ECLI:NL:OGEABES:2025:50 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 29-10-2025 / BON202300215
Kinderalimentatie, verdiencapaciteit
5 min de lecture · 963 mots
Inhoudsindicatie. Kinderalimentatie, verdiencapaciteit
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202300215
datum beslissing: 29 oktober 2025
BESCHIKKING
in de zaak van:
VOOGDIJRAAD CARIBISCH NEDERLAND,
gevestigd te Bonaire,
verzoeker, hierna te noemen: de Voogdijraad,
met betrekking tot de minderjarigen:
1[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2009 te Bonaire,
2. [minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum] 2013 te Rotterdam (Nederland),
hierna: de minderjarige kinderen,
tegen:
[verweerder],
wonend te Aruba,
verweerder, hierna te noemen: de man,
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[belanghebbende],
wonend te Bonaire,
hierna: de vrouw.
1De procedure
Het verloop van de procedure tot 16 augustus 2023 blijkt uit de beschikking van die datum.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de herberekening van de Voogdijraad van de kinderalimentatie van 10 oktober 2023
het uitstelverzoek van de man voor de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025 en de afwijzing van dat verzoek door het gerecht
de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025 waar zijn verschenen:
o namens de Voogdijraad: mevrouw [medewerker Voogdijraad] en mevrouw [medewerker Voogdijraad]
o de man via videoverbinding
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De verdere beoordeling
De Voogdrijraad heeft de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen (her)berekend op (in totaal) USD 205,- per maand.
De man is het hier niet mee eens. Hij vindt het bedrag te hoog. De man stelt dat hij is verhuisd naar Aruba en dat hij op dit moment geen inkomen heeft, maar onderhouden wordt door de familie van zijn huidige partner.
Deze stellingen van de man brengen evenwel niet automatisch met zich dat de man vrijgesteld is van het betalen van alimentatie voor de minderjarige kinderen. De man heeft het door hem geleden inkomensverlies zelf teweeggebracht. De man heeft op de zitting verklaard dat zijn dienstverband in Nederland niet is verlengd omdat hij te vaak afwezig was. Dit en zijn keuze om naar Aruba te verhuizen, valt de man aan te rekenen.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige niet alleen gekeken worden naar het inkomen dat hij verwerft, maar ook naar het inkomen dat hij geacht kan worden redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven. Als de onderhoudsplichtige zelf door zijn gedragingen een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht, zal het antwoord op de vraag of deze vermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven, in de eerste plaats ervan afhangen of hij redelijkerwijs in staat moet worden geacht opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen. Als dat niet het geval is, dan is in zijn algemeenheid niet juist dat de inkomensvermindering bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige dan steeds ten volle in aanmerking moet worden genomen. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval.
De man had een verdiencapaciteit van (netto) USD 1.289, – Daar is de herberekening van de Voogdijraad ook op gebaseerd. Niet valt in te zien dat de man niet in staat zou zijn om dit inkomen weer te kunnen verwerven; in Aruba of in Nederland. De man heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat dit niet kan. Mede gelet op de hoogte van het vroegere inkomen van de man, gaat het gerecht ervan uit dat hij redelijkerwijs in staat moet worden geacht om zijn vroegere inkomen te verdienen. Het handelen van de man duidt veel meer op betalingsonwil dan op betalingsonmacht. Het gerecht merkt dat op omdat vast is komen staan dat de man ook de (in de tussenbeschikking van 16 augustus 2023 vastgelegde) voorlopige kinderalimentatie van USD 120,- voor de minderjarige kinderen niet heeft betaald, een incidentele betaling daargelaten, terwijl hij tot augustus 2024 het inkomen heeft gehad waar de Voogdijraad in de herberekening vanuit is gegaan. De man heeft daar geen verklaring voor weten te geven. Op de zitting heeft de Voogdrijraad overigens aan de man laten weten dat als hij bewijs levert van de incidentele betalingen dit in mindering zal komen op de schuld aan kinderalimentatie die de man inmiddels heeft.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gerecht bij de berekening van de kinderalimentatie geen rekening zal houden met het inkomensverlies van de man. Het gerecht zal de door de man te betalen kinderalimentatie stellen op het bedrag zoals dat door de Voogdijraad is (her)berekend.
Volgens de wet- en regelgeving moet kinderalimentatie aan de Belastingdienst Caribisch Nederland worden betaald. Het gerecht zal dit vastleggen in het dictum van deze beschikking.
De beslissing over de kinderalimentatie zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van het gerecht geldt dan totdat het hof een andere beslissing neemt.
De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
3De beslissing
Het gerecht:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man [verweerder], met ingang van de eerste van de maand volgend op de datum van deze beschikking, maandelijks te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een bedrag van USD 205,- in totaal per maand (USD 102,50 per kind), telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de Belastingdienst Caribisch Nederland;
bepaalt dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Keltjens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Voetnoten
- HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707 en HR 08-03-2024, ECLI:NL:HR:2024:343
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...