ECLI:NL:HR:2025:849 Hoge Raad , 06-06-2025 / 24/04227
Insolventierecht. Faillissementsaanvraag. Pluraliteitsvereiste. Art. 1 Fw; art. 7:423 lid 1 BW. Kan vordering van schuldeiser die aan derde privatieve last heeft verleend tot uitoefening van zijn rechten, bij verzoek van die derde tot faillietverklaring van schuldenaar dienen als steunvordering?
4 min de lecture · 809 mots
Inhoudsindicatie. Insolventierecht. Faillissementsaanvraag. Pluraliteitsvereiste. Art. 1 Fw; art. 7:423 lid 1 BW. Kan vordering van schuldeiser die aan derde privatieve last heeft verleend tot uitoefening van zijn rechten, bij verzoek van die derde tot faillietverklaring van schuldenaar dienen als steunvordering?
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04227
Datum 6 juni 2025
ARREST
In de zaak van
DBS2 NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Katwijk,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: DBS2,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
STICHTING OBLIGATIEHOUDERS DBS2,
gevestigd te Amstelveen,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Stichting,
niet verschenen.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/09/670490 / FT RK 24/669 van de rechtbank Den Haag van 17 september 2024;
b. het arrest in de zaak 200.346.256/01 van het gerechtshof Den Haag van 12 november 2024.
DBS2 heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld en heeft een aanvullende procesinleiding ingediend.
De Stichting heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van DBS2 heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) DBS2 heeft tussen 2016 en 2020 obligaties uitgegeven aan 63 obligatiehouders.
(ii) De obligatiehouders hebben voor de uitoefening van hun vorderingsrechten op DBS2 een privatieve last aan de Stichting gegeven.
(iii) DBS2 laat de obligatiehouders onbetaald.
(iv) De Stichting heeft zelf een opeisbare vordering op DBS2.
De Stichting verzoekt om DBS2 in staat van faillissement te verklaren.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen op de grond dat de obligatiehouders afstand hebben gedaan van hun individuele vorderingsrechten en deze door middel van de privatieve last hebben ‘overgedragen’ aan de Stichting en dat, nu andere steunvorderingen niet zijn gesteld of gebleken, niet kan worden vastgesteld dat sprake is van meerdere schuldeisers.
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en DBS2 in staat van faillissement verklaard. Het hof heeft onder meer als volgt overwogen.
Niet in geschil is dat de Stichting zelf een (opeisbare) vordering heeft op DBS2. Van het vorderingsrecht van de Stichting is dan ook summierlijk gebleken. (rov. 2.9)
Elk van de obligatiehouders heeft afzonderlijk een opeisbare vordering op DBS2 uit hoofde van één of meer obligatieleningen. Deze vorderingen maken deel uit van de afzonderlijke vermogens van de obligatiehouders. Bij trustakte van 2 december 2016 hebben de obligatiehouders ter zake van de uitoefening van hun vorderingsrechten aan de Stichting een privatieve last verstrekt in de zin van art. 7:423 BW, waarmee aan de Stichting een procesbevoegdheid is toegekend om de vorderingen te innen. Zoals de Stichting terecht betoogt, hebben de obligatiehouders daarmee hun vorderingen niet overgedragen, gecedeerd of anderszins vervreemd uit hun vermogens. Hiermee staat de pluraliteit van schuldeisers vast. (rov. 2.10)
3Beoordeling van het middel
Onderdeel I.2 van het middel klaagt onder meer dat rov. 2.10 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat de vorderingen van de obligatiehouders uitsluitend kunnen worden ingesteld door de Stichting omdat die een privatieve last heeft, betekent volgens de klacht dat DBS2 weliswaar meerdere schulden heeft maar slechts één schuldeiser, en dat dit niet voldoende is voor pluraliteit.
De klacht faalt. Voor het uitspreken van een faillietverklaring is naar vaste rechtspraak vereist dat de schuldenaar meer dan één schuldeiser heeft. Is een schuldeiser met een lasthebber overeengekomen dat de lasthebber het vorderingsrecht van de schuldeiser in eigen naam en met uitsluiting van de schuldeiser zal uitoefenen (art. 7:423 lid 1 BW), dan doet die enkele omstandigheid niet af aan de mogelijkheid dat de vordering van de schuldeiser dient als steunvordering bij een verzoek van de lasthebber tot faillietverklaring van de schuldenaar.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 juni 2025.
Voetnoten
- Rechtbank Den Haag 17 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14718.
- Gerechtshof Den Haag 12 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2271.
- Zie o.m. HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:488, rov. 3.3.2 en HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681, rov. 3.4.1.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...