ECLI:NL:RBAMS:2024:8874 Rechtbank Amsterdam , 05-09-2024 / C/13/746310 / KG ZA 24-100
Kort geding, voortzetting bankrelatie met bedrijf dat door de bank wordt gezien als smartshop. Producten vallen (nog) niet onder de Opiumwet. Bank moet klantrelatie voorlopig voortzetten.
18 min de lecture · 3 775 mots
Inhoudsindicatie. Kort geding, voortzetting bankrelatie met bedrijf dat door de bank wordt gezien als smartshop. Producten vallen (nog) niet onder de Opiumwet. Bank moet klantrelatie voorlopig voortzetten.
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/746310 / KG ZA 24-100 MDvH/LO
Vonnis in kort geding van 5 september 2024
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseressen bij dagvaarding van 23 februari 2024,
advocaat mr. S.P.H. Brinkman te Tilburg,
tegen
de naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.
Eiseressen zullen hierna de [eiser 1] en [eiser 2] worden genoemd en gezamenlijk (in enkelvoud) [eisers] . Gedaagde zal worden aangeduid als ABN AMRO of de bank.
1De procedure
Ter zitting van 2 april 2024 heeft [eisers] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. ABN AMRO heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend en [eisers] daarnaast een pleitnota.
Ter zitting waren aanwezig:
aan de kant van [eisers] : [naam 1] , directeur en aandeelhouder, met mr. Brinkman;
aan de kant van ABN AMRO: [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , juridische zaken, met mr. Achterberg.
De behandeling van de zaak is vervolgens een aantal keer aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke oplossing te vinden. Bij e-mail van 29 juli 2024 heeft mr. Brinkman laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en dat [eisers] vraagt om vonnis te wijzen.
Vonnis is (uiteindelijk) bepaald op heden.
2De feiten
[eiser 2] verkoopt via de website http://www.gaiana.nl onder meer kruiden, kruidenthee, super-foods, zaden, natuurlijke supplementen en natuurlijke reukwaren.
De [eiser 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser 2] . Bestuurder en enig aandeelhouder van de [eiser 1] is [naam 1] .
[eiser 2] maakt sinds 3 juli 2017 gebruik van een betaalproduct van ABN AMRO met internetbankieren (overeenkomst I).
De [eiser 1] maakt sinds 11 mei 2021 gebruik van een betaalproduct met internetbankieren (overeenkomst II).
Op overeenkomsten I en II zijn de Algemene Bankvoorwaarden ABN AMRO van toepassing.
Op 10 december 2020 heeft ABN AMRO een telefonisch interview gehouden met [naam 1] , namens [eiser 2] . Bij brief van 11 december 2020 heeft ABN AMRO [eiser 2] verzocht om stukken aan te leveren (jaarrekeningen, facturen van verschillende buitenlandse partijen, en facturen van klanten die met bitcoins betalen), en op 29 december 2020 heeft ABN AMRO daarvan een rappel verzonden.
In een e-mail van 20 januari 2021 heeft ABN AMRO aanvullende vragen gesteld over een aantal overboekingen van tienduizenden euro’s. Bij e-mail van diezelfde dag heeft [naam 1] geantwoord dat hij een nieuwe auto heeft gekocht via zijn zakelijke rekening, maar dat hij de aankoopwaarde later vanaf zijn privérekening heeft terugbetaald; dat zijn de twee overboekingen van € 50.000,- waarover ABN AMRO vragen had gesteld. De overige overboekingen betreffen beleggingen in goud. [naam 1] heeft stukken bijgevoegd om zijn antwoorden te onderbouwen.
ABN AMRO heeft bij e-mail van eveneens 20 januari 2021 gevraagd waarom [naam 1] de beleggingen in goud niet vanaf zijn privérekening doet. [naam 1] heeft daarop geantwoord dat het om zakelijke beleggingen gaat, die op de balans van [eiser 2] zijn verwerkt.
