ECLI:NL:RBAMS:2025:2313 Rechtbank Amsterdam , 09-04-2025 / 25/2115
Vovo. College heeft in dit geval de regiobindingseis voor de toelating tot de noodopvang in dit geval consistent toegepast. Op zitting is pas duidelijk geworden dat de aanvraag om maatschappelijke opvang is afgewezen. Voorzieningenrechter kan niet vaststellen of verzoekers recht hebben op maatschappelijk opvang. Hier moet een nadere beoordeling voor plaats vinden in de bezwaarfase. Voorzieninge...
15 min de lecture · 3 264 mots
Inhoudsindicatie. Vovo. College heeft in dit geval de regiobindingseis voor de toelating tot de noodopvang in dit geval consistent toegepast. Op zitting is pas duidelijk geworden dat de aanvraag om maatschappelijke opvang is afgewezen. Voorzieningenrechter kan niet vaststellen of verzoekers recht hebben op maatschappelijk opvang. Hier moet een nadere beoordeling voor plaats vinden in de bezwaarfase. Voorzieningenrechter heeft op grond van IVRK ook rekening te houden met de belangen van de kinderen van verzoekers. Verzoek wordt toegewezen en verzoekers en hun kinderen krijgen opvang tot zes weken na de bob.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2115
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2025 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. M. Harder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekers om toegelaten te worden tot de noodopvang en maatschappelijke opvang. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en zijn tegen de afwijzing in rechte opgekomen met een beroep wat de rechtbank aanmerkt als bezwaar, met daarbij een verzoek om een voorlopige voorziening. Zij voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek (deels) toe, in die zin dat voor dit specifieke geval bevolen wordt dat het college voor opvang van verzoekers en hun kinderen moet zorgen tot zes weken na de beslissing op bezwaar, waarbij uitdrukkelijk geldt dat verzoekers en hun kinderen niet op grond van deze beslissing tot de noodopvang of maatschappelijke opvang toegelaten behoeven te worden, maar dat het college wel in een andere vorm van kindveilige opvang moet voorzien, niet zijnde nachtopvang, zoals bijvoorbeeld plaatsing in [een hotel] . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekers hebben zich gemeld bij het college met een verzoek om opvang omdat zij op 19 maart 2025 dakloos zijn geworden. Bij brief van 21 maart 2025 is de melding herhaald en verzocht om onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening aan te bieden op grond van artikel 2.3.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
Bij brief van 25 maart 2025 hebben verzoekers een ingebrekestelling verzonden. Verzoekers hebben op 28 maart 2025 een beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft de aanvraag om toegelaten te worden tot de noodopvang met het besluit van 3 april 2025 afgewezen, omdat niet alle leden van het gezin de afgelopen vier jaar in Amsterdam hebben gewoond en er een alternatief is om dakloosheid op te heffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechter in een kindgesprek apart met [kind 1] (18 jaar) en [kind 2] (13 jaar), de zoon en dochter van verzoekers, gesproken.
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat het college met een besluit van 3 april 2025 de aanvraag van verzoekers om maatschappelijke opvang heeft afgewezen, omdat het gezin primair een huisvestingsvraag heeft en voldoende zelfredzaam wordt geacht. Het college heeft dit besluit voorafgaande aan de zitting niet bekendgemaakt aan verzoekers of aan de voorzieningenrechter. Met partijen is op zitting besproken dat het door verzoekers ingediende beroep niet tijdig beslissen op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan het college wordt doorgezonden als bezwaar tegen beide besluiten van 3 april 2025, zowel de afwijzing om toegelaten te worden tot de noodopvang als de afwijzing van de maatschappelijke opvang. Het verzoek om een voorlopige voorziening acht de voorzieningenrechter hangende aan het bezwaar van verzoekers tegen de twee besluiten van 3 april 2025.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Voorgeschiedenis
3. Verzoekers woonden met hun twee kinderen in Suriname. Op 28 mei 2022 is de heer [verzoeker 1] (verzoeker) met zijn dochter [kind 2] naar Nederland gekomen om haar paspoort te vernieuwen. Zij verbleven toen bij zijn zus in Amsterdam. Na twee weken kreeg verzoeker en beroerte en kon hij niet terug vliegen naar Suriname. Zijn vrouw, [verzoekster] (verzoekster), is toen met zoon [kind 1] op 4 juli 2022 naar Nederland gekomen om voor verzoeker te zorgen en om met het gezin bij elkaar te zijn. Verzoekers hebben sindsdien op verschillende plekken tijdelijk verbleven bij familie en/of vrienden, onder andere in België, en Zaandam.
