ECLI:NL:RBAMS:2025:7076 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2025 / AWB 24/3888

De minister heeft het verzoek om overname van de schuld afgewezen, omdat deze niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. De rechtbank is het hier niet mee eens. Het gaat er namelijk om dat de schuld al vóór 1 juni 2021 kon worden opgeëist en dat was het geval. Verweerder zegt dat er een ander opeisbaarheidscriterium is in de Wht, maar de rechtbank is het daar niet mee eens. In het recht geldt één en ...

Source officielle

6 min de lecture 1 266 mots

Inhoudsindicatie. De minister heeft het verzoek om overname van de schuld afgewezen, omdat deze niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. De rechtbank is het hier niet mee eens. Het gaat er namelijk om dat de schuld al vóór 1 juni 2021 kon worden opgeëist en dat was het geval. Verweerder zegt dat er een ander opeisbaarheidscriterium is in de Wht, maar de rechtbank is het daar niet mee eens. In het recht geldt één en hetzelfde criterium. De minister dient de schuld van € 5.000 dient over te nemen.

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 24/3888

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

11 maart 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Bozia),

en

de minister van Financiën (voorheen de Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag tot terugbetaling van haar schuld.

De Sociale Banken Nederland (SBN) heeft deze aanvraag namens verweerder met het besluit van 29 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Verder was aanwezig [partner] , de partner van eiseres.

Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht).

3. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een schuld van € 5.000 aan [benadeelde] aangemeld bij SBN. Verweerder heeft geweigerd de schuld over te nemen omdat deze niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021.

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de schuld terecht niet heeft overgenomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

5. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

6. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

7. Verweerder heeft het verzoek om overname van de schuld afgewezen omdat deze niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Het gaat om een schuld die is ontstaan doordat een huurder van eiseres, [benadeelde] , te veel huur heeft betaald, dat heeft de huurcommissie op 3 mei 2021 vastgesteld. Door die vaststelling heeft de huurder een vordering uit onverschuldigde betaling gekregen op eiseres. Die schuld kon meteen vanaf de datum van de uitspraak van de huurcommissie worden opgeëist. Dat was vóór 1 juni 2021. De rechtbank is het niet eens met verweerder dat de vordering niet opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021. Dat er voor opeisbaarheid een executoriale titel moet zijn,dat er incassomaatregelen moeten hebben plaatsgevonden of dat de schuld moet zijn opgeëist, is de rechtbank niet met verweerder eens. Wat er later op de zitting bij de kantonrechter is gebeurd en dat de schuld pas later echt is opgeëist, maakt geen verschil. Het gaat er namelijk om dat de schuld al vóór 1 juni 2021 kon worden opgeëist door de huurder. Verweerder zegt dat er een ander opeisbaarheidscriterium is in de Wht, maar de rechtbank is het daar niet mee eens. In het recht geldt één en hetzelfde criterium.

8. Nu verweerder op de zitting heeft verklaard dat hij eiseres niet tegenwerpt dat een notariële akte of een rechterlijk uitspraak ontbreekt, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat verweerder de schuld aan de huurder van € 5.000 dient over te nemen.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647 en eiseres heeft in bezwaar gevraagd om een vergoeding van haar kosten. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde van eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend en de hoorzitting in bezwaar bijgewoond. Verder heeft zij ook een beroepschrift ingediend en de zitting in beroep bijgewoond. De proceskostenvergoeding bedraagt daarom in totaal € 3.108.

10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:

– verklaart beroep gegrond;

– vernietigt het besluit van 30 mei 2024;

– herroept het besluit van 29 november 2023;

– bepaalt dat verweerder de schuld aan [benadeelde] van € 5.000 overneemt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

– bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51 aan eiseres moet vergoeden;

– veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.108 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025 door

mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Koning, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 4.1

1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.

2. De geldschulden die worden overgenomen:

a. zijn ontstaan na 31 december 2005;

b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en

c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:

a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;

b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;

[…]


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.