ECLI:NL:GHSHE:2025:3029 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 01-09-2025 / 20-002170-23

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Source officielle

18 min de lecture 3 768 mots

Inhoudsindicatie. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Parketnummer : 20-002170-23

Uitspraak : 1 september 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 juli 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-173243-21 tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis en herstelvonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte inbeslaggenomen 7 kilogram verdovende middelen onttrokken aan het verkeer.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis (en herstelvonnis) van de rechtbank zal bevestigen, behoudens de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdovende middelen zal (laten) vernietigen.

Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit en subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 30 juni 2021 te Breda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, ongeveer 7000 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

hij op 30 juni 2021 te Breda, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 7000 gram (bruto) MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage. De bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Bewijsoverwegingen

I.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

II.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals verwoord in de pleitnota – in de kern aangevoerd dat:

niet blijkt dat de verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad dan wel heeft vervoerd, nu het bewijs dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen ontbreekt. Volgens de verdediging heeft de verdachte gedurende het gehele proces een aannemelijke en consistente verklaring afgelegd, inhoudende dat de desbetreffende tas niet van hem was en hij ten tijde van het tenlastegelegde ook niet wist wat er in die tas zat. De substantie in de tas was, naast het feit dat de inhoud van de tas (zelfs) door vijf van de aanwezige professionals niet werd herkend als zijnde harddrugs, kennelijk niet met het blote oog te zien, nu de tas met verschillende goederen was gevuld. Voorts ondersteunt verdachtes gedrag op de beelden het standpunt van de verdachte dat hij niet wist of doorhad dat hij een grote hoeveelheid verdovende middelen bij zich had;

er onvoldoende bewijs voorhanden is om te bewijzen dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] feitelijk en opzettelijk hebben samengewerkt en dat die samenwerking op de verdovende middelen gericht was.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vervoeren/aanwezig hebben MDMA

Het hof stelt met de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen vast, dat de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] op 30 juni 2021 samen in de trein van Eindhoven richting Breda zaten. Naast de verdachte [verdachte] stond een zwarte tas. Bij controle van de vervoersbewijzen bleken beiden niet het verplichte mondkapje te dragen en ook niet te beschikken over een identiteitsbewijs. Zij werden daarom verzocht om uit te stappen in Breda voor een identiteitsfouillering. Bij het uitstappen uit de trein droeg de verdachte [verdachte] de zwarte tas bij zich. Deze tas bleek een voor de verbalisanten onbekende substantie te bevatten. Nader onderzoek wees uit dat deze onbekende substantie in totaal 7 kilogram MDMA betrof (brutogewicht).

De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep

Het hof acht – gelet op de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien – de verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep over de desbetreffende tas, inhoudende dat hij:

samen met verdachte [medeverdachte] op station Eindhoven van twee voor hen onbekende personen een zware gevulde tas heeft aangenomen en met deze personen aldaar, niets heeft afgesproken over de eindbestemming van deze tas;

de desbetreffende tas enkel heeft gedragen omdat hij naar huis wilde en niemand anders de tas wilde dragen;

na ontvangst niet in de tas heeft gekeken alsmede niet aan de voor hem onbekende personen naar de inhoud van de tas heeft gevraagd en aldus niet wist wat er in de tas zat, alsmede

niet weet/wist waarom hij en verdachte [medeverdachte] de desbetreffende tas mee in de trein moesten nemen, terwijl de voor hen onbekende personen met de auto waren,

volstrekt ongeloofwaardig en overigens niet verifieerbaar. Het hof schuift deze verklaring dan ook terzijde.

Aanwezig hebben van harddrugs

Het aanwezig hebben van verdovende middelen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet, geldt als misdrijf indien wordt tenlastegelegd en bewezenverklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op dat aanwezig hebben. Van “aanwezig hebben” als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het “aanwezig hebben” hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren (vgl. HR 28 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8903) of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen (vgl. HR 23 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6985).

Het hof stelt met de rechtbank vast, dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] op 30 juni 2021 omstreeks 19:31 uur samen aanwezig waren op het centraal station van Eindhoven. Verdachte [verdachte] droeg een zwarte tas bij zich die hij continu bij zich hield totdat beide personen omstreeks 19:42 uur in de trein richting Breda stapten. Omstreeks 20:15 uur werden de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] gecontroleerd in de trein. Zij zaten tegenover elkaar en de zwarte tas stond naast verdachte [verdachte] .

Zowel in de trein als bij de identiteitsfouillering in Breda bleek de desbetreffende tas open te staan, lag de harddrugs (naar later bleek gripzakken/sealbags met grote brokken MDMA) ‘voor het grijpen’. Bij de identiteitsfouillering hoorde een verbalisant dat verdachte [verdachte] tegen hem zei "jij mag niet fouilleren en al helemaal niet in mijn tas", alsmede dat hij naar verdachte [medeverdachte] riep dat 'hij' moet zeggen dat de zwarte tas niet van ‘hen’ is, maar van de man in Eindhoven (cursivering: hof). [verdachte] wilde ten behoeve van de fouillering niet de abri ingaan en verdachte [medeverdachte] probeerde daaruit te ontsnappen en heeft zich vervolgens hevig verzet.