Verzoekers hebben met [kind 2] tijdelijk kunnen verblijven bij de oudste dochter van verzoeker in Zaandam. Hier verbleven zij met tien personen in een woning. [kind 1] is een tijd opgevangen bij een familiekennis in Almere, terwijl de rest van het gezin in Zaandam verbleef. Verzoekers hebben de gemeente Zaanstad in de periode 2023 – 2024 verzocht om een tijdelijke maatwerkvoorziening dan wel (maatschappelijke) opvang op grond van de Wmo 2015. De gemeente Zaanstad heeft dit afgewezen omdat verzoekers voldoende zelfredzaam zijn gebleken. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft in haar uitspraak van 2 mei 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat van feitelijke dakloosheid van verzoekers en hun kinderen geen sprake is en de beslissing van de gemeente Zaanstad niet evident onrechtmatig is.
De afgelopen tijd konden verzoekers met hun kinderen tijdelijk inwonen in Amsterdam bij de zus van verzoeker. De zus van verzoeker is dementerende en kreeg onverwachts een beroerte. Hierdoor is de zus van verzoeker uit huis geplaatst naar een verzorgingsinstelling en kwamen verzoekers met hun kinderen onverwachts op straat te staan. Verzoekers hebben met hun kinderen één nacht op straat doorgebracht. Het buurtteam van Amsterdam heeft direct noodopvang verzocht bij de GGD, welk verzoek telefonisch is afgewezen. Vervolgens hebben verzoekers zich nogmaals bij de GGD gemeld met een aanvraag voor noodopvang en maatschappelijke opvang. Het buurtteam heeft toen kortdurend een hostel bekostigd voor verzoekers en hun kinderen tot 25 maart 2025. Vervolgens heeft het buurtteam voor tien dagen een plek gereserveerd op [een camping] tot 4 april 2025. De afgelopen nachten kon het gezin tijdelijk overnachten bij de mentor van [kind 2] in Zaandam. Verzoekers hebben voor de komende nachten geen opvangplek meer.
Overwegingen
4. In verband met de situatie van het gezin, hebben verzoekers in Amsterdam om noodopvang en maatschappelijke opvang verzocht.
Noodopvang
5. Verzoekers voeren aan dat ondanks dat het gezin niet voldoet aan de eis van vier jaar inschrijving, het toch nodig is dat zij worden toegelaten tot de noodopvang. Dit is het enige redmiddel tegen het daadwerkelijk op straat verblijven met een minderjarig kind. Dit is al één nacht gebeurd. Indien het college niet ingrijpt, dan komt het gezin direct in een acute noodsituatie. In dat geval vraagt Veilig Thuis de Raad voor de Kinderbescherming om [kind 2] uit huis te plaatsen. Als het college geen noodopvang biedt, levert dat volgens verzoekers ernstige mensenrechtenschendingen op. Verzoekers verwijzen hiervoor naar onder andere artikel 8 EVRM en de artikelen 3, 6 en 9 IVRK.
