ECLI:NL:HR:2025:1552 Hoge Raad , 14-10-2025 / 22/04906
Voortgezette handeling van medeplegen oplichting (art. 326.1 Sr). Redelijke termijn in feitelijke aanleg. Heeft hof beoordelingskader redelijke termijn miskend door overschrijding redelijke termijn niet te beoordelen per instantie maar voor procedure als geheel en door niet aan te geven welke straf zou zijn opgelegd als redelijke termijn niet was overschreden? HR herhaalt relevante overwegingen...
7 min de lecture · 1 382 mots
Inhoudsindicatie. Voortgezette handeling van medeplegen oplichting (art. 326.1 Sr). Redelijke termijn in feitelijke aanleg. Heeft hof beoordelingskader redelijke termijn miskend door overschrijding redelijke termijn niet te beoordelen per instantie maar voor procedure als geheel en door niet aan te geven welke straf zou zijn opgelegd als redelijke termijn niet was overschreden?
Inhoudsindicatie. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. beoordelingskader overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep en vraag welk rechtsgevolg daaraan moet worden verbonden.
Inhoudsindicatie. Hof heeft overwogen dat “redelijke termijn over geheel van procedure in e.a. en in h.b. genomen is geschonden.” Door tijdsverloop tijdens e.a. en dat tijdens h.b. niet (ook) afzonderlijk te beoordelen, heeft hof het hiervoor weergegeven beoordelingskader miskend.
Inhoudsindicatie. Dit leidt echter niet tot cassatie. In zijn overwegingen m.b.t. overschrijding van redelijke termijn ligt als oordeel van hof besloten dat, als redelijke termijn over geheel van procedure niet was overschreden, hof (net als Rb) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar zou hebben opgelegd. In plaats daarvan heeft hof die gevangenisstraf van 1 jaar geheel voorwaardelijk opgelegd en daarbij taakstraf van 240 uren. In het licht van wat hiervoor is vooropgesteld, is dit door hof aan overschrijding van redelijke termijn verbonden rechtsgevolg naar oordeel van HR ook passend als ervan wordt uitgegaan dat redelijke termijn zowel in e.a. als in h.b. is overschreden.
Inhoudsindicatie. Volgt verwerping. Samenhang met 22/04905, 22/04941 en 22/04942. CAG (strekking): (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04906
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 december 2022, nummer 21-001065-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. van Schaik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste tot en met het achtste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het negende cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft plaatsgevonden, het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep niet afzonderlijk heeft beoordeeld, en dat het hof niet heeft aangegeven welke straf zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet was overschreden.
De rechtbank heeft de verdachte voor “medeplegen van de voortgezette handeling van oplichting” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden. Het hof heeft de verdachte voor “de voortgezette handeling van het medeplegen van oplichting” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2022 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“OVERSCHRIJDING VAN DE REDELIJKE TERMIJN
Cliënten zijn aangehouden en verhoord in december 2012. De uitspraak zal pas plaats hebben in december 2022. Dit tijdsverloop dient gevolgen te hebben. Niet enkel in een compensatie in een eventuele strafmaat, dat is in deze zaak niet meer voldoende.”
Het hof heeft over de overschrijding van de redelijke termijn overwogen:
“Het hof stelt vast dat sinds de bewezen verklaarde feiten inmiddels geruime tijd is verstreken en dat de redelijke termijn over het geheel van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep genomen is geschonden. Het hof verdisconteert dit in de op te leggen straf door in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op te leggen. Het hof heeft hiervoor ook aanleiding gezien in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn rol in het geheel. Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest passend en geboden is. De door de advocaat-generaal gevorderde straf doet onvoldoende recht aan de ernst en omvang van het bewezenverklaarde.”
Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM heeft plaatsgevonden, moeten het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting moet zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverwegingen 3.7 en 3.13 tot en met 3.16.)
Het hof heeft overwogen dat “de redelijke termijn over het geheel van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep genomen is geschonden.” Door het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep niet (ook) afzonderlijk te beoordelen, heeft het hof het onder 3.4 weergegeven beoordelingskader miskend. Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
Dit leidt op grond van het volgende echter niet tot cassatie. In zijn onder 3.3.2 weergegeven overwegingen ligt als oordeel van het hof besloten dat, als de redelijke termijn over het geheel van de procedure niet was overschreden, het hof – net als de rechtbank – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar zou hebben opgelegd. In plaats daarvan heeft het hof die gevangenisstraf van een jaar geheel voorwaardelijk opgelegd en daarbij een taakstraf van 240 uren. In het licht van wat onder 3.4 is vooropgesteld, is dit door het hof aan de overschrijding van de redelijke termijn verbonden rechtsgevolg naar het oordeel van de Hoge Raad ook passend als ervan wordt uitgegaan dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden.
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
5Beslissing
De Hoge Raad:
– vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
– vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 216 uren beloopt, subsidiair 108 dagen hechtenis;
– verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...