ECLI:NL:GHSHE:2025:2451 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 11-03-2025 / 20-001450-24
Diefstal. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
28 min de lecture · 5 987 mots
Inhoudsindicatie. Diefstal.
Inhoudsindicatie. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Inhoudsindicatie. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Parketnummer : 20-001450-24
Uitspraak : 11 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 27 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-209318-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak/verbreking (feit 1),
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 2), en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel (feit 3),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.
Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] integraal toegewezen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren alsmede een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.
De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging bepleit dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 22 juni 2022 tot en met 26 oktober 2022 te [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om deze/het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid stroom onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
2.
hij op of omstreeks 26 oktober 2022 te [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 532 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
3.
hij op of omstreeks 26 oktober 2022 te [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2600 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij in de periode van 22 juni 2022 tot en met 26 oktober 2022 te [plaatsnaam] , een hoeveelheid stroom die aan [benadeelde] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 26 oktober 2022 te [plaatsnaam] , opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 532 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.
hij op 26 oktober 2022 te [plaatsnaam] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2600 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
In het bijzonder wordt de verdachte vrijgesproken van de onder feit 1 strafverzwarende omstandigheid ex artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de verdachte een hoeveelheid stroom heeft weggenomen door middel van braak en/of verbreking. Immers, het hof kan op grond van het dossier niet vaststellen dat het de verdachte is geweest die in de tenlastegelegde periode de illegale aftakking, buiten de hoofdveiligheid in de aansluitkast om heeft aangesloten.
Bewijsmiddelen
De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, registratienummer PL2300-2023042797, gesloten d.d. 18 april 2023 (pg. 1-170). Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2023 (pg. 5-13), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
(pagina 5)
Op 26 oktober 2022 stelden wij naar aanleiding van een MMA-melding en een rapport blok/netmeting dat op verzoek van de politie door de fraude-inspecteur van [benadeelde] werd uitgevoerd een onderzoek in op het adres [adres 2] , binnen de gemeente [plaatsnaam] . Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met planten aanwezig was.
Het betreft een perceel met daarop een pand waarin een sexclub “ [bedrijf] ”
(pagina 6)
heeft gezeten. Het pand bleek nog grotendeels als zodanig ingericht. Deze club bleek inmiddels permanent gesloten.
(pagina 7)
Na het binnentreden ontdekten wij in een verborgen kelderruimte onder de aanbouw/schuur een in werking zijnde hennepkwekerij.
Kweekruimte 1
In een kelderruimte onder de aanbouw van het pand troffen wij een volledig uitgeruste
en in werking zijnde hennepkwekerij met hennepplanten aan achter een houten deur met
daarboven een I. In totaal stonden er 273 hennepplanten. Per m2 stonden er 10 planten.
Kweekruimte 2
In een kelderruimte onder de aanbouw van het pand troffen wij een volledig uitgeruste
en in werking zijnde hennepkwekerij met hennepplanten aan achter een houten deur met
daarboven een II. In totaal stonden er 259 hennepplanten. Per m2 stonden er 10 planten.
Voor de beide kweekruimtes bevond zich de zogenoemde technische ruimte. Hier bevonden
zich o.a. voedingsmiddelen en een watervat, alsmede schakelborden, regelapparatuur,
gereedschap en drie koolstoffilters. In deze ruimte bevonden zich de toegangsdeuren naar de twee kweekruimtes alsmede een deur naar een berghok. Aan elk van deze deuren hing een mondkapje. Door verbalisant [verbalisant 4] werden vervolgens middels een DNA-kit drie mondkapjes veiliggesteld ten behoeve van forensisch onderzoek op het gebied van DNA.
(pagina 8)
In de technische ruimte alsmede in het berghok werden in totaal 3 plasticzakken met
gedroogde henneptoppen aangetroffen alsmede 3 plastic zakken met hennepgruis. Na weging bleek het te gaan om 2,6 kilogram gedroogde henneptoppen en 3,05 kilogram
hennepgruis.
Wij constateerden op grond van onze kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren. Wij constateerden, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten waren. Voor de beide kweekruimtes bevond zich de zogenoemde technische ruimte. Hier bevonden zich o.a. voedingsmiddelen en een watervat, alsmede schakelborden, regelapparatuur. gereedschap en drie koolstoffilters. In deze ruimte bevonden zich de toegangsdeuren naar de twee kweekruimtes alsmede een deur naar een berghok. Aan elk van deze deuren hing een mondkapje, welke nadien onderzocht zijn op DNA-sporen.
De elektriciteitsvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door [inspecteur] ,
fraude-inspecteur bij de netbeheerder [benadeelde] , in onze aanwezigheid. Hierbij werd
geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij
illegaal werd afgenomen.
(pagina 9)
Verdachte 1: [verdachte]
Reden voor de verdenking is : Verdachte [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) was contractant bij de energiemaatschappij. In de hennepkwekerij werd dna materiaal veiliggesteld dat na testen overeenkwam met het dna van verdachte.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2022 (pg. 22-23), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
(pagina 22)
Op 26 oktober 2022 waren wij, verbalisanten op het adres [adres 2] , gemeente [plaatsnaam] . Dit naar aanleiding van het vermoeden van de aanwezigheid van een hennepkwekerij op dit adres. Vervolgens werd een verborgen ingang gevonden in de voormalige ontvangstruimte van de club. Achter een wegneembaar paneel van de lambrisering in deze ruimte troffen wij een doorgang aan naar de achtergelegen aanbouw/schuur. Die doorgang kwam uit onder een uit stenen en beton opgetrokken soort werkbank/werktafel. Daaronder bevond zich een opening in de vloer die uitkwam in een kelderruimte.
(pagina 23)
Die opening was ongeveer 80×55 cm groot. In de kelderruimte – gesitueerd onder de aanbouw/schuur – troffen wij een in werking zijnde hennepkwekerij aan verdeeld over twee kweekruimtes. Omstreeks 11.30 uur verscheen een manspersoon op het terrein. Ernaar gevraagd gaf hij aan te zijn [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993.
3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 december 2022 met bijlagen (pg. 24-42), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :
(pagina 22)
Aangever:
Achternaam: [aangever]
Voornamen: [aangever]
Hij deed aangifte namens het slachtoffer [benadeelde] .
(pagina 26)
Plaats delict: [adres 2]
Datum fraude constatering: 26 oktober 2022
(pagina 27)
Op 26 oktober 2022 werd diefstal energie aangetroffen in het pand op het adres [adres 2] Het pand betreft een vrijstaande woning. Uit onze administratie blijkt dat [verdachte] in elk geval op het moment van binnentreden op 26 oktober 2022 contractant was op genoemd perceel. Met contractant wordt bedoeld dat met deze persoon/dit bedrijf een
overeenkomst is afgesloten betreffende de aansluiting en transport van energie naar genoemd pand. Mijn aangifte is gebaseerd op waarnemingen, die de fraude-inspecteur ter plaatse heeft gedaan. De fraude-inspecteur heeft een nader onderzoek ingesteld naar de in het pand aanwezige installaties.
Bij controle van de netcomponenten (hoofdleiding, aansluiting en meetinrichting) van [benadeelde] en de installaties in de meterkast van het genoemde pand heeft de fraude-inspecteur het volgende vastgesteld: diefstal Elektriciteit, aftakking op de dienstleiding buiten.
Uit onderzoek bleek dat er een illegale aftakking was gemaakt, buiten, op de aansluitleiding van [benadeelde] , de leiding voorziet het betreffende pand van elektriciteit. De illegale aftakking (elektriciteitskabel) liep buiten de meetinrichting van [benadeelde] om naar de elektrische installatie (en de daarop aangesloten apparatuur) in het betreffende pand en voorzag deze van elektriciteit. De illegale kabel is buiten de hoofdveiligheid in de aansluitkast van [benadeelde] om aangesloten. Door buiten de hoofdbeveiliging om aan te sluiten is er meer vermogen beschikbaar dan contractueel is overeengekomen met de contractant. Deze aftakking is niet door of in opdracht van [benadeelde] aangebracht. Voor het maken van deze aftakking heeft [benadeelde] geen toestemming verleend.
4. Het proces-verbaal veiligstellen en overdracht DNA-sporendrager t.b.v. DNA-kit d.d. 26 oktober 2022 (pg. 53), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Naar aanleiding van vervaardigen softdrugs op het adres [adres 2] , binnen de gemeente [plaatsnaam] , heb ik op 26 oktober 2022, de navolgende DNA-sporendrager veiliggesteld.
Goednummer: PL2300-2022070695-1551205
SIN: AAPH3458NL
Object: Masker
Land: Nederland
Bijzonderheden: Mondkap, hing aan de deur voor kweekruimte 1.