Noodopvang voor dakloze gezinnen is geen algemene voorziening op grond van de Wmo, maar buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet toetsen of het college het beleid consistent heeft toegepast en of de fundamentele rechten van in dit geval verzoekers of hun kinderen niet zijn geschonden. Het college heeft in het beleid de toegang tot noodopvang beperkt tot Amsterdamse gezinnen die in ieder geval vier jaar in Amsterdam hebben gewoond (de regiobindingseis) en die feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden. Het doel van de noodopvang is om deze Amsterdamse gezinnen een plek te geven van waaruit zij mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken. Zij krijgen opvang voor de maximale duur van drie maanden, als zij aan de regiobindingseis voldoen en actief op zoek zijn naar woningen in of buiten Amsterdam. De achtergrond van de regiobindingseis is dat de noodopvang beschikbaar blijft voor mensen die een binding hebben met Amsterdam. Zo wordt voorkomen dat gezinnen de noodopvang gebruiken als een manier om zich te vestigen in Amsterdam.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college het beleid met betrekking tot de regiobindingseis voor toelating tot de noodopvang voor gezinnen in dit geval consistent heeft toegepast. Verzoekers voldoen niet aan het vereiste van regiobinding, omdat het gezin pas sinds 2022 in Nederland verblijft en nog geen één jaar in de Basisregistratie Personen (BRP) in Amsterdam staan ingeschreven. De voorzieningenrechter gaat bij de belangenafweging verder in op de vraag of de rechten van verzoekers en hun kinderen al dan niet zijn geschonden.
Maatschappelijke opvang
6. Het college is naar aanleiding van een verzoek om maatschappelijke opvang gehouden om allereerst voldoende kennis te vergaren over de, voor het nemen van een besluit in het kader van de Wmo 2015, van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Vervolgens moet een besluit genomen worden aan de hand van een stappenplan, waarbij in de eerste plaats onderzocht wordt wat de hulpvraag is en vervolgens gekeken wordt of er een probleem is ten aanzien van – kort gezegd – de zelfredzaamheid. Daarbij dient verweerder ook de belangen van de kinderen te betrekken, in die zin dat in ieder geval bekeken moet worden of verzoekers intrinsiek in staat zijn verantwoordelijkheid te nemen voor die belangen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank van 3 juni 2024, ook wat betreft hetgeen daarin is overwogen over de verplichtingen die uit het IVRK voortvloeien.
De voorzieningenrechter constateert in dit verband dat het screeningsverslag van de GGD met betrekking tot de aanvraag voor maatschappelijke opvang kort voorafgaand aan de zitting naar de rechtbank is toegezonden door de gemachtigde van het college. De voorzieningenrechter en de gemachtigde van verzoekers hebben geen tijd gehad om van het screeningsverslag kennis van te nemen. Op zitting is pas duidelijk geworden dat het college met het besluit van 3 april 2025 de aanvraag van verzoekers om maatschappelijke opvang heeft afgewezen en dat deze afwijzing gebaseerd is op het negatieve advies van de GGD. Ook van dit besluit hebben de voorzieningenrechter en de gemachtigde van verzoekers geen kennis kunnen nemen, omdat het niet voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank en aan de gemachtigde van verzoekers is toegezonden. De voorzieningenrechter kan gelet op het voorgaande in deze procedure niet vaststellen of verzoekers recht hebben op maatschappelijke opvang. Nu het bij de rechtbank ingestelde beroep wordt doorgezonden aan het college als bezwaar, kan er in de bezwaarfase een nadere beoordeling plaats vinden van de vraag of verzoekers al dan niet recht hebben op maatschappelijke opvang.