Op 21 december 2021 heeft ABN AMRO opnieuw een brief gezonden aan [eiser 2] ( [naam 1] ), met als onderwerp: ‘herinnering informatieverzoek’. In die brief staat onder meer het volgende:
“(…)
De bank zal uw antwoorden op onderstaande vragen en de aangeleverde documentatie beoordelen en mogelijk wederom vervolgvragen aan u stellen. Het is eveneens mogelijk dat de bank extra documentatie bij u opvraagt.
1. De bank heeft geconstateerd dat er onduidelijkheid bestaat met betrekking tot de feitelijke bedrijfsactiviteiten van de onderneming. De bank verzoekt u om een uitgebreide toelichting te geven op:
a. De feitelijke bedrijfsactiviteiten;
b. Het verdienmodel.
2. De bank heeft geconstateerd dat er onduidelijkheid bestaat met betrekking tot het screeningsbeleid van de onderneming. De bank verzoekt u een uitgebreide toelichting te geven op het beleid en de maatregelen met betrekking tot het screenen van uw afnemers en leveranciers.
(…)
5. De bank heeft geconstateerd dat u kruiden verkoopt die gebruikt kunnen worden voor het produceren van drugs. De bank voorziet een risico voor haar reputatie als haar producten en diensten worden geleverd aan klanten die deze kruiden ter beschikking stellen voor de verkoop van drugs. De bank verzoekt u daarom toe te lichten op welke wijze u uw afnemers selecteert en of u beleid heeft om te controleren of deze stoffen niet (in)direct, bedoeld of onbedoeld, voor menselijke inname worden verkocht. Indien u beleid heeft opgesteld verzoekt de bank u om documentatie aan te leveren zoals interne beleidsstukken. Tevens verzoekt de bank om de effectiviteit van uw beleid toe te lichten.
6. De bank heeft geconstateerd dat u actief bent en/of uw handelspartners gevestigd zijn in landen, zoals Rusland, Roemenië, Indonesië en China, waar een verhoogde kans bestaat op witwassen, corruptie en/of terrorismefinanciering. De bank verzoekt u om toe te lichten welke maatregelen u heeft getroffen om te voorkomen dat uw handelspartners u integriteitsschade berokkenen en/of de onderneming (on)bedoeld en (in)direct betrokken raakt bij witwaspraktijken of terrorismefinanciering.
(…)”.
Verder heeft ABN AMRO [naam 1] vragen gesteld over overmakingen naar Goldrepublic en Hollandgold.nl, en over de relatie van [eiser 2] met verschillende (buitenlandse) organisaties, hoe hij die selecteert, en welke maatregelen hij heeft getroffen om te voorkomen dat gelden en/of goederen in handen komen van partijen die betrokken zijn bij een geweldsconflict of oorlog, of die kunnen worden gelinkt aan witwassen of terrorismefinanciering.
Bij brief van 17 januari 2022 heeft de advocaat van [eiser 2] uitgebreid geantwoord op het informatieverzoek van 21 december 2021 (zie 2.9). In die brief staat onder meer het volgende.
“(…)
(…)
(…)”.
[eiser 2] heeft in de brief van 17 januari 2022 (zie 2.10) verder nog uitgebreid geantwoord op de vragen van ABN AMRO over investeringen in goud. [eiser 2] heeft een aantal bijlagen bij de brief gevoegd, onder meer facturen en een afdruk van de door haar gehanteerde disclaimer, die luidt als volgt:
Bij brief van 14 december 2022 heeft ABN AMRO de klantrelatie met [eiser 2] beëindigd per 14 april 2023. Als reden voor de beëindiging staat in de brief het volgende:
“In het kader van het klantenonderzoek heeft de bank u meerdere malen gevraagd om schriftelijk te antwoorden op de door de bank gestelde vragen omtrent het gehanteerde screeningsbeleid, uw zakelijke activiteiten en uw afnemers en leveranciers.