5. Het proces-verbaal van vooronderzoek lab d.d. 15 november 2022 (pg. 56-58), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Onderzoek masker met SIN AAPH3458NL
Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen:
Ik zag dat de sporendrager was verpakt in de DNA-kit met het nummer 698096. Nadat ik de sporendrager uit de DNA-kit had gehaald, zag ik dat het twee, over elkaar heen geschoven, wit gekleurde stofmaskers betrof, met een zilverkleurig accent. Ik zag dat beide stofmaskers voorzien waren van een elastische draagband. Ik zag dat de stofmaskers bevuild waren.
Ik heb van de stofmaskers de gehele vermoedelijke draagzijde bemonsterd op humane biologische sporen. Ik heb de sporen veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AAON4480NL en AAON4481NL, verpakt en verzegeld.
Spoornummer: PL2300-2022070695-81919
SIN: AAON4480NL
Relatie met SIN: AAPH3458NL
Plaats veiligstellen: Geheel vermoedelijke draagzijde buitenste stofmasker
Spoornummer: PL2300-2022070695-81920
SIN: AAON4481NL
Relatie met SIN: AAPH3458NL
Plaats veiligstellen: Gehele vermoedelijke draagzijde binnenste stofmasker
6. Een deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek d.d. 15 november 2022 (pg. 61-64), opgemaakt door dr. P.J. Herbergs, NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, voor zover inhoudende:
(pagina 62)
Bemonstering
DNA-profiel
Mogelijke donor van celmateriaal
Gehele vermoedelijke draagzijde binnenste mondkapje
DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man
[verdachte]
(pagina 63)
Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van [verdachte] in de bemonstering van “gehele vermoedelijke draagzijde binnenste mondkapje AAON4481NL” is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast
Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van [verdachte] en twee onbekende, niet verwante personen.
Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante personen.
De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
7. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof in hoger beroep op 11 februari 2025, voor zover inhoudende:
Ik had een sleutel van het pand aan [adres 2] . Mijn vader en moeder waren ieder voor de helft eigenaar van het pand. Mijn vader is begin 2021 overleden. Na het overlijden van mijn vader heb ik een energiecontract voor het pand afgesloten. Ik ben er na het overlijden van mijn vader een aantal keer geweest. Mijn moeder is nog nooit in het pand geweest.
8. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij d.d. 18 april 2023 (pg. 159-166), opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende:
(pagina 159)
Ontnemingsperiode
De kweekcyclus van een hennepplant bedraagt 10 weken. Er zijn aanwijzingen die duiden op één eerdere oogst. Op 26 oktober 2022 is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen (het hof: aan de [adres 2] ) waar de hennepplanten ongeveer 7 weken oud waren. Aangezien we uitgaan van één eerdere oogst hebben we 18 weken teruggerekend vanaf 26 oktober 2022 en komen we uit op 22 juni 2022.
(pagina 161)
Aantal kweekruimtes: 2
In de 1e kweekruimte stonden minimaal 273 hennepplanten en/of potten. De oppervlakte van de beplanting in de 1e kweekruimte was 27,5 m2. Per m2 stonden er 10 hennepplanten en/of potten.
Er wordt uitgegaan van 1 reeds eerder gerealiseerde oogst in de 1e kweekruimte. De vermelde eerdere oogst is vastgesteld op basis van ingesteld onderzoek, waarbij de volgende indicatoren aanwezig bleken.
Op kalk gelijkende afzetting
(pagina 162)
In de kweekruimte bevond zich op kalk gelijkende afzetting op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten. De hoogte van de op kalk gelijkende afzetting aan de onderzijde van de potten en op het zeil tegen de opstaande rand kwam overeen. In de kweekruimte bevond zich op het gebruikte bevloeiingssysteem (het water-/voedingsvat, de dompelpomp, circulatiepomp, vatverwarmer, filters, leiding, stekers, sproeiers) op kalk gelijkende afzetting.
Stof op koolstoffilters
De aangetroffen koolstoffilters waren in de kwekerij bevestigd aan het plafond van de ruimte in metalen stripbanden. Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestiging bleek dat op de plaats(en) waar deze was aangebracht, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van de kleur van het overige filterdoek. Het is aannemelijk dat de vervuiling van het filterdoek in de kwekerij is opgetreden nadat de koolstoffilters in de kwekerij waren bevestigd. De vervuiling van het filterdoek treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes, voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt.