Belangenafweging
7. Verzoekers voeren aan dat het college niet heeft gekeken naar de belangen van [kind 2] en [kind 1] , die al enkele jaren van de ene naar de andere plek gaan. [kind 1] is langdurig gescheiden geweest van het gezin, waardoor hij ging spijbelen en in de verkeerde kringen terecht kwam. [kind 1] kwam in beeld bij de politie en heeft uiteindelijk een straf opgelegd gekregen met daaraan gekoppeld de maatregel hulp en steun, nadat hij in een gevecht kwam tijdens Koningsdag. [kind 2] heeft school als stabiele factor weten te behouden, ondanks het verblijf her en der en de daarmee gepaard gaande onrust. Door de acute dakloosheid en angst voor de uithuisplaatsing van [kind 2] zijn verzoekers wanhopig. Het gezin heeft hulp nodig, omdat verzoekers het niet alleen kunnen. Het gezin is aangemeld bij Stichting MEE omdat er een vermoeden is dat verzoekers onvoldoende (cognitief) in staat zijn om overzicht te houden over de problemen waarmee zij zich geconfronteerd zien.
De voorzieningenrechter constateert dat op de zitting van maandagmiddag 7 april 2025 een situatie is ontstaan waarbij niet kan worden vastgesteld dat verzoekers en hun kinderen vanaf de avond van 8 april 2025 nog opvang zullen hebben. Ook de voorzieningenrechter heeft op grond van de bepalingen zoals opgenomen in het IVRK rekening te houden met de belangen van de kinderen van verzoekers. De voorzieningenrechter ziet zich in dit verband geconfronteerd met voldongen feiten en acht het noodzakelijk dat voorkomen wordt dat verzoekers met hun kinderen per direct op straat komen te staan, met alle mogelijke gevolgen voor het gezin, waaronder uitdrukkelijk ook de mogelijkheid dat [kind 2] via een spoeduithuisplaatsing van haar ouders en haar broer gescheiden wordt. Het komt de voorzieningenrechter voor dat dit niet in het belang van [kind 2] zal zijn, omdat het gezin op grond van de stukken imponeert als hecht en uit de brief van de juf en meester van [kind 2] duidelijk naar voren komt dat verzoekers goed voor [kind 2] zorgen en zeer betrokken zijn bij haar schoolgang.
Verzoekers bevinden zich nu feitelijk in Amsterdam. Verzoekers maken een kwetsbare, wanhopige indruk en staan nu in feite op straat met hun kinderen. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen, in die zin dat voor dit specifieke geval bevolen wordt dat het college voor opvang van verzoekers en hun kinderen moet zorgen tot zes weken na de beslissing op bezwaar, waarbij uitdrukkelijk geldt dat verzoekers en hun kinderen niet op grond van deze beslissing tot de noodopvang of maatschappelijke opvang toegelaten hoeven te worden. De gemeente moet wel in andere kindveilige opvang voorzien, niet zijnde nachtopvang. De verplichting van de gemeente tot het verzorgen van opvang geldt uitsluitend voor zover niet op een andere wijze in opvang voor verzoekers en hun kinderen kan worden voorzien.
Ter zitting is in dit verband besproken dat verzoekers met hun kinderen wellicht terecht kunnen in [een hotel] in Amsterdam . Tevens ligt in de rede dat door beide partijen hulp wordt gezocht van derde hulpverlenende instanties, waaronder mogelijk het Buurtteam, Stichting MEE, de GGD, en wellicht ook het doorbraakteam van de gemeente. Stichting MEE en het Buurteam kunnen wellicht ook geconsulteerd worden in het kader van het onderzoek naar de zelfredzaamheid van verzoekers en de belangen van de kinderen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat voor dit specifieke geval bevolen wordt dat het college voor kindveilige opvang, niet zijnde nachtopvang, van verzoekers en hun kinderen moet zorgen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarom krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
– wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat voor dit specifieke geval bevolen wordt dat het college voor kindveilige opvang, niet zijnde nachtopvang, van verzoekers en hun kinderen moet zorgen tot zes weken na de beslissing op bezwaar, waarbij uitdrukkelijk geldt dat verzoekers en hun kinderen niet op grond van deze beslissing tot de noodopvang of maatschappelijke opvang toegelaten behoeven te worden en dat de verplichting tot het verzorgen van opvang uitsluitend geldt voor zover niet op een andere wijze in opvang voor verzoekers en hun kinderen kan worden voorzien;
– bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan verzoekers moet vergoeden;
– veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Genomen op 8 april 2025 en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
9 april 2025
Beste [kind 1] en [kind 2] ,
Op 7 april 2025 hebben wij met elkaar gepraat in de rechtbank Amsterdam. Wat goed van jullie dat jullie naar de rechtbank zijn gekomen en ons hebben verteld wat jullie vinden van de zaak van jullie ouders.