Gelet op de ongeloofwaardige verklaring van verdachte [verdachte] over hoe hij en verdachte [medeverdachte] in bezit zijn geraakt van de desbetreffende tas en op grond van deze uit de gebezigde bewijsmiddelen volgende gang van zaken, in onderlinge samenhang bezien, alsmede gelet op de financiële waarde van 7 kilogram MDMA (en het daarmee bestaande gevaar te worden geript), acht het hof met de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat beide verdachten tezamen en in vereniging verantwoordelijk waren voor de ongeveer 7 kilogram MDMA in de zwarte tas en deze als medeplegers opzettelijk aanwezig hadden.

Conclusie

Het hof acht daarmee bewezen dat de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] zich op 30 juni 2021 schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van 7 kilogram MDMA.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De verdediging heeft het hof, in geval het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, verzocht om – gelet op het tijdsverloop in deze zaak en de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte – de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met eventueel daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich samen met zijn medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs (7 kilogram MDMA). Daarmee heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale harddrugscircuit, welke vaak allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten bevordert onder meer de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Daarnaast is het algemeen bekend dat harddrugs grote gevaren voor de gezondheid opleveren. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 april 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Verder heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, welke tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken. Ten overstaan van het hof is door en namens de verdachte in dit verband naar voren gebracht dat hij een zoon van 15 jaar oud heeft, bij zijn zus stage loopt als mantelzorger en geen schulden heeft.

Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de aard en ernst van het feit – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alle omstandigheden afwegende acht het hof in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden.

Redelijke termijn

Voorop wordt gesteld dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Bedoelde termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.

Het hof stelt vast dat de verdachte in deze zaak door de politie voor het eerst is verhoord op 1 juli 2021, terwijl de rechtbank op 14 juli 2023 vonnis heeft gewezen. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof neemt het eerste verhoor van de verdachte als uitgangspunt voor het begin van de redelijke termijn. Aldus is de redelijke termijn met 2 weken overschreden in eerste aanleg.

Het hof stelt voorts vast dat de redelijke termijn in hoger beroep nogmaals is overschreden, nu namens de verdachte op 26 juli 2023 hoger beroep is ingesteld en het hof arrest wijst op 1 september 2025. Daarmee is de redelijke termijn, die voor deze fase tevens op 2 jaren wordt gesteld, met ongeveer 5 weken, overschreden.

Gelet op de geconstateerde beperkte overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep zal het hof in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 20 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10. Van het wetboek van strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Het hof is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven verdovende middelen, welke staan vermeld op de beslaglijst, vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu dit voorwerpen betreffen met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Voorlopige hechtenis

Het hof heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 7 kilogram drugs (kenmerk: G2349859).

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. A. Muller, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. Koop, griffier,

en op 1 september 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A. Muller en mr. N. Koop zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde einddossier van de politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, District De Baronie, Basisteam Markdal, registratienummer PL2000-2021171020, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, sluitingsdatum 14 september 2021, pagina’s 1 tot en met 150. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.

FEIT 1

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2021 (dossierpagina 47 en 48), voor zover inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 30 juni 2021 omstreeks 20:15 uur was ik, verbalisant [verbalisant 2] , belast met toezicht en handhaving van de huisregels van de Nederlandse spoorwegen op trein 1170. Tijdens de controle in trein 1170 kwam ik twee manspersonen tegen zonder mondkapje.

Ik hoorde de eerste man in het Frans iets tegen zijn medereiziger zeggen. Ik vroeg de mannen om hun identiteitsbewijzen. De mannen gaven aan geen identiteitsbewijzen bij zich te hebben. Ik heb tegen de man die Nederlands sprak gezegd, "we stappen in Breda de trein

uit om jullie identiteit vast te stellen".

Omstreeks 20:23 uur stapten ik en mijn collega en de twee mannen uit de trein. De man die Nederlands sprak, [verdachte] genaamd (het hof begrijpt: de verdachte), droeg een grote zwarte tas bij zich. Ik hoorde hem zeggen "jullie mogen helemaal niet fouilleren". Ik zag dat [verdachte] de abri niet in wilde. Tijdens de identiteitsfouillering zag [medeverdachte] de kans om de deur van de abri te openen en ik zag dat hij er vandoor wilde gaan.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2021 (dossierpagina 50 en 51), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :

Op 30 juni 2021 omstreeks 20:15 uur was ik, verbalisant [verbalisant 3] , belast met toezicht en handhaving van trein 1170. Ik zag twee mannen zonder mondkapjes zitten. Ik zag dat naast de man met de witte trui (bleek later verdachte [verdachte] te zijn) een grote zwarte tas stond.

