ECLI:NL:GHSHE:2025:3562 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch , 11-12-2025 / 200.345.945_01 en 200.348.886_01
Zijn partijen in hun huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding overeengekomen? En wie van hen heeft het meest belang bij toedeling van het aan de woning grenzend perceel?
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Zijn partijen in hun huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding overeengekomen? En wie van hen heeft het meest belang bij toedeling van het aan de woning grenzend perceel?
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummers: 200.345.945/01 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) en 200.348.886/01 (zorgregeling)
zaaknummers rechtbank: C/02/409684 / FA RK 23-2330 en C/02/415037 / FA RK 23-4885
beschikking van de meervoudige kamer van 11 december 2025
inzake
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E. Poppe te Middelburg,
tegen
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.M.L. van As te Nieuwegein.
De zaak in het kort
Zijn partijen in hun huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding overeengekomen? En wie van hen heeft het meest belang bij toedeling van het aan de woning grenzend perceel?
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 11 juni 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 11 september 2024 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Het beroepschrift bevat de producties I (zoals op 10 december 2024 opnieuw aan het hof toegezonden) tot en met XIII en 1 tot en met 5.
De man heeft op 29 oktober 2024 een verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep tevens akte houdende verandering van het inleidende verzoek met bijlagen 1 tot en met 5 ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
– een V6-formulier van 10 december 2024 met bijlagen;
– een V8-formulier van 9 september 2025,
van de zijde van de man:
– een V8-formulier van 5 september 2025 met brief van 3 september 2025 en bijlage 6;
– een V4-formulier van 5 september 2025 (inzake 200.345.945/01);
– een V4-formulier van 5 september 2025 (inzake 200.348.886/01).
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat, zoals uit de bij voornoemd V6-formulier van 10 december 2024 overgelegde brief van diezelfde datum volgt, de navolgende bijlagen in het procesdossier in eerste aanleg niet tot het procesdossier behoren:
bijlagen 11 en 12 (in het geheel);
bijlage 13, uitsluitend voor zover het betreft de e-mail van notaris [notaris] van 8 november 2022 (hof: waaruit volgt dat de bijlagen bij deze e-mail (een e-mail van de vrouw aan notaris [notaris] van 17 september 2013 en de reactie van de notaris op deze e-mail van dezelfde datum) onderdeel uitmaken van de gedingstukken in hoger beroep.
De mondelinge behandeling heeft op 29 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw en de advocaat van de man hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.
3De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
Partijen zijn op 27 september 2013 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden.
De akte huwelijksvoorwaarden van partijen houdt onder meer in:
‘VERKLARINGEN VOORAF
(…) Bij het einde van het huwelijk willen zij de verandering van hun vermogens ten opzichte van het begin van het huwelijk met elkaar verrekenen (onderstreping hof). Zij zien de verandering in hun vermogens tijdens het huwelijk als vrucht van hun gezamenlijke inspanningen. (…)
Zij gaan hun huwelijk aan onder de volgende voorwaarden:
(…)
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
1. Uitsluiting huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap
Tussen de echtgenoten bestaat geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.
(…)
HOOFDSTUK 3. BIJ SCHEIDING
1. Geen finale verrekening bij einde van het huwelijk anders dan door overlijden.
De echtgenoten komen geen finale verrekening bij einde van het huwelijk anders dan bij overlijden overeen(onderstreping hof).
2. Geen pensioenverevening
Bij echtscheiding (…) bestaat geen recht op verevening of verrekening van ouderdomspensioen, tenzij schriftelijk anders wordt bepaald in een overeenkomst die wordt gesloten met het oog op de echtscheiding (…).
Het afzien van het recht op verevening of verrekening van ouderdomspensioen heeft geen betrekking op aanspraken op bijzonder partnerpensioen.
HOOFDSTUK 4. BIJ OVERLIJDEN
Verrekenen alsof
a Wat er wordt verrekend
Als het huwelijk eindigt door overlijden wordt verrekend alsof tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, dit echter alleen wanneer de echtgenoten gezamenlijk afstammelingen hebben.
Als op het moment van overlijden een procedure tot echtscheiding (…) is ingesteld, wordt niet volgens dit hoofdstuk verrekend, maar wordt verrekend volgens hoofdstuk 3.
