ECLI:NL:HR:2019:439 Hoge Raad , 29-03-2019 / 18/01173
Procesrecht; artt. 8:41, lid 5, en 8:55 Awb; Rechtbank stort griffierecht terug; beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling griffierecht; verzet daartegen ten onrechte ongegrond verklaard.
3 min de lecture · 571 mots
Inhoudsindicatie. Procesrecht; artt. 8:41, lid 5, en 8:55 Awb; Rechtbank stort griffierecht terug; beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling griffierecht; verzet daartegen ten onrechte ongegrond verklaard.
29 maart 2019
Nr. 18/01173
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 maart 2018, nr. SGR 17/5180 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
Ter zake van het bij de Rechtbank door belanghebbende ingediende beroepschrift is door de griffier van de Rechtbank aan belanghebbende een nota griffierecht verzonden.
Op 4 september 2017, binnen de daarvoor gestelde termijn, heeft belanghebbende het verschuldigde griffierecht voldaan. De Rechtbank heeft dit bedrag op 11 september 2017 teruggestort vanwege een door belanghebbende bij brief van 31 juli 2017 gedaan beroep op betalingsonmacht.
Bij brief van 19 oktober 2017 heeft de Rechtbank het beroep op betalingsonmacht afgewezen. Bij uitspraak van 7 februari 2018 heeft zij het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.
Belanghebbende heeft op 16 februari 2018 tegen deze uitspraak verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak geoordeeld dat het beroep terecht, wegens niet-betaling van het griffierecht, niet-ontvankelijk is verklaard en heeft het verzet ongegrond verklaard.
De klachten, die zich tegen dit oordeel keren, slagen. In dit geval staat vast dat betaling van het griffierecht ter zake van het bij de Rechtbank ingestelde beroep tijdig is geschied. Daarmee heeft belanghebbende voldaan aan het vereiste van artikel 8:41, lid 5, Awb. De omstandigheid dat de Rechtbank het bedrag van het griffierecht aan belanghebbende heeft teruggestort, maakt dat niet anders.
Opmerking verdient dat de terugbetaling aan belanghebbende ten onrechte heeft plaatsgevonden, zodat belanghebbende dit bedrag opnieuw aan de Rechtbank dient te betalen. De ontvankelijkheid van het beroep is daarvan echter niet afhankelijk.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 7 februari 2018 gegrond,
verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek zal voortzetten in de stand waarin het zich bevond, en
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 501.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2019.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...