Ondanks uw medewerking aan het klantenonderzoek heeft de bank onvoldoende duidelijkheid verkregen over [eiser 2] B.V. De bank heeft onvoldoende inzicht in de bedrijfsvoering, waarbij kruiden worden verkocht welke ook kunnen worden gebruikt voor de productie van verdovende middelen. Er wordt een disclaimer gehanteerd op uw website, maar de onderneming beschikt niet over een gedocumenteerd screeningsbeleid ten aanzien van uw afnemers. Enkel de disclaimer op de website is onvoldoende mitigerend voor de risico’s verbonden aan de verkoop van kruiden welke ook kunnen worden gebruikt voor de productie van verdovende middelen.
Daarnaast heeft [eiser 2] B.V. betalingen via cryptocurrencies zoals Bitcoin ontvangen. De bank heeft onvoldoende inzicht van u gekregen in de transacties die via cryptocurrencies zijn verlopen. Het blijft hierdoor onduidelijk met welke jurisdicties zaken zijn gedaan en of de verhandelde goederen in deze jurisdicties legaal zijn. Tevens wordt geen sanctiebeleid gevoerd door de onderneming. Zowel in het kader van overtreding van sancties als in het kader van duurzaamheid past dit niet binnen het beleid van de bank.
Gezien de risico’s die uw bedrijfsactiviteiten met zich meebrengen, het gebrek aan screening van de afnemers aan uw zijde en de wijze waarop uw klanten uw producten kunnen betalen die de herkomst van de middelen versluieren, past uw klantprofiel niet binnen de kaders van het risicoprofiel wat de bank kan accepteren. De bank kan hierdoor niet uitsluiten dat de producten en diensten (bedoeld of onbedoeld) oneigenlijk en/of onrechtmatig worden gebruikt. Had de bank ten tijde van het aangaan van de relatie over bovenstaande informatie beschikt, dan had zij besloten om deze relatie niet aan te gaan. (…)”.
Tevens heeft ABN AMRO in die brief laten weten dat zij de gegevens van [eiser 2] en [naam 1] zal opnemen in de zogeheten (interne) CAAML-lijst (Client Acceptance en Anti-Money Laundering) voor een periode van vijf jaar.
Bij brief van 1 februari 2023 van haar advocaat heeft [eiser 2] bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de bankrelatie. [eiser 2] heeft stukken bijgevoegd van betalingen in bitcoins.
Bij brief van 13 februari 2023 heeft ABN AMRO laten weten dat zij naar aanleiding van het bezwaar reden heeft gezien om het klantdossier van [eiser 2] nogmaals volledig te beoordelen, en dat de beëindiging van de bancaire producten tot nader order is opgeschort.
Bij brief van 26 september 2023 heeft ABN AMRO [eiser 2] (opnieuw) om informatie en stukken gevraagd.
Bij brief van 11 oktober 2023 van haar advocaat heeft [eiser 2] gereageerd op het informatieverzoek van ABN AMRO (zie 2.15). Bij de brief zijn een aantal facturen gevoegd waarom ABN AMRO heeft gevraagd. [eiser 2] heeft in de brief ook een aantal wedervragen gesteld, zoals de vraag hoe ABN AMRO erbij komt dat [eiser 2] een ‘growshop’ is, en welke producten ABN AMRO bedoelt als zij stelt dat [eiser 2] in ‘illegale producten’ handelt.
Bij brief van 7 november 2023 heeft ABN AMRO gereageerd op de brief van [eiser 2] van 11 oktober 2023 (2.16). ABN AMRO heeft laten weten dat de verstrekte informatie en stukken niet compleet zijn, en heeft [eiser 2] verzocht alsnog die informatie te verstrekken. Verder staat in de brief, voor zover van belang, het volgende:
Bij brief van 5 december 2023 heeft [eiser 2] – kort gezegd – wederom laten weten dat zij niets illegaals doet, dat alle producten die zij verhandelt op haar website staan, zodat ABN AMRO dat kan zien, en dat ABN AMRO haar ten onrechte heeft aangemerkt als growshop of smartshop. ABN AMRO heeft verder nog steeds niet concreet gemaakt over welke producten zij zorgen heeft, aldus [eiser 2] , en zij kan geen klantgegevens delen omdat dat in strijd is met de AVG.