(…)
HOOFDSTUK 5. SLOTVERKLARINGEN
1. Slotverklaring
De echtgenoten zijn zich ervan bewust dat zij op grond van deze huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding (…) alles verrekenen wat zij tijdens het huwelijk aan inkomen en vermogen hebben verkregen voor zover vermogensbestanddelen niet zijn uitgezonderd (onderstreping hof). Wat er op de aan deze akte gehechte beschrijving staat, wordt bij scheiding niet gedeeld. De echtgenoten zijn ermee bekend dat hierdoor als het ware drie vermogens ontstaan, één gezamenlijk vermogen en ieder een eigen vermogen. De administratie van deze vermogens is heel belangrijk zodat bij echtscheiding duidelijk is welk vermogen wel en welk vermogen niet gedeeld wordt. Als de administratie niet goed wordt bijgehouden, lopen de echtgenoten het risico dat de verdeling van het vermogen anders uitpakt dan zij nu voor ogen hebben (…)’
De man heeft op 17 mei 2023 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Daarop is bij de bestreden beschikking de echtscheiding uitgesproken.
De echtscheidingsbeschikking is op 18 oktober 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
Partijen zijn gemeenschappelijk (de vrouw voor 3/5 deel, de man voor 2/5 deel) eigenaar van een perceel met schuur aan [adres] te [postcode] [woonplaats man] (hierna: het perceel). De getaxeerde waarde van dit perceel is € 135.000,–.
4De omvang van het geschil
In de zaak met zaaknummer 200.345.945/01
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
– voor recht verklaard dat geen sprake is van tussen partijen te verrekenen vermogen en
– bepaald dat het perceel wordt toegedeeld aan de man, tegen betaling aan de vrouw van een bedrag van € 81.000,–.
De vrouw heeft hiertegen zes grieven aangevoerd, waarvan er twee voorwaardelijk zijn gesteld.
In de zaak met zaaknummer 200.348.886/01
Bij V4-formulier van 5 september 2025 heeft de man zijn incidenteel hoger beroep ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de man zijn grieven niet langer handhaaft. Dit brengt met zich dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep.
5De motivering van de beslissing
Het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden (grieven I t/m IV van de vrouw)
De grieven I tot en met IV van de vrouw keren zich tegen de beslissing van de rechtbank dat er geen sprake is van tussen partijen te verrekenen vermogen.
De vrouw verzoekt:
‘primair voor recht te verklaren dat partijen een finaal verrekenbeding bij echtscheiding zijn overeengekomen, welk finaal verrekenbeding als volgt dient te worden uitgelegd: "er is sprake van een verrekenplicht als ware partijen in gemeenschap van goederen gehuwd, waarbij de verrekenplicht niet ziet op voorhuwelijks vermogen (dat in waarde is gelijk gebleven, want waardeveranderingen van voorhuwelijks vermogen tijdens het huwelijk wordt door partijen gezien als vrucht van hun gezamenlijke inspanningen) en (wettelijk uitgezonderde) verkrijgingen uit een nalatenschap of gift" (cursivering hof), althans een uitleg strekkende tot finale verrekening bij echtscheiding die uw Hof in goede justitie juist acht.’
De man heeft de grief weersproken.
Het hof overweegt als volgt.
In de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden staat in de ‘verklaringen vooraf’ en ‘slotverklaringen’ (zij het in verschillende bewoordingen) dat partijen, behoudens nader genoemde uitzonderingen, alles verrekenen wat zij tijdens het huwelijk aan inkomen en vermogen hebben verkregen. Artikel 3.1. van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden bepaalt daarentegen dat bij echtscheiding geen finale verrekening zal plaatsvinden. Dit is tegenstrijdig aan elkaar, zoals de notaris die de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden heeft opgesteld (hierna: de notaris), ook erkent in haar brief van 27 maart 2024 (bijlage 22 bij beroepsschrift).
De vrouw betoogt dat conform de ‘verklaringen vooraf’ en ‘slotverklaringen’ moet worden verrekend bij echtscheiding. In die zin begrijpt het hof ook haar petitum. De man betoogt dat op grond van art. 3.1 van de huwelijkse voorwaarden verrekening juist is uitgesloten. Partijen hebben dus een geschil over de uitleg van de huwelijkse voorwaarden. Die uitleg dient, zoals de vrouw terecht heeft aangevoerd, te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158):
‘De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.’
Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Te denken valt daarbij onder meer aan de bewoordingen en context van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, waarbij die bepalingen niet als op zichzelf staand, maar in onderling verband moeten worden bezien.
Bij toepassing van de Haviltex-maatstaf bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden komt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. De uitleg wordt derhalve uiteindelijk bepaald door de omstandigheden van het geval.
De vrouw beroept zich voor haar uitleg op de ‘verklaringen vooraf’ en ‘slotverklaringen’. Volgens haar sluit de daarin tot uitdrukking komende wil van partijen niet aan bij de tekstuele inhoud van hoofdstuk 3, wat tot geen andere conclusie kan leiden dan dat de notaris niet de juiste tekst heeft opgenomen in hoofdstuk 3 van de huwelijkse voorwaarden (bs randnr. 35). Het hof volgt de vrouw daarin niet en overweegt daartoe als volgt.
