ECLI:NL:HR:2025:1025 Hoge Raad , 01-07-2025 / 24/04416

Caribische zaak. Passieve ambtelijke omkoping door als ambtenaar van belastingdienst geldbedrag te ontvangen in ruil voor restituties van belastingaanslagen voor zijn buurvrouw, art. 2:350.1.b SrA. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 11.1 Rijkswet jo. 432.1.b Sv. O.g.v. art. 1.1 Rijkswet neemt HR t.a.v. strafzaken in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en in Bonaire, Sint Eustatius en Saba kennis va...

Source officielle

6 min de lecture 1 250 mots

Inhoudsindicatie. Caribische zaak. Passieve ambtelijke omkoping door als ambtenaar van belastingdienst geldbedrag te ontvangen in ruil voor restituties van belastingaanslagen voor zijn buurvrouw, art. 2:350.1.b SrA. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 11.1 Rijkswet jo. 432.1.b Sv. O.g.v. art. 1.1 Rijkswet neemt HR t.a.v. strafzaken in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en in Bonaire, Sint Eustatius en Saba kennis van beroep in cassatie in strafzaken op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als t.a.v. strafzaken in Europees deel van Koninkrijk, v.zv. in Rijkswet niet anders is bepaald. Gelet hierop moet art. 11.1 Rijkswet zo worden uitgelegd dat (met uitzondering van het zich hier niet voordoende geval dat art. 8 Besluit van toepassing is vanwege woonplaats van verdachte) ook in Caribische zaken de in art. 432 Sv bepaalde termijn geldt voor het instellen van beroep in cassatie. In art. 432.1.b Sv is bepaald dat cassatieberoep moet worden ingesteld binnen 14 dagen na einduitspraak als verdachte ttz. of op nadere tz. is verschenen. Volgens stukken is verdachte (die woonplaats had op eiland waar beslissing is uitgesproken) ttz. van hof van 19-3-2024 verschenen en is op die tz. het onderzoek onderbroken tot 21-3-2024, op welke tz. uitspraak is gedaan. Daarom had o.g.v. art. 432.1.b Sv cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen 14 dagen na ’s hofs einduitspraak van 21-3-2024. Beroep is echter pas ingesteld op 5-4-2024. Dit brengt mee dat HR het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

Inhoudsindicatie. Verdachte n-o.

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/04416 C

Datum 1 juli 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 21 maart 2024, nummer H 186/21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G. de Hoogd bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De volgende bepalingen zijn van belang:

– artikel 1 lid 1 van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Rijkswet):

“De Hoge Raad der Nederlanden neemt ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover in deze Rijkswet niet anders is bepaald, in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk, kennis van een beroep in cassatie, ingesteld hetzij door partijen, hetzij «in het belang der wet» door de procureur-generaal bij de Hoge Raad.”

– artikel 11 lid 1 Rijkswet:

“Voor het instellen van het beroep in cassatie staat de verdachte en een procureur-generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een termijn open van veertien vrije dagen. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kan een langere termijn worden vastgesteld voor de gevallen, waarin de verdachte geen woonplaats heeft op het eiland waar de beslissing, waartegen beroep in cassatie wordt ingesteld, is uitgesproken.”

– artikel 8 van het Besluit termijnen Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Besluit):

“De in artikel 11, eerste lid, van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba bedoelde termijn voor het instellen van beroep in cassatie in strafzaken bedraagt één maand voor de verdachte, die geen woonplaats heeft op het eiland waar de beslissing, tegen welke hij beroep in cassatie instelt, is uitgesproken.”

– artikel 432 van het Wetboek van Strafvordering van Nederland (hierna: Sv):

“1. Het beroep in cassatie moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;

d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte hoger beroep is ingesteld, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 36g en in hoger beroep geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden.

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet cassatie worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het vonnis of arrest de verdachte bekend is.

3. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij

a. de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of

b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing.”

Op grond van artikel 1 lid 1 Rijkswet neemt de Hoge Raad ten aanzien van strafzaken in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en in Bonaire, Sint Eustatius en Saba kennis van een beroep in cassatie in strafzaken op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk, voor zover in de Rijkswet niet anders is bepaald. Gelet hierop moet artikel 11 lid 1 Rijkswet zo worden uitgelegd dat – met uitzondering van het zich hier niet voordoende geval dat artikel 8 Besluit van toepassing is vanwege de woonplaats van de verdachte – ook in Caribische zaken de in artikel 432 Sv bepaalde termijn geldt voor het instellen van beroep in cassatie.

In artikel 432 lid 1, aanhef en onder b, Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen.

Volgens de stukken is de verdachte – die woonplaats had op het eiland waar de beslissing is uitgesproken – op de terechtzitting van het hof van 19 maart 2024 verschenen en is op die terechtzitting het onderzoek onderbroken tot 21 maart 2024, op welke terechtzitting uitspraak is gedaan. Daarom had op grond van artikel 432 lid 1, aanhef en onder b, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 21 maart 2024. Het beroep is echter pas ingesteld op 5 april 2024. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2025.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.