ECLI:NL:RBAMS:2021:1812 Rechtbank Amsterdam , 15-04-2021 / 13-051467-20
Artikel 6 WVW 1994. Door rood licht rijden en onvoldoende de aandacht gericht op de wegsituatie en andere verkeerdeelnemers op de kruising.
16 min de lecture · 3 421 mots
Inhoudsindicatie. Artikel 6 WVW 1994. Door rood licht rijden en onvoldoende de aandacht gericht op de wegsituatie en andere verkeerdeelnemers op de kruising.
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13-051467-20
Datum uitspraak: 15 april 2021
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te ‘ [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte]
.
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T.H. Kapinga, naar voren hebben gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 31 augustus 2019 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Oranjebaan, zich zodanig, te weten, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere breuken van zijn bekken, werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de Oranjebaan, komende uit de richting van de Burgemeester Stramanweg en gaande in de richting van de Burgemeester Boersweg,
– terwijl verdachte beginnend bestuurder was,
– terwijl de weg vochtig was,
– terwijl verdachte reed met een snelheid die (veel) hoger was dan de ter plaatste toegestane snelheid van 30 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse,
– terwijl er ter plaatse wegwerkzaamheden waren,
verdachte is niet gestopt, althans niet blijven stilstaan voor een in zijn (rij)richting gekeerd en/of voor het in zijn verkeer geldend rood uitstralend verkeerslicht,
verdachte heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen,
verdachte is (vervolgens) tegen een bromfietser, te weten voornoemde [slachtoffer] , die bij groen licht de
Oranjebaan was opgereden, aangereden en/of aangebotst
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Subsidiair
hij op of omstreeks 31 augustus 2019 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Oranjebaan, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd
bestaande dat gedrag hieruit,
verdachte heeft gereden over de Oranjebaan, komende uit de richting van de Burgemeester Stramanweg en gaande in de richting van de Burgemeester Boersweg,
– terwijl verdachte beginnend bestuurder was,
– terwijl de weg vochtig was,
– terwijl verdachte reed met een snelheid die (veel) hoger was dan de ter plaatste toegestane snelheid van 30 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse,
– terwijl er ter plaatse wegwerkzaamheden waren,
verdachte is niet gestopt, althans niet blijven stilstaan voor een in zijn (rij)richting gekeerd en/of voor het in zijn verkeer geldend rood uitstralend verkeerslicht,
verdachte heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen,
verdachte is (vervolgens) tegen een bromfietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , die bij groen licht de Oranjebaan was opgereden, aangereden en/of aangebotst.
3Waardering van het bewijs
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 31 augustus 2019 heeft ter hoogte van de kruising van de Oranjebaan met de Amstelslag te Amsterdam een aanrijding plaatsgevonden, waarbij twee voertuigen waren betrokken. Verdachte reed als beginnend bestuurder van zijn personenauto over de Oranjebaan. Hij kwam uit de richting van de Burgemeester Stramanweg en reed in de richting van de Burgemeester Boersweg. Het slachtoffer, [slachtoffer] , was de bestuurder van de bromfiets. Hij reed op het vrij gelegen bromfietspad naast de Oranjebaan. Op het moment dat de bromfietser op voornoemd kruispunt de Oranjebaan wilde oversteken in de richting van de Amstelslag, reed de verdachte rechtdoor over het kruispunt van de Oranjebaan. Hierdoor ontstond de aanrijding. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen en is per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Op het moment van het ongeval werd het kruispunt geregeld door verkeerslichten. Uit onderzoek is gebleken dat beide rijrichtingen volledig conflicterend waren, zodat een van de bestuurders het rode verkeerslicht moet hebben genegeerd.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij heeft gezien dat het verkeerslicht in zijn richting op groen stond. Hij reed met een snelheid van 55 kilometer per uur. Hij reed minder hard dan hij daar normaal mag rijden vanwege wegwerkzaamheden. Hij heeft het verkeersbord met de maximumsnelheid van 30 kilometer op de kruising niet gezien. Op het moment dat verdachte al dicht bij het verkeerslicht reed, heeft hij naar de toerenteller van zijn Smart gekeken om te kijken wanneer hij zijn versnelling van twee naar drie moest schakelen. Hij was nog niet zo lang in het bezit van zijn rijbewijs. Verdachte heeft niet meer naar het verkeerslicht gekeken. Na het schakelen keek hij weer naar voren en zag hij voor zijn auto de botsing met de jongen op de bromfiets.
Het slachtoffer heeft verklaard dat hij stil stond voor het rode stoplicht. Hij trok op toen het groen werd. Toen hij naar links keek zag hij die auto snel op hem afkomen. Hij kon niets meer doen om een botsing te voorkomen.