Bij brieven van 23 januari 2024 heeft ABN AMRO (opnieuw) de klantrelatie met [eiser 2] en de [eiser 1] beëindigd, per 25 maart 2024, en heeft ABN AMRO meegedeeld dat de persoonsgegevens van [naam 1] , als UBO van [eiser 2] , voor een periode van vijf jaar worden opgenomen op de CAAML-lijst. De redenen voor de beëindiging van de relatie worden als volgt verwoord:
ABN AMRO heeft de beëindiging opgeschort in afwachting van de uitkomst van deze kortgedingprocedure.
3Het geschil
[eiser 2] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
ABN AMRO te veroordelen tot integrale continuering van de bancaire relatie met de [eiser 1] , op straffe van een dwangsom;
ABN AMRO te veroordelen zich te onthouden van het opnemen van de [eiser 1] op de CAAML-lijst voor de duur van vijf jaar, op straffe van een dwangsom;
ABN AMRO te veroordelen tot integrale continuering van de bancaire relatie met [eiser 2] , op straffe van een dwangsom;
ABN AMRO te veroordelen zich te onthouden van het opnemen van [eiser 2] op de CAAML-lijst voor de duur van vijf jaar, op straffe van een dwangsom;
ABN AMRO te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
ABN AMRO voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.
4De beoordeling
[eisers] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen, nu de vennootschappen dreigen te worden afgesloten van de bancaire voorzieningen, die essentieel zijn voor de bedrijfsvoering.
Een vordering tot voortzetting van een bankrelatie kan in kort geding worden toegewezen als voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van de rekeninghouder zal volgen en als van de rekeninghouder niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.
Op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) heeft de bank een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen.
De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd. Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de zorgplicht van de bank die zij bij haar dienstverlening in acht moet nemen (artikel 2 lid 1 ABV), waarin ook het belang van betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek; zie HR 10 oktober 2014, ECLl:NL:HR:2014:2929).
Anderzijds heeft de klant op grond van artikel 2 lid 2 ABV de (zorg)plicht eraan mee te werken dat de bank aan haar verplichtingen jegens (onder meer) toezichthouders kan voldoen en om geen misbruik van de bankdiensten te (laten) maken, bijvoorbeeld door middel van strafbare feiten of activiteiten die schadelijk zijn voor de bank of haar reputatie of die de werking en betrouwbaarheid van het financiële stelsel kunnen schaden.
ABN AMRO heeft vragen gesteld over de bedrijfsvoering van [eiser 2] . [eiser 2] heeft die vragen beantwoord en heeft documentatie verstrekt. ABN AMRO neemt geen genoegen met de verstrekte informatie. Het geschil tussen partijen lijkt echter niet zozeer te zien op aanvullende informatie die [eiser 2] zou moeten verstrekken, maar lijkt eerder principieel van aard.
ABN AMRO stelt zich op het standpunt dat [eiser 2] de facto een smartshop exploiteert, omdat zij handelt in geestverruimende en stimulerende natuurlijke middelen. ABN AMRO heeft vooral moeite met ‘producten die mogelijk kunnen worden gebruikt voor de productie van drugs’, en producten die in Nederland legaal zijn, maar in landen waarnaar [eiser 2] exporteert mogelijk niet. ABN AMRO stelt dat zij zich daarmee mogelijk schuldig maakt aan schuldwitwassen.
De casus die hier ter beoordeling voorligt vertoont gelijkenis met de gevallen die de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft beoordeeld in vonnissen van 15 juni 2023 (Dutch City Group/ABN AMRO) en 19 maart 2024 (Funcaps.nl/ING) en de voorzieningenrechter zal in lijn met deze vonnissen ook in dit geval oordelen dat de vorderingen van [eisers] moeten worden toegewezen en dat de bank de relatie met [eisers] (voorlopig) zal moeten voortzetten. In al deze gevallen verkopen de klanten van de bank – via een webshop – producten die in Nederland (nog) niet verboden zijn. Dutch City Group verkoopt onder meer sappen, vitamines, en research chemicals, ook via Funcaps.nl worden research chemicals verkocht. Deze research chemicals staan nog niet op lijst II van de Opiumwet, maar daartoe bestaan wel voornemens. [eiser 2] verkoopt via haar website honderden producten, waaronder kruiden, kruidenthee, super-foods, zaden, paddenstoelen natuurlijke supplementen en natuurlijke reukwaren. Dat ABN AMRO daar vragen over heeft is voorstelbaar. [eiser 2] heeft die vragen ook beantwoord.