Volgens de notaris in haar brief van 27 maart 2024 (bijlage 22), heeft zij de wil van partijen met betrekking tot de huwelijkse voorwaarden, zoals door hen in een gesprek op 15 augustus 2013 aan haar kenbaar gemaakt, in haar dossier als volgt opgetekend: ‘huwelijkse voorwaarden: koude uitsluiting, geen pensioenverevening, finaal verrekenbeding bij overlijden (alleen als er kinderen zijn)’. De bepalingen in de hoofdstukken 1, 3 en 4, (hiervoor onder 3 sub b weergegeven), zijn hiermee volledig in overeenstemming. Dit wijst erop dat (juist) art. 3.1 waarop de man zich beroept, de wil van partijen (om bij echtscheiding niet te verrekenen) goed weergeeft. Voor de uitleg van de vrouw bieden genoemde bepalingen, die de vrouw behoudens art. 3.1 niet betwist, noch afzonderlijk, noch in onderling verband bezien enig aanknopingspunt.
De uitleg waar de vrouw van uitgaat, roept in onderling verband bezien met art. 4a – bij overlijden wordt alleen finaal verrekend als partijen gezamenlijk afstammelingen hebben – ook vragen op: waarom zou bij echtscheiding, anders dan bij overlijden, wel moeten worden verrekend als er geen gezamenlijke afstammelingen zijn en, andersom, waarom, als het dan zou gaan om verrekening van de (in de ‘verklaringen vooraf’ genoemde) ‘vrucht van hun gezamenlijke inspanningen’, moet bij overlijden dan alleen worden verrekend als er afstammelingen zijn.
Verder veronderstelt de uitleg van de vrouw dat het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen dient te worden verrekend, een beginvermogen. Dit heeft in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden op geen enkele wijze uitwerking gekregen. De in de slotverklaringen genoemde ‘aan deze akte gehechte beschrijving’ van vermogen dat bij echtscheiding niet wordt gedeeld, hebben – zo is door beide partijen tijdens de mondelinge behandeling erkend – partijen nooit opgesteld en maakt daarom geen deel uit van de akte huwelijkse voorwaarden. Overigens heeft de vrouw de voor haar zienswijze vereiste uitwerking ook niet in haar gedingstukken gegeven.
De tekst van art. 3.1. is duidelijk: geen finale verrekening bij einde van het huwelijk anders dan door overlijden. De vrouw dient die betekenis daaraan ook redelijkerwijs toe te kennen en de man mocht dit ook zo begrijpen. Dat de vrouw, zoals zij aanvoert, alleen kennis had genomen van de ‘verklaringen vooraf’ en ‘slotverklaringen’, daarmee instemde en verder met haar gedachten “bij haar trouwjurk zat”, strookt niet met het feit dat zij alvorens de huwelijkse voorwaarden te ondertekenen door de notaris geïnformeerd wilde worden over de finale verrekening bij overlijden, getuige haar e-mailbericht van 17 september 2013 (bijlage 13 vzs man). Daaruit volgt dat zij, anders dan zij stelt, ook kennis heeft genomen van de bepalingen van de huwelijkse voorwaarden en niet alleen van de ‘verklaringen vooraf’ en ‘slotverklaringen’. Zij heeft echter alleen vragen aan de notaris gesteld over de verrekening bij overlijden. Over art. 3.1. heeft zij de notaris niet bevraagd, terwijl als haar toen, zoals zij beweert, zo duidelijk voor ogen stond dat partijen ook bij echtscheiding zouden verrekenen, dit wel voor de hand had gelegen. Dit sluit aan bij het feit dat de gespreksaantekeningen van de notaris heel specifiek zijn (‘finaal verrekenbeding bij overlijden (alleen als er kinderen zijn)’).
De vrouw beroept zich voor haar uitleg verder op e-mailberichten van 13 september 2013 van een door partijen geraadpleegde accountant administratieconsulent en een register belastingadviseur (bijlage 14 bij vzs man).
In het bericht van de accountant administratieconsulent staat onder meer:
‘Tot het huwelijk ieder zijn deel en de vermogensopbouw tijdens het huwelijk 50-50 verdelen.’
En in het bericht van de register belastingadviseur:
‘In deze concept-huwelijksvoorwaarden staat dat de jaarlijkse verrekening alleen ziet op de kosten van huishouding, als er niet verrekend wordt is dat geen drama omdat de verrekening alleen ziet op de kosten van de huishouding en niet op het totale inkomen en vermogen.
