ECLI:NL:RBAMS:2025:3715 Rechtbank Amsterdam , 04-06-2025 / 25/3086
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op een verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen een kapvergunning. De voorzieningenrechter neemt zijn beslissing op basis van een belangenafweging. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de belangen van verzoekster in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van vergunninghouder en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daa...
5 min de lecture · 1 084 mots
Inhoudsindicatie. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op een verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen een kapvergunning. De voorzieningenrechter neemt zijn beslissing op basis van een belangenafweging. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de belangen van verzoekster in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van vergunninghouder en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom toe.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3086
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. S.O. Vos).
Als belanghebbende heeft deelgenomen: [vergunninghouder] , uit Amsterdam, vergunninghouder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om voorlopige voorziening tegen een vergunning voor het kappen van twee bomen. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de belangen van verzoekster in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van vergunninghouder. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter. Dit betekent dat, als beroep wordt ingesteld tegen de nog te nemen beslissing op bezwaar, de rechtbank niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter is gebonden.
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster woont op de [adres 1] in Amsterdam. Op 1 april 2025 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van twee bomen in de achtertuin van de woning aan de [adres 2] in Amsterdam.
3. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar partner. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] , bomendeskundige. Vergunninghouder is niet verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Voordat de voorzieningenrechter inhoudelijk op het verzoek in kan gaan, moet aan twee vereisten zijn voldaan. Het eerste vereiste is dat verzoekster een belang heeft bij het tegengaan van de kap van de bomen. Het tweede vereiste is dat sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter kan het verzoek alleen in behandeling nemen als aan beide vereisten is voldaan.
Heeft verzoekster belang bij het tegengaan van de kap van de bomen?
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een belang heeft bij het tegengaan van de kap van de bomen. Verzoekster heeft vanuit haar woning namelijk direct zicht op de bomen. Dat is voldoende om in dit geval een belang aan te nemen.
Is sprake van een spoedeisend belang?
6. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Vergunninghouder heeft namelijk toegezegd dat hij bereid is te wachten met het kappen van de bomen tot de uitspraak van de voorzieningenrechter, maar niet tot op het bezwaar is beslist. Daarnaast is het kappen van de bomen onomkeerbaar.
7. Dit betekent dat aan beide vereisten is voldaan en de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk zal behandelen. De voorzieningenrechter zal door middel van een belangenafweging op het verzoek beslissen. De voorzieningenrechter weegt hierbij de belangen van verzoekster af tegen de belangen van vergunninghouder.
Belangenafweging
8. Verzoekster heeft in haar bezwaarschrift onder meer toegelicht dat de bomen in belangrijke mate bijdragen aan natuurlijke schaduw in de binnentuin en aangrenzende woningen. De kap van de bomen leidt tot verhoogde hittestress in de zomermaanden, juist in een dichtbebouwde omgeving waar vergroening essentieel is voor het leefklimaat. De bomen zijn prominent zichtbaar vanaf meerdere omliggende woningen en de openbare weg. Ze dragen aantoonbaar bij aan de groene en esthetische waarde van het straatbeeld en leveren een positieve bijdrage aan de leefbaarheid. Daarbij is volgens verzoekster niet gebleken van een spoedeisend veiligheidsrisico.
9. Vergunninghouder heeft in zijn aanvraag aangegeven dat een van de bomen bijna tegen de aanbouw van het buurpand aanhangt en de andere boom scheef staat. De bomen hebben geen diepe worteling en vergunninghouder is daarom bang dat de bomen op een gegeven moment omwaaien met alle schade van dien.
10. Al deze belangen in aanmerking genomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoekster bij schorsing van de vergunning in dit geval zwaarder wegen dan die van vergunninghouder. De voorzieningenrechter neemt hierbij allereerst in aanmerking dat de kap van de bomen onomkeerbaar is. Het college heeft op de zitting toegelicht voor het zomerreces een beslissing te kunnen nemen op het bezwaar van verzoekster. De hoorzitting zal (naar alle waarschijnlijkheid) plaatsvinden op 10 juni 2025. Het is de voorzieningenrechter verder niet gebleken dat de bomen op korte termijn een reëel gevaar vormen en voor het nemen van de beslissing op bezwaar moeten worden gekapt. Op de zitting heeft de door het college ingeschakelde bomendeskundige namelijk toegelicht dat de boom die vlakbij de aanbouw van het buurpand in kwestie staat, niet op omvallen staat. Daarnaast heeft hij toegelicht dat de bomen nu geen spoedeisend veiligheidsrisico opleveren.
Conclusie
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst de vergunning tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat vergunninghouder de bomen niet mag kappen tot zes weken nadat het college op het bezwaar van verzoekster heeft beslist. De voorzieningenrechter ziet aanleiding hierbij op te merken dat de Bomenverordening Amsterdam 2014 het college verplicht om, bij het al dan niet verlenen van een vergunning voor het kappen van bomen, een belangenafweging te maken van alle betrokken belangen. Het gaat hierbij om zowel de belangen die de aanleiding voor de aanvraag vormen, als de belangen tot behoud van de bomen. De belangenafweging zoals het college die in de vergunning heeft gemaakt, is (erg) summier. De voorzieningenrechter geeft het college daarom mee in de te nemen beslissing op bezwaar ook de belangen te betrekken die verzoekster in haar bezwaarschrift uiteen heeft gezet.
12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
schorst de vergunning voor het kappen van de bomen tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...