ABN AMRO stelt allereerst dat zij onvoldoende inzicht heeft gekregen in de bedrijfsvoering van [eiser 2] waarbij kruiden worden verkocht die kunnen worden voor gebruikt voor het produceren van drugs. [eiser 2] stelt dat de producten die zij verkoopt volgens Nederlandse en internationale regelgeving mogen worden verkocht, maar dat zij niet kan garanderen dat de producten ook in alle landen mogen worden gekocht. Daarom staat op haar website een disclaimer waarin kopers erop worden gewezen dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het naleven van de regels in hun land. [eiser 2] levert enkel aan afnemers in Europa. Particuliere afnemers betalen voornamelijk giraal, er vinden slechts sporadisch (twee maal per maand) contante betalingen plaats. Zakelijke afnemers betalen ook met bitcoins. Het verdienmodel is gelegen in de marges op de producten. [eiser 2] koopt haar producten in bij vaste relaties en doet geen zaken (met partijen) in landen die op een sanctielijst van de Europese Commissie staan (zie 2.11). De bedrijfsvoering van [eiser 2] lijkt met de uitleg die zij heeft gegeven volstrekt duidelijk en daar is ook niets geheimzinnigs aan. De stelling van ABN AMRO dat zij onvoldoende inzicht heeft gekregen in de bedrijfsvoering snijdt dan ook geen hout.
ABN AMRO heeft niet nader concreet gemaakt over (de handel in) welke producten zij zich concreet ‘zorgen maakt’, anders dan dat kruiden worden verkocht die kunnen worden voor gebruikt voor het produceren van drugs. Pas in deze procedure heeft ABN AMRO een lijst overgelegd met enkele kruiden, waarvan de effecten volgens haar vergelijkbaar zijn met LSD en (andere) tripmiddelen (overigens staat op deze lijst ook melatonine vermeld, dat in iedere drogist verkrijgbaar is). Dat is onvoldoende. [eiser 2] stelt dat alle producten die zij verhandelt te vinden zijn op haar website en ABN AMRO heeft de stelling dat die producten niet onder de Opiumwet vallen, niet weersproken. Ook is niet gesteld of gebleken dat er op dit moment enige concrete indicatie is (anders dan het geval was bij de research chemicals van Funcaps.nl) dat (een van) de producten die [eiser 2] aanbiedt op (korte) termijn wel onder de Opiumwet zullen vallen of anderszins verboden zullen worden in Nederland. De “volledig leesbare facturen” waar ABN AMRO om heeft gevraagd, heeft zij niet nodig om dit te kunnen controleren. Vooralsnog zijn er immers geen aanwijzingen dat [eiser 2] ook andere producten verkoopt dan die welke op haar website staan.
