ECLI:NL:HR:2025:380 Hoge Raad , 14-03-2025 / 24/00879

Inkomstenbelasting; art. 14 EVRM; art. 1 EP; art. 5.2 Wet IB 2001; Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet); Besluit rechtsherstel box 3, werkelijk rendement, ongerealiseerde waardemutaties

Source officielle

5 min de lecture 976 mots

Inhoudsindicatie. Inkomstenbelasting; art. 14 EVRM; art. 1 EP; art. 5.2 Wet IB 2001; Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet); Besluit rechtsherstel box 3, werkelijk rendement, ongerealiseerde waardemutaties

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/00879

Datum 14 maart 2025

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 23 januari 2024, nr. BK-23/88, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/8242) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2Uitgangspunten in cassatie

Belanghebbende heeft in haar aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2020 een rendementsgrondslag in box 3 aangegeven die voor haarzelf en haar echtgenoot tezamen € 228.089 bedraagt. De door haar aangegeven bezittingen bestaan uit “bank- en spaartegoeden in Nederland” van € 103.547 en uit “vorderingen uitgeleend geld”, bestaande uit een vordering van € 186.234. Die vordering betreft een lening aan een zoon van belanghebbende ten behoeve van de aankoop van een eigen woning.

De Inspecteur heeft de aanslag vastgesteld in overeenstemming met de ingediende aangifte. Hij heeft daarbij het voordeel uit sparen en beleggen (inkomen in box 3) forfaitair vastgesteld met toepassing van artikel 5.2 van de Wet IB 2001.

Het door belanghebbende tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is door de Inspecteur ongegrond verklaard. Hij heeft geen aanleiding gezien om aan belanghebbende rechtsherstel met betrekking tot de heffing in box 3 te bieden naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het arrest van 24 december 2021). De Inspecteur heeft zich daarbij gebaseerd op het Besluit rechtsherstel box 3, welk besluit, voor zover hier van belang, inhoudelijk overeenstemt met de nadien vastgestelde Wet rechtsherstel box 3 (hierna: de Herstelwet). Een nadere berekening van het voordeel uit sparen en beleggen op grond van deze regeling leidt in dit geval namelijk niet tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat.

3Procedure voor het Hof

Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende op grond van artikel 14 EVRM of artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) in aanmerking komt voor vermindering van de heffing in box 3, in die zin dat bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van het werkelijke rendement.

Het Hof is van oordeel dat aan belanghebbende, in afwijking van de Herstelwet, een op rechtsherstel gerichte compensatie moet worden geboden als bedoeld in het arrest van 24 december 2021, en dat die compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement.

Het Hof is verder van oordeel dat aldus niet meer hoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty’s en mogelijk andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst.

Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat het werkelijk door belanghebbende en haar echtgenoot behaalde rendement als hiervoor bedoeld in het onderhavige jaar in totaal € 3.873 bedraagt, heeft het Hof de aanslag in overeenstemming daarmee verminderd.

4Beoordeling van het middel

Het middel richt zich onder meer tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof, en betoogt daartoe dat het aan de wetgever is, en niet aan de rechter, om te voorzien in het rechtstekort dat gepaard gaat met een schending van het EVRM en het EP als gevolg van het stelsel van heffing van inkomstenbelasting in box 3. Het middel faalt in zoverre. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Het middel slaagt voor zover het is gericht tegen het in 3.3 vermelde oordeel van het Hof. Het middel klaagt terecht erover dat het Hof daarmee een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het begrip werkelijk rendement, aangezien daartoe ook ongerealiseerde waardemutaties behoren. De Hoge Raad verwijst naar rechtsoverweging 5.4.8 van het arrest van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705. De hiervoor in 3.4 bedoelde overeenstemming tussen partijen over de omvang van het werkelijke rendement van belanghebbende in 2020 kan niet afdoen aan de gegrondheid van deze klacht, aangezien die overeenstemming slechts betrekking heeft op de omvang van het direct gerealiseerde vermogensrendement, en niet op ongerealiseerde waardemutaties. Over de eventuele omvang daarvan hebben partijen zich (nog) niet uitgelaten.

5Slotsom

Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

6Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

7Beslissing

De Hoge Raad:

– verklaart het beroep in cassatie gegrond,

– vernietigt de uitspraak van het Hof, en

– verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.

Voetnoten

  1. ECLI:NL:GHDHA:2024:337.
  2. Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 juni 2022, nr. 2022-176296, Stcrt. 2022, 17063.
  3. Wet van 21 december 2022, Stb. 2022, 533.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.