stap te zetten. Evenals de rechtbank, wijst het hof de vader erop dat hij contact met zijn behandelaren moet blijven onderhouden en in die contacten hulp moet vragen om te leren erkennen dat de kinderen last hebben van de negatieve ervaringen met hem. De vader zou hierbij gerichte hulp kunnen zoeken bij, bijvoorbeeld, een maatschappelijk werker om te leren hoe hij zijn hulpvraag moet formuleren en tot wie hij zich moet wenden voor verdere hulpverlening. De vader dient zijn verantwoordelijkheid te nemen voor de impact van zijn handelen op de kinderen. Dat is wat zijn kinderen van hem nodig hebben.
Beslist wordt als volgt.
4De beslissing
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek om de kinderen onder toezicht te stellen;
bekrachtigt de bestreden beschikking;
bepaalt dat de moeder de vader één keer per maand zal informeren over het welzijn van de kinderen (waaronder actuele foto’s en informatie over hun schoolgang) en dat zij deze informatie voorlopig per e-mail zal verstrekken aan de advocaat van de vader totdat er een derde professionele partij is gevonden die bereid is om deze taak op zich te nemen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.F.M. van Swaaij, J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.C. Dumoulin en is op 10 juli 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...