Stof op voorwerpen
Er lag een niet doorbroken stoflaag op:
– de kappen van de armaturen van de assimilatielampen
– het stoffilter van de koolstofcilinder
– de aanwezige elektra
– het rotorblad van de ventilator
– de kachel
Knippen van hennep
In de technische ruimte waren 8 knipschaartjes aangetroffen. Hierop bevonden zich hennepresten.
Overige indicator(en)
1. plasticzak met zipsluiting, inhoud 1,0 kg gedroogde henneptoppen
2 gesealde plasticzakken, inhoudende 0,8 kg gedroogde henneptoppen per zak
3 plasticzakken met hennepgruis.
(pagina 163)
Aangetroffen planten/potten
In de 2e kweekruimte stonden minimaal 259 hennepplanten en/of potten. De oppervlakte van de bepaling in de 2e kweekruimte was 27,5 m2. Per m2 stonden er 10 hennepplanten en/of potten.
Er wordt uitgegaan van 1 reeds eerder gerealiseerde oogst in de 2e kweekruimte. De vermelde eerdere oogst is vastgesteld op basis van ingesteld onderzoek, waarbij de volgende indicatoren aanwezig bleken.
Op kalk gelijkende afzetting
In de kweekruimte bevond zich op kalk gelijkende afzetting op het zeil en aan de
(pagina 164)
onderzijde van de plantenpotten. De hoogte van de op kalk gelijkende afzetting aan de onderzijde van de potten en op het zeil tegen de opstaande rand kwam overeen. In de kweekruimte bevond zich op het gebruikte bevloeiingssysteem (het water-/voedingsvat, de dompelpomp, circulatiepomp, vatverwarmer, filters, leiding, stekers, sproeiers) op kalk gelijkende afzetting.
Stof op koolstoffilters
De aangetroffen koolstoffilters waren in de kwekerij bevestigd aan het plafond van de ruimte in metalen stripbanden. Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestiging bleek dat op de plaats(en) waar deze was aangebracht, het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van de kleur van het overige filterdoek. Het is aannemelijk dat de vervuiling van het filterdoek in de kwekerij is opgetreden nadat de koolstoffilters in de kwekerij waren bevestigd. De vervuiling van het filterdoek treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes, voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin hennepplanten worden gekweekt. Door de sterke afzuiging van de afgewerkte lucht in de kwekerij, komen deze stofdeeltjes op het filterdoek terecht.
Stof op voorwerpen
Er lag een niet doorbroken stoflaag op:
– de kappen van de armaturen van de assimilatielampen
– het stoffilter van de koolstofcilinder
– het rotorblad van de ventilator
– de kachel
Vervuiling met stof in een hennepkwekerij treedt pas na langere tijd op en wordt veroorzaakt door kleine stofdeeltjes, voornamelijk afkomstig van het droge kweekmedium waarin de hennepplanten worden gekweekt.
Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit en daartoe in de kern aangevoerd dat de verdachte geen hennep heeft geteeld in het pand aan [adres 2] , noch dat hij de aldaar aangetroffen hoeveelheid hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. Het pand was voor het overlijden in eigendom van de vader van de verdachte en de verdachte heeft na diens overlijden een energiecontract afgesloten op zijn eigen naam om te voorkomen dat de elektriciteit van het pand zou worden afgesloten. De verdachte heeft daarna slechts een enkele keer het pand betreden, maar niet de wetenschap – en ook niet de beschikkingsmacht – gehad van de in de verborgen ruimte aanwezige hennepkwekerij. Ten aanzien van DNA-materiaal van de verdachte dat op mondkapjes bij de kweekruimtes is aangetroffen, heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte in de periode voorafgaand aan het overlijden van zijn vader mondkapjes droeg als hij bij zijn vader op bezoek kwam. De vader van de verdachte was ernstig ziek en in diezelfde periode was sprake van een coronapandemie. De verdachte droeg destijds bij binnenkomst een mondkapje en die mondkapjes zijn mogelijk op een later moment door een ander gebruikt voor de hennepkwekerij. Het DNA-materiaal is aangetroffen op een verplaatsbaar object en naar de mening van de verdediging kan het door de verdachte geschetste alternatieve scenario daaromtrent niet worden uitgesloten en kan het evenmin als onaannemelijk terzijde worden geschoven, waardoor de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde.