(…)
In wezen realiseren zij gemeenschap van goederen, maar alleen voor wat er tijdens het huwelijk gerealiseerd wordt.’
Genoemde berichten zijn tegenstrijdig aan elkaar, althans onduidelijk met betrekking tot het te verrekenen vermogen. Staat in het bericht van de accountant administratieconsulent ‘vermogensopbouw tijdens het huwelijk 50-50 verdelen’, in het bericht van de register belastingadviseur staat dat ‘de verrekening alleen ziet op de kosten van de huishouding en niet op het totale inkomen en vermogen’. Onduidelijk is wat wordt bedoeld met ‘voor wat er tijdens het huwelijk gerealiseerd wordt’. Zo de vrouw uit die berichten al mocht begrijpen dat er bij echtscheiding moet worden verrekend, kan daaraan in het licht van bovengenoemde feiten en omstandigheden, minder waarde worden gehecht.
Ten slotte beroept de vrouw zich erop ‘dat partijen hun (financiële) leven ook hebben ingekleed naar de situatie waarin finale verrekening bij echtscheiding is overeengekomen’. Zij had voor 80 tot 90% de zorg voor de kinderen en in 2018 heeft zij ontslag genomen om mee te kunnen werken in de onderneming van de man. De man heeft dit voldoende gemotiveerd weersproken. Volgens hem hebben partijen zich onderling altijd gedragen volgens een strikte scheiding van financiën en zijn partijen de huwelijkse voorwaarden aangegaan juist ook om zijn familiebedrijf te beschermen. Als niet weersproken staat bovendien vast dat toen partijen kinderen kregen, de vrouw niet (substantieel) minder is gaan werken dan daarvoor, zij relatief kort in de onderneming van de man werkzaam is geweest en daaruit ook een goed inkomen genoot.
De slotsom is dat in de gegeven omstandigheden partijen over en weer redelijkerwijs aan de huwelijkse voorwaarden niet de betekenis mochten toekennen en te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten dat zij bij echtscheiding het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen met elkaar moeten verrekenen. Het primaire verzoek van de vrouw om, kort gezegd, voor recht te verklaren dat partijen een finaal verrekenbeding bij echtscheiding zijn overeengekomen, zal daarom worden afgewezen.
Voorwaardelijk aanvullend verzoek (voorwaardelijke grief IV)
Nu het primaire verzoek van de vrouw wordt afgewezen, komt het hof toe aan haar voorwaardelijk ingestelde grief IV. Met die grief beroept de vrouw zich op (wederzijdse) dwaling. Zij voert daartoe aan dat, zo uit de omstandigheden blijkt, partijen een finaal verrekenbeding bij echtscheiding wilden overeenkomen. Zij zijn art. 3.1 van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden dus aangegaan onder een onjuiste voorstelling van zaken.
De vrouw verzoekt:
‘subsidiair ter opheffing van het nadeel ex artikel 6:230 lid 2 BW te bepalen dat de gevolgen van de akte van huwelijkse voorwaarden als volgt wordt gewijzigd: “In geval van echtscheiding is sprake van een verrekenplicht als ware partijen in gemeenschap van goederen gehuwd, waarbij de verrekenplicht niet ziet op voorhuwelijks vermogen (dat in waarde gelijk is gebleven, want waardeveranderingen van voorhuwelijks vermogen tijdens het huwelijk wordt door partijen gezien als vrucht van hun gezamenlijke inspanningen) en (wettelijk uitgezonderde) verkrijgingen uit een nalatenschap of gift” (cursivering hof), althans een gevolg strekkende tot finale verrekening bij echtscheiding zoals door uw Hof in goede justitie geformuleerd.’
Volgens de man is van wederzijdse dwaling geen sprake. Voor hem heeft altijd voorop gestaan dat het (familiebedrijf(s))vermogen bescherming verdiende.
Het hof overweegt als volgt. Voor een geslaagd beroep op wederzijdse dwaling is vereist dat beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan (art. 6:228 lid 1 sub c BW). Zoals volgt uit het voorgaande, bieden de feiten en omstandigheden van deze zaak daarvoor geen aanknopingspunten, zodat het beroep van de vrouw op wederzijdse dwaling niet opgaat. Het hof zal het subsidiaire verzoek van de vrouw daarom eveneens afwijzen.