ABN AMRO heeft voorts aangevoerd dat producten die [eiser 2] verhandelt mogelijk wel in strijd zijn met buitenlandse wetgeving. De bank stelt dat zij hierdoor niet kan uitsluiten dat de producten (bedoeld of onbedoeld) oneigenlijk en/of onrechtmatig worden gebruikt en noemt concreet dat het risico bestaat dat de producten van de bank (rekeningen van [eisers] ) worden gebruikt voor schuldwitwassen. Ook hierin wordt de bank niet gevolgd. Allereerst is het enkele feit dat een onderneming in een risicovolle branche werkzaam is, onvoldoende om aan te nemen dat ‘dus’ een onaanvaardbaar risico op schuldwitwassen bestaat. De vergelijking met coffeeshops dringt zich op. Bovendien lijkt [eisers] in dit verband terecht te wijzen op het territorialiteitsbeginsel. Schuldwitwassen is alleen aan de orde als het gronddelict ook naar Nederlands recht strafbaar is. De producten die [eiser 2] verhandelt staan niet op de lijst behorende bij de Opiumwet, en het op voorraad hebben of verkopen of exporteren daarvan is dus naar Nederlands recht niet strafbaar. [eiser 2] handelt dus niet strafbaar (naar Nederlands recht), en ABN AMRO loopt daarom ook niet het risico om zich schuldig te maken aan schuldwitwassen, althans heeft onvoldoende toegelicht waarom dat toch het geval zou zijn. Onder deze omstandigheden kan van [eiser 2] niet worden verwacht dat zij controleert of haar buitenlandse afnemers mogelijk in strijd met het recht in dat betreffende land handelen. Los daarvan is het ook de vraag of dat praktisch gezien van [eiser 2] kan worden verwacht en hoe ABN AMRO het screeningsbeleid van afnemers – waar zij steeds naar heeft gevraagd – voor zich ziet.
ABN AMRO heeft al met al geen concrete bezwaren tegen [eisers] en haar bedrijfsvoering naar voren gebracht. De vraagtekens die ABN AMRO zet bij de producten die [eiser 2] verkoopt zijn ook weinig concreet. Bij lezing van het dossier komt dan ook de vraag op of ABN AMRO eigenlijk überhaupt geen zaken wil doen met bedrijven die zij als smartshop beschouwt. Als dat zo is, kan dat de opzegging niet rechtvaardigen. Dat lijkt, anders dan de bank heeft betoogd, op een categorale uitsluiting en is niet toegestaan.
Het voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat voor de bank geen verplichting bestond (of bestaat) om de relatie met [eisers] te beëindigen en dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. ABN AMRO heeft vele vragen gesteld en [eisers] heeft die allemaal beantwoord. De bank is kennelijk niet tevreden met die antwoorden en blijft de vragen herhalen. Op die manier is voor [eisers] niet duidelijk wat de bank van haar verwacht en of zij überhaupt aan de informatieverzoeken kan voldoen, waarmee de bank onzorgvuldig heeft gehandeld. Het belang van [eisers] bij continuering van de bankrelatie is groot, nu zij daarvan voor haar bedrijfsvoering afhankelijk is. Zij heeft geen andere bankrekening. Dit belang gaat gelet op het voorgaande voor het belang van ABN AMRO bij beëindiging van de bankrelatie. De vorderingen zullen worden toegewezen.
Het opleggen van dwangsommen is niet nodig, nu ABN AMRO heeft toegezegd aan een veroordelend vonnis te zullen voldoen en er geen aanleiding is te veronderstellen dat zij zich niet aan deze toezegging zal houden.
ABN AMRO zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:
– dagvaarding € 112,37
– griffierecht 688,00
– salaris advocaat 1.107,00
Totaal € 1.907,37
De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt ABN AMRO tot integrale continuering van de bancaire relatie met [eiser 2] en de [eiser 1] ,
verbiedt ABN AMRO [eiser 2] en/of de [eiser 1] op te nemen op de CAAML-lijst,
veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.907,37, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt ABN AMRO in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 178,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. L. Oostinga, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2024.
Voetnoten
- ECLI:NL:RBAMS:2023:3732
- ECLI:NL:RBAMS:2024:1545, JOR 2024/172 met noot mr. A.J. Haasjes
- Zie toelichting bij Richtlijn 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van witwassen van geld Pb EUL284/2, Staatscourant 2020, 59753, artikel 3, derde lid, onderdeel c, en de website van het Anti Money Laundry Center van de Nederlandse overheid Gronddelicten en witwassen in het buitenland: vraag uit de praktijk | AMLC, waarin wordt verwezen naar de International Standards on Combating Money Laundering and the Financing of Terrorism & Proliferation – the FAFT Reccomendations, Interpretative note to Recommendation 3 onder 5
- type: LO
coll:
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...