Voor wat betreft de diefstal van elektriciteit heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de illegale afsluiting en uit het dossier ook niet blijkt dat de verdachte opzet had op het wegnemen van stroom, ook niet in voorwaardelijke zin. Resumerend dient de verdachte integraal te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vast. Op 26 oktober 2022 wordt naar aanleiding van een MMA-melding over een hennepgeur rondom het pand aan [adres 2] en een elektriciteitsmeting een onderzoek uitgevoerd door de politie. In het pand wordt in een verborgen kelderruimte een in werking zijnde hennepkwekerij ontdekt, bestaande uit twee kweekruimtes. In de eerste kweekruimte stonden 273 hennepplanten en in de tweede kweekruimte stonden 259 hennepplanten. Tevens werden 3 plastic zakken met in totaal 2600 gram hennep aangetroffen. Na onderzoek aan de elektriciteitsvoorziening van de hennepkwekerij werd door de fraude-inspecteur bij de netbeheerder [benadeelde] geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. De verdachte was de contractant bij de energiemaatschappij. Er zijn aanwijzingen voor ten minste één eerdere oogst.
Aan de deuren naar de twee kweekruimtes in de verborgen kelderruimte alsmede aan de deur naar een berghok werden mondkapjes aangetroffen. De mondkapjes zijn aan de binnen- en buitenzijdes bemonsterd en aan DNA-onderzoek onderworpen. Uit het DNA-onderzoek is gebleken dat op drie bemonsteringen een DNA-mengprofiel is aangetroffen, waarbij de verdachte als mogelijke donor van celmateriaal werd aangemerkt. Bij één bemonstering (mondkapje AAON4481NL) aan de vermoedelijke draagzijde is uit forensisch onderzoek gebleken dat de kans dat de bemonstering van het spoor DNA bevat van de verdachte en twee onbekende, niet verwante personen, extreem veel waarschijnlijker is dan de kans dat de bemonstering van het spoor DNA-materiaal bevat van drie onbekende, niet verwante personen.
De verdachte heeft verklaard dat hij in het bezit is van een sleutel van het desbetreffende pand, dat hij na het overlijden van zijn vader een energiecontract voor het pand heeft afgesloten en dat hij toen nog een aantal keer in het pand geweest. Op vragen over de hennepkwekerij heeft de verdachte verklaard dat hij geen wetenschap van de verborgen kelderruimte en geen betrokkenheid bij de hennepkwekerij had en dat hij ook niet weet wie wel de eigenaar van de hennepkwekerij is.
Nog daargelaten de omstandigheid dat het niet aannemelijk is dat een ander een reeds eerder volgens de verdachte in 2021 door hem vanwege COVID-19 gedragen mondkapje heeft gebruikt en deze vervolgens heeft verplaatst naar de verborgen kelderruimte en aldaar aan een deur heeft opgehangen, acht het hof, bij gebrek aan iedere aanwijzing dat een ander ook voor de verdachte onbekend gebleven persoon verantwoordelijk is geweest voor de hennepkwekerij, de door de verdachte geschetste alternatieve verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA-materiaal op het mondkapje in de verborgen kelderruimte niet aannemelijk. Het hof schuift het alternatieve scenario terzijde. Het hof is daarmee aldus van oordeel dat het DNA-materiaal een daderspoor betreft.
Het hof neemt hierbij nog in aanmerking de omstandigheden dat:
de bemonsterde mondkapjes niet de tijdens COVID-19 veelvuldig gebruikte medische mondkapjes, maar stofmaskers waren,
de verdachte de sleutel had van het betreffende pand waar de hennepkwekerij werd aangetroffen,
hij contractant van het pand was bij de energiemaatschappij,
hij na het overlijden van zijn vader in 2021 naar eigen zeggen nog een aantal keer in het pand is geweest, terwijl zijn moeder, zijnde de (mede)eigenaar van het pand, daar volgens verdachtes verklaring nooit is geweest, en
verdachtes moeder, [betrokkene] , heeft verklaard dat zij zelf niet over een sleutel van het pand beschikt (dossierpagina 90),
De verdachte heeft tot op heden voor deze omstandigheden, die in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen, redengevend kunnen worden geacht voor het bewijs van de aan hem tenlastegelegde feiten, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven.