Aan het einde van ons gesprek hebben we samen afgesproken dat wij jullie zou laten weten wat onze beslissing is. Daarom schrijven wij jullie nu deze brief.
Nadat wij samen hadden gepraat, was de rechtszitting. Toen heb ik samen met mijn assistent gepraat met jullie ouders, de advocaat van jullie ouders en de meneer van de gemeente. Op de zitting heb ik verteld wat wij samen hadden besproken, namelijk dat jullie graag een eigen huis willen voor jullie gezin. Jullie ouders, de advocaat van jullie ouders en de meneer van de gemeente hebben toen ook verteld wat zij vinden van de situatie. Jullie ouders hebben de gemeente gevraagd om een plek in de noodopvang of de maatschappelijke opvang. Na de zitting heb ik samen met mijn assistent nagedacht over onze beslissing.
Onze beslissing is dat de gemeente jullie ouders geen plek in de noodopvang hoeft te geven omdat de noodopvang er echt alleen is voor mensen die al vier jaar in Amsterdam wonen en toen acuut dakloos zijn geworden. Wel moet de gemeente jullie voorlopig opvang bieden op een andere plek, bijvoorbeeld [een hotel] , zodat jullie in ieder geval voorlopig een dak boven jullie hoofd hebben en als gezin bij elkaar kunnen blijven. Die opvang moet er blijven zolang de rechtszaak nog loopt over het verzoek om maatschappelijke opvang. De maatschappelijke opvang is voor mensen die het echt niet zelf lukt om een eigen huis te vinden. De advocaat van jullie ouders vindt dat jullie recht hebben op maatschappelijke opvang, de gemeente vindt op dit moment van niet, omdat de gemeente denkt dat jullie ouders zelf een huis kunnen regelen. De rechtszaak hierover is nog niet klaar.
Dit betekent dat er op dit moment wel opvang komt voor jullie zolang de zaak over de maatschappelijke opvang nog niet klaar is, maar nog geen eigen huis.
Wij hebben goed geluisterd naar wat jullie belangrijk vinden. Jullie willen graag een eigen huis waarin jullie samen kunnen zijn als gezin en gezellige dingen kunnen doen. Dat kan nu nog niet. Wij snappen heel goed dat dit moeilijk is. De gemeente zou ook het liefst iedereen die graag een huis wil, willen helpen. Er zijn alleen maar weinig huizen vrij en daarom kan de gemeente niet iedereen helpen.
Wij hopen dat het voor jullie zo duidelijk is wat wij hebben beslist, en waarom we die beslissing hebben genomen.
Verder hopen wij dat het goed met jullie zal gaan en dat het jullie ouders gaat lukken om een eigen huis voor jullie gezin te vinden, eventueel met hulp van de gemeente.
Groetjes,
De rechter: Dana Baldinger
De assistent: Gabriela dos Santos ‘t Hoen
Voetnoten
- In de bijlage bij deze uitspraak heeft de rechtbank de brief gevoegd die gelijktijdig met de uitspraak aan [kind 1] en [kind 2] is verstuurd.
- Uitspraak van de vzn. van de rechtbank Noord-Holland van 2 mei 2024, zaaknummer: HAA 24/1395.
- Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
- Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
- Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1154.
- Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam, juli 2024.
- Zie de uitspraak van deze rechtbank van 3 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3170.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...