Verdachte [medeverdachte] zat tegenover verdachte [verdachte] . Ik zag dat beide verdachten in Breda uit de trein stapten en dat verdachte [verdachte] de zwarte tas vasthad. Ik vertelde dat we naar de abri zouden lopen om daar de identiteit vast te stellen. Ik zag dat verdachte [verdachte] voor de abri bleef staan en niet naar binnen wilde. Ik zag dat verdachte [verdachte] de zwarte tas nog steeds vasthad. Ik hoorde verdachte [verdachte] zeggen: " jij mag niet fouilleren en al helemaal niet in mijn tas". Ik pakte de zwarte tas. In de tas zag ik een grote hoeveelheid met een voor mij onbekende substantie zitten in een grote zipzak en een tweede kleinere tas met een zwarte plastic sealbag in de grote tas. Ik zag in de tweede tas die ook in de zwarte tas zat een afgesloten geasealde zak zat. Ik zag dat verdachte [medeverdachte] de deur probeerde te openen om te vluchten. Ik hoorde dat verdachte [verdachte] in het Frans naar verdachte [medeverdachte] riep dat hij moest zeggen dat de zwarte tas niet van hen was maar van de man in Eindhoven.

Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 3 juli 2021 (dossierpagina’s 64 tot en met 67) , voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Ik, verbalisant [verbalisant 1] , verklaar het volgende: ik heb onderzoek ingesteld naar de beelden van station Eindhoven betreffende verdachten ( [verdachte] en [medeverdachte] ). Bekend was dat zij de trein vanuit Eindhoven genomen hadden en dat zij na aankomst in Breda aangehouden zijn.

Toen ik de beelden bekeek, herkende ik de verdachten ( [verdachte] en [medeverdachte] ).

Op 30 juni 2021, om 19.31.46 uur komen de verdachten samen aanlopen vanaf boven in beeld. Verdachte [verdachte] draagt een zwarte tas. Zij stoppen en verdachte [verdachte] zet de tas op de grond. Verdachte ( [verdachte] ) staat een sigaret te roken. Verdachte [medeverdachte] staat op twee telefoons te kijken. Even later pakt verdachte [verdachte] de tas op en lopen zij samen weg.

Om 19.36.22 uur lopen de verdachten door de poortjes. Verdachte [verdachte] loopt voorop en draagt de tas.

Om 19.36.55 uur komen verdachten al pratend de roltrap op.

Om 19.37.40 uur lopen zij over het perron. Verdachte [verdachte] draagt nog steeds de tas.

Om 19.38.44 uur staan verdachten samen op het perron. De tas staat op de grond.

Vervolgens stappen zij om 19.42.15 uur in de trein.

Een kennisgeving van inbeslagneming met bijlagen d.d. 30 juni 2021 (dossierpagina 6 tot en met 11), genummerd PL2000-2021170521-11, voor zover inhoudende:

Volgnummer 1

Sealbagnummer : 92145183

Goednummer : L2000-2021170521-2349859

Categorie omschrijving : Medicamenten/hulpmiddelen

Object : Verdovende mid (Mdma)

Aantal : 2 stuks

Totale hoeveelheid : 1 zak: 5 kg. / 1 zak 2 kg.

Land : Nederland

Afstand door beslagene : nee

Eigenaar : [verdachte] , [adres 2]

[medeverdachte] , Onbekend 9999, Zvwovp, Onbekend

Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 13 september 2021 (dossierpagina’s 70 tot en met 72), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 30 juni 2021 werden bij verdachte [verdachte] zakken met verdovende middelen aangetroffen.

Deze zakken zijn in beslaggenomen onder goednummer 2349859.

De eerste zak had een inhoud met een nettogewicht van 4,945 kilogram. De tweede zak had een inhoud met nettogewicht 1,978 kilogram. Het totale nettogewicht betreft 6,923 kilogram

Van de inhoud van beide zakken waren al monsters genomen. Dus het nettogewicht is zonder de monsters.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2021 (dossierpagina 73 en 74), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

Monster 1

Object: verdovende mid (Mdma)

hoeveelheid: l,l g uit bronpartij 7 kg

SIN NR: AACA7650NL

Monster 2

Object: verdovende mid (Mdma)

hoeveelheid: 0,7 g uit bronpartij 7 kg

SIN NR: AACA7809NL

Monster – AACA7650NL

Wij zagen dat het monster bestond uit bruine brokken.

Monster – AACA7809NL

Wij zagen dat het monster bestond uit bruine brokken.

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 juli 2021 (dossierpagina 75), voor zover inhoudende:

Kenmerk : AACA7650NL

Omschrijving FO : kristallen, bruin, uit 7000 gram

Conclusie : bevat MDMA

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 juli 2021 (dossierpagina 76), voor zover inhoudende:

Kenmerk : AACA7809NL

Omschrijving FO : kristallen, bruin, uit 7000 gram

Conclusie : bevat MDMA


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.