Naar het oordeel van het hof kan het op grond van de voornoemde feiten en omstandigheden niet anders dan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep, en dat hij wetenschap had van de in het pand aangetroffen hoeveelheid hennep die zich in zijn machtssfeer bevond.
De verklaring van de verdachte dat hij niet op de hoogte was van de hennepkwekerij in het pand schuift het hof, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, terzijde. Het hof acht het ongeloofwaardig dat een onbekend gebleven persoon, kennelijk zonder medeweten van de verdachte, in het bezit was van een sleutel van het pand en in de verborgen ruimte wekenlang onopgemerkt een hennepkwekerij heeft gehad.
Nu het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor de hennepkwekerij is het hof voorts van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat de elektriciteit die hij ten behoeve van de hennepkwekerij gebruikte door hem buiten de meter om werd afgetapt en dus wederrechtelijk is toegeëigend. De verdachte was immers ook contractant van de energiemaatschappij en moet hebben gemerkt dat de in rekening gebrachte energie niet kon stroken met het door de hennepkwekerij gegenereerde verbruik.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het bewijsmiddel blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Voorwaardelijk verzoek
Indien het hof het door de verdediging geschetste alternatieve scenario zou verwerpen heeft de verdediging – bij wijze van voorwaardelijk verzoek – verzocht nader DNA-onderzoek te laten verrichten naar dadersporen op andere in de hennepkwekerij aangetroffen objecten, zoals de potten en de zakken waarin de hennep is aangetroffen.
Het hof stelt voorop dat uit het procesdossier (pg. 51) volgt dat de objecten reeds ter vernietiging zijn overgedragen, zodat het verzoek alleen al om die reden feitelijk niet uitvoerbaar is. Zelfs al had dat onderzoek nog wel mogelijk geweest, is het hof van oordeel dat het verzoek van de verdediging bij gebrek aan onderbouwing niet noodzakelijk is en dus ook om die reden dient te worden afgewezen. Het hof overweegt in dit verband nog dat de door de verdediging genoemde objecten evengoed verplaatsbare objecten zijn, zodat door de verdediging ook ten aanzien van die objecten kan worden betoogd dat niet zonder meer sprake is van een daderspoor indien DNA-materiaal op die objecten zou zijn aangetroffen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Het onder feit 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straffen
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep, het telen van een grote hoeveelheid hennep alsmede de daarmee gepaard gaande diefstal van stroom. Door zijn handelen heeft de verdachte de grootschalige handel in softdrugs bevorderd en heeft hij daarmee de volksgezondheid gecompromitteerd, nu verdovende middelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Het illegaal afnemen van stroom levert – zeker in een kwekerij – ernstig brandgevaar op. De verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin en heeft zich niets aangetrokken van de volksgezondheid en de veiligheid. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Zij gaan als vertrekpunt voor de op te leggen straf bij een hennepkwekerij met meer dan 500 hennepplanten uit van 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk en 180 uur taakstraf. Voor het aanwezig hebben van meer dan 2,5 kilogram softdrugs gaan de oriëntatiepunten uit van een taakstraf voor de duur van 180 uur. Daarnaast heeft de verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan de diefstal van elektriciteit.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 november 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat hij reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld, doch niet voor soortgelijke strafbare feiten. Het hof weegt die eerdere veroordelingen niet ten nadele van de verdachte mee bij de strafoplegging.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat hij een vriendin heeft, dat hij op zoek is naar een woning en graag wil samenwonen, dat hij fulltime bij een taxibedrijf werkt dat kinderen en ouderen vervoert en dat hij bezig is met het halen van zijn taxipas.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren alsmede een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft ten aanzien van feit 1 in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 15.906,35 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij de vordering gematigd tot een bedrag van € 15.535,51 aan materiële schade. De vordering behelst de kosten van de door diefstal weggenomen stroom.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele (gematigde) vordering in hoger beroep te handhaven.
Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het gevorderde bedrag aan materiële schade is naar het oordeel van het hof niet bovenmatig of onredelijk en door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Het hof zal de vordering dan ook integraal toewijzen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2022, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 15.535,51. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.535,51 (zegge: vijftienduizend vijfhonderdvijfendertig euro en eenenvijftig cent) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2022 tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.535,51 (zegge: vijftienduizend vijfhonderdvijfendertig euro en eenenvijftig cent) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2022 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. van der Valk, griffier,
en op 11 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...