De verdeling van het perceel (grief V)
De rechtbank heeft het perceel toegedeeld aan de man en daartoe als volgt overwogen:
‘4.48. De belangen van partijen tegen elkaar afwegend, komt de rechtbank tot het oordeel dat de man een groter belang heeft bij toedeling van het perceel grond met opstal dan de vrouw. Het belang van de vrouw is vooral gelegen in het huidige gebruik ervan voor enkele dieren. Voor de man is het perceel van belang voor zijn onderneming; hij gebruikt het perceel al en kennelijk is ruimer gebruik ten behoeve van zijn onderneming in de toekomst – gelet op de in gang gezette discussie over een wijziging van de bestemming – al langer dc bedoeling. Dit (economische) belang van de man oordeelt de rechtbank van meer gewicht dan het meer emotionele belang van de vrouw. Daarbij kent de rechtbank geen gewicht toe aan het verschil in grootte van het aandeel van elk van partijen; bij toedeling aan een van hen zal dat verschil immers worden verrekend.
Het vorenstaande betekent dat de rechtbank het perceel zal toedelen aan de man tegen een waarde van € 135.000,–, waarbij hij vanwege overbedeling aan de vrouw 3/5 deel van die waarde, derhalve € 81.000,–, aan de vrouw zal dienen te betalen.’
Hiertegen keert zich grief IV van de vrouw. Zij licht haar grief, samengevat, als volgt toe. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de man geen economisch belang bij toedeling van het perceel aan hem. Partijen hebben nooit de bedoeling gehad het perceel voor de onderneming van de man te gaan gebruiken. Het perceel was hun spaarpotje. Om de waarde ervan te verhogen, hebben zij de bestemming van het perceel willen wijzigen van een bedrijfs- en agrarische bestemming naar een woonbestemming.
De man gebruikt het perceel thans ook niet. De schuur op het perceel heeft hij niet nodig, omdat hij een loods heeft. Al langere tijd is zij daarom de enige die het perceel gebruikt. Haar paard en schapen staan er. Het zou niet redelijk zijn als zij voor die dieren nieuwe ruimte zou moeten gaan zoeken. Haar paard is ook te oud om nog te verhuizen. Daarbij komt dat haar aandeel in de eigendom van de grond groter is dan dat van de man.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het perceel grond met opstal aan haar wordt toegedeeld, onder de verplichting om aan de man ter zake te betalen het bedrag van € 54.000,–.
De man heeft de grief weersproken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat hij een groter (economisch) belang heeft bij de toedeling van het perceel aan hem. De bestemming van het perceel is altijd zakelijk geweest en is dat nog. De schuur wordt gebruikt voor opslag van aan zijn onderneming toebehorende zaken, het hek is betaald door zijn onderneming en de plannen voor de bestemmingswijziging van het perceel, houden direct verband met zijn onderneming, namelijk het realiseren van een woonbestemming ten behoeve van een B&B die dienende zou zijn aan het campingbedrijf. Een aanvullend belang is gelegen in het belang van de kinderen. Dat zij telkens hun moeder zien wanneer zij met de auto van/naar school en sportclubjes langs het perceel rijden, leidt tot onrust. Ook de communicatie van de vrouw met het personeel en de vaste gasten van de camping zorgt voor onrust.
Het hof overweegt als volgt. In geschil is de verdeling van het perceel. Beide partijen wensen toedeling van het perceel. De vrouw heeft het (economisch) belang van de man gemotiveerd weersproken. Het belang dat de vrouw heeft bij het gebruik van het perceel voor haar dieren staat als onweersproken vast. Die dieren stonden er bovendien ook al gedurende het huwelijk. Het hof zal het perceel daarom toedelen aan de vrouw, dit, nu de vrouw voor 3/5 eigenaar is, onder de verplichting € 54.000,– aan de man te vergoeden.
Het is aan partijen een en ander zo in te richten dat de onrust die de aanwezigheid van de vrouw, volgens de man, zou meebrengen, wordt voorkomen, bijvoorbeeld, zoals de vrouw bij de mondelinge behandeling al opperde, door de mogelijkheid van een andere ingang te benutten, waardoor de kinderen de vrouw nagenoeg niet meer zullen tegenkomen.
Nu het perceel zal worden toegedeeld aan de vrouw, behoeft haar voorwaardelijk ingestelde grief VI geen bespreking.
6De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als hierna onder 7 weergegeven.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
7De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.345.945/01
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 11 juni 2024, voor zover het perceel aan de man is toegedeeld en in zoverre opnieuw beschikkende:
deelt het perceel met opstal aan [adres] te [postcode] [woonplaats man] toe aan de vrouw onder de verplichting € 54.000,– aan de man te vergoeden;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte,
in de zaak met zaaknummer 200.348.886/01
verklaart de man niet-ontvankelijk in het incidenteel verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, G.J. Vossestein en M.J. van Laarhoven en is op 11 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...