Het ongeval is gezien door twee getuigen. Getuige [getuige 1] wilde bij het tijdelijke verkeerslicht bij de kruising Amstelslag met haar fiets de rijbaan oversteken. Zij zag dat het verkeerslicht op rood stond en zij zag aan de overkant van het fietspad een bromfiets staan. Toen het groen was trokken zij beiden op. Zij zag vanuit het niets een auto, Smart, uit de richting van Ouderkerk aan de Amstel komen en zag dat de auto de bromfiets vol schepte op de kruising. Getuige [getuige 2] stond, komend uit de tegenovergestelde richting als verdachte voor het rode stoplicht te wachten. Hij zag dat de jongen met die Smart vanaf de brug kwam uit de richting van Ouderkerk aan de Amstel. Hij zag een fietser in tegenovergestelde richting van de scooter rijden. De fietser kwam voor hem van rechts, de scooter van links. Hij dacht dat de jongen van de Smart zich vergiste, omdat daar een nieuw verkeerslicht is dat heel snel op rood gaat.
Het kruispunt van de Oranjebaan met de Amstelslag was gelegen buiten de bebouwde kom. De wettelijk toegestane snelheid voor de rijbanen van de Oranjebaan bedroeg in verband met wegwerkzaamheden 30 kilometer per uur. De opstelling van de verkeerslichten en de verkeersregelinstallatie hadden in verband met de werkzaamheden een tijdelijk karakter. Blijkens onderzoek ter plaatse heeft de politie vastgesteld dat de verkeerslantaarns in de richting van de personenauto en in de richting van de bromfiets zonder storingen functioneerden.
De verdachte wordt verweten dat hij de aanrijding met de bestuurder van de bromfiets heeft veroorzaakt doordat hij als beginnend bestuurder op genoemde kruising met een te hoge snelheid met zijn auto door een rood uitstralend verkeerslicht is gereden. De rechtbank dient te beoordelen of dit verkeersongeval aan de schuld, in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, van de verdachte is te wijten.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte is als bestuurder van zijn Smart met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan door een rood verkeerslicht gereden. Hij is tegen het slachtoffer [slachtoffer] gebotst die op dat moment op zijn bromfiets met groen licht de rijbaan wilde oversteken. Een automobilist die, anders dan verdachte, in tegenovergestelde richting voor rood licht stond te wachten, heeft gezien dat de bromfietser en de fietser aan de overkant tegelijk gingen oversteken. In het proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval en het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2020 is weergegeven dat de verkeerslichten zonder storingen functioneerden en dat de verkeerslichten op geen enkel moment gelijktijdig groen licht uitstraalden. Ten aanzien van het letsel van het slachtoffer kan niet worden bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, maar wel van zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit, onder verwijzing naar zijn pleitnota, dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.
De verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij door het groene verkeerslicht is gereden. Er zijn geen getuigen die hebben gezien dat verdachte door het rode verkeerslicht is gereden. Nu uit het proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval en het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2020 niet blijkt dat de verkeersregelinstallatie goed heeft gewerkt, kan niet worden vastgesteld dat verdachte door het rode verkeerslicht is gereden. Aangever [slachtoffer] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij na een maandje weer helemaal was hersteld, zodat gelet op het bepaalde in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het enkele feit dat verdachte te snel heeft gereden is onvoldoende om te spreken van een gedraging die zodanig is dat daardoor gevaar op de weg kon ontstaan.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voor schuld is derhalve meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag in strijd met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Wat in de onderhavige zaak vast staat is dat er op 31 augustus 2019 te Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij de verdachte als bestuurder van zijn personenauto tegen de bromfiets van het slachtoffer is aangereden. Verdachte reed met een te hoge snelheid op een kruising waar dat vanwege wegwerkzaamheden niet was toegestaan.
Vanwege deze wegwerkzaamheden waren er bijzondere verkeersmaatregelen van kracht, waaronder een beperking van de maximumsnelheid, en had de opstelling van de verkeerslichten en de verkeersregelinstallatie een tijdelijk karakter. In een aanvullend proces-verbaal hebben de verbalisanten geconcludeerd dat de richtingen van de personenauto en de bromfiets volledig conflicterend waren. Indien het verkeerslicht geldend voor de rijrichting van de personenauto groen licht uitstraalde, moet het verkeerslicht geldend voor de rijrichting van de bromfiets rood licht uitgestraald hebben. Omgekeerd geldt hetzelfde. De verbalisanten hebben verder verklaard dat zij tijdens het onderzoek op het ongevalskruispunt, kort nadat het verkeersongeval had plaatsgevonden, hebben gezien dat de verkeerslichten voor de relevante richtingen zonder storingen functioneerden. Zij zagen dat beide verkeerslichten op geen enkel moment gelijktijdig groen licht uitstraalden. Zij zagen dat als de verkeerslichten geldend voor de richting waarin de bromfietser gereden had, groen licht uitstraalden, de verkeerslichten voor de richting waarin de personenauto gereden had, rood licht uitstraalden. Omgekeerd gold exact hetzelfde. Daarbij is in de NEN norm 3384 geregeld dat, indien bijvoorbeeld als gevolg van een storing, beide conflicterende richtingen groen licht zouden gaan uitstralen, dat alle verkeerslichten op de betreffende kruisingen terstond op geel knipperen gaan ten behoeve van de verkeersveiligheid.
