ECLI:NL:HR:2017:3130 Hoge Raad , 15-12-2017 / 17/01386
Artikel 52, lid 1, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, gelijksoortige belasting, Wet op de Kansspelbelasting, vrijheid van dienstenverkeer, artikel 56 VWEU.
4 min de lecture · 699 mots
Inhoudsindicatie. Artikel 52, lid 1, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, gelijksoortige belasting, Wet op de Kansspelbelasting, vrijheid van dienstenverkeer, artikel 56 VWEU.
15 december 2017
nr. 17/01386
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 februari 2017, nr. 16/00216, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van Rechtbank Gelderland, (nr. AWB 15/66) betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de kansspelbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft op 28 april 2012 deelgenomen aan de Westdeutsche Lotterie. Hij heeft daarbij (tezamen met drie anderen) de hoofdprijs gewonnen van € 3.501.699,60. Dit bedrag is op 7 mei 2012 op de rekening van belanghebbende gestort.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag kansspelbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.015.492.
Van de inleg van de Westdeutsche Lotterie wordt circa 50 percent als prijzengeld uitgekeerd.
De deelstaten van de Bondsrepubliek Duitsland heffen een Lotteriesteuer van 16,67 percent van de verkoopwaarde van de loten (exclusief Lotteriesteuer). Daarnaast heffen de deelstaten een Konzessionsbeitrag van 24 percent van de totale inleg als vergoeding voor het bezit van een vergunning voor het organiseren van het kansspel. De Lotteriesteuer en de Konzessionsbeitrag worden geheven van de organisator van het kansspel.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende kansspelbelasting verschuldigd is. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het heeft geoordeeld dat de Lotteriesteuer, noch de Konzessionsbeitrag kunnen worden aangemerkt als een gelijksoortige belasting als bedoeld in artikel 52, lid 1, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: BvdB). Hoewel beide heffingen, net als de Nederlandse kansspelbelasting, van invloed zijn op het gedeelte van de inleg dat als prijzengeld kan worden uitgekeerd, hebben ze, anders dan de kansspelbelasting, niet de gewonnen prijzen als grondslag. De hoogte van deze heffingen is op geen enkele wijze afhankelijk van de hoogte van het uitgekeerde prijzengeld, aldus het Hof.
Tegen dit oordeel richt zich de eerste klacht.
Op grond van artikel 52, lid 1, van het BvdB is een in Nederland wonende of gevestigde gerechtigde tot een prijs van een buitenlands kansspel vrijgesteld van de daarop betrekking hebbende kansspelbelasting, indien die prijs is onderworpen aan een gelijksoortige belasting, die vanwege een ander land of een andere Mogendheid wordt geheven.
Belanghebbende betoogt in dit verband dat het Hof ten onrechte heeft vastgesteld dat de Lotteriesteuer wordt berekend over de nominale waarde van de loten voordat deze worden verkocht. Dit betoog faalt omdat in cassatie niet kan worden geklaagd over schending van het buitenlands recht. ’s Hofs vaststelling is ook geenszins onbegrijpelijk gezien de tekst van de in onderdeel 4.4 van ’s Hofs uitspraak geciteerde paragrafen van het Duitse Rennwet- und Lotteriegesetz.
Gelet op het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat de prijs niet het object van de Lotteriesteuer en de Konzessionsbeitrag is. Daarom wordt niet voldaan aan de in artikel 52, lid 1, van het BvdB voor toepassing van de vrijstelling gestelde voorwaarde dat de prijs is onderworpen aan een soortgelijke buitenlandse belasting. De klacht treft daarom geen doel.
De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2017.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...