De rechtbank is gelet op de bevindingen van de politie over de verkeersregelinstallatie, alsmede de verklaringen van de getuigen, van oordeel dat de enkele omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat het verkeerslicht in zijn rijrichting groen was, niet wil zeggen dat de lichten ook groen waren op het moment dat hij de lichten passeerde. De rechtbank leidt uit zijn verklaring af, dat hij niet heeft gezien dat het verkeerslicht nog steeds groen was op het moment dat hij over de kruising van de Oranjebaan met de Amstelslag reed. Op dat moment had verdachte immers, zo blijkt uit zijn verklaring, als beginnend bestuurder meer aandacht voor de toerenteller op zijn dashboard cq. het mechanisch besturen van zijn auto, waardoor hij onvoldoende aandacht heeft gehad op de wegsituatie en de andere verkeersdeelnemers op deze kruising. Dat hij de bromfietser niet heeft gezien volgt uit zijn rijgedrag, alsmede uit het feit dat er geen remsporen zijn aangetroffen. De rechtbank leidt dit af uit het proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval en de daarbij behorende foto’s. Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte gedurende enige tijd zijn aandacht niet op de weg heeft gericht, met alle gevolgen van dien.
Ten aanzien van het letsel overweegt de rechtbank dat het slachtoffer op 12 oktober 2019 heeft verklaard dat hij na het verkeersongeval een nacht in het ziekenhuis heeft doorgebracht. Zijn letsel bestond uit meerdere breuken van zijn bekken. Hij had na het ongeval zoveel pijn dat hij dik drie weken op bed heeft gelegen. De orthopeed heeft het slachtoffer op de dag van ongeval onderzocht en de duur van de genezing op ongeveer twee maanden geschat. Het slachtoffer heeft op 4 juni 2020, gehoord als getuige bij de rechter-commissaris, verklaard dat het herstel een maandje heeft geduurd. Gelet op de aard van het letsel is de rechtbank van oordeel dat het letsel niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, maar als lichamelijk letsel waaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is het verkeersgedrag van verdachte aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Het is aan zijn schuld te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 31 augustus 2019 te Amstelveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Oranjebaan, zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten meerdere breuken van zijn bekken, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de Oranjebaan, komende uit de richting van de Burgemeester Stramanweg en gaande in de richting van de Burgemeester Boersweg,
– terwijl verdachte beginnend bestuurder was,
– terwijl verdachte reed met een snelheid die hoger was dan de ter plaatste toegestane snelheid van 30 kilometer per uur,
– terwijl er ter plaatse wegwerkzaamheden waren,
verdachte is niet gestopt voor een in zijn rijrichting gekeerd en voor het in zijn verkeer geldend rood uitstralend verkeerslicht,
verdachte heeft niet afgeremd,
verdachte is vervolgens tegen een bromfietser, te weten voornoemde [slachtoffer] , die bij groen licht de Oranjebaan was opgereden, aangereden
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8Motivering van de straffen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door hem primair bewezen geachte feit dient te worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.000, – en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft als strafmaatverweer naar voren gebracht dat verdachte een vervelende periode achter de rug heeft, maar sinds mei 2019 tot ieders en zijn eigen tevredenheid een baan heeft bij een sloopbedrijf. Voor zijn werkzaamheden bij dit bedrijf heeft hij zijn rijbewijs nodig.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straffen laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding, zoals hiervoor bewezen is verklaard. Door dit gedrag heeft het slachtoffer [slachtoffer] lichamelijk letsel bekomen. Als verdachte beter had opgelet in het verkeer dan had het ongeval niet plaatsgevonden
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en een slachtoffer met lichamelijk letsel, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt gehanteerd een geldboete van € 1.000, – en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden.
De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 maart 2021 niet eerder voor een soortgelijk feit met justitie in aanraking is geweest.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 1.000,- passend en geboden is. De rechtbank zal daarnaast ter bescherming van de verkeersveiligheid een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 maanden opleggen. Deze ontzegging van de rijbevoegdheid zal consequenties hebben op het uitoefenen van het werk van de verdachte, maar de rechtbank ziet gelet op de ernst van de verkeersgedraging onvoldoende aanleiding om van de landelijke oriëntatiepunten af te wijken. De rechtbank acht daarom het belang van de verkeersveiligheid groter dan het belang dat verdachte heeft bij behoud van zijn rijbewijs.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.
10Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.000, -, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 dagen.
Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. A.A. Spoel en L. Dolfing, rechters,
in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2021.
Voetnoten
- Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
- Proces-verbaal Aanrijding misdrijf (p. 1-3); Proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval (p. 8)
- Verklaring verdachte ter terechtzitting.
- Verklaring slachtoffer [slachtoffer] (p. 76-79).
- Verklaring getuigen [getuige 2] (p. 83) en [getuige 1] (p. 87).
- Proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval (p. 10-13)
- Proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval (p. 11); Proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2020.
- Proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval (p. 21-35);
- Verklaring slachtoffer [slachtoffer] (p. 76-79); Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring ten name van [slachtoffer] d.d. 7 januari 2020 van orthopeed dhr. E.P. Meijer.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...