ECLI:NL:RBAMS:2025:8547 Rechtbank Amsterdam , 24-10-2025 / 11824914
Toewijzing ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst op de e-grond. Feiten en omstandigheden onvoldoende om ernstig verwijtbaar handelen aan te nemen.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Toewijzing ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst op de e-grond. Feiten en omstandigheden onvoldoende om ernstig verwijtbaar handelen aan te nemen.
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11824914 \ EA VERZ 25-886
Beschikking van 24 oktober 2025
in de zaak van
UNIVERSTEIT LEIDEN,
gevestigd te Leiden,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Universiteit Leiden,
gemachtigde: mr. J.P.R. Vos,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.
1Verloop van de procedure
Op 21 juli 2025 heeft Universiteit Leiden een verzoekschrift met bijlagen ingediend bij de rechtbank in Den Haag.
De kantonrechter in Den Haag heeft de zaak in een beschikking van 25 juli 2025 verwezen naar de kantonrechter in Amsterdam.
Er is een zitting gepland op 7 oktober 2025. Deze zitting is op verzoek van [verweerder] uitgesteld.
De kantonrechter heeft het verzoek mondeling behandeld op de zitting van 14 oktober 2025. Voor Universiteit Leiden waren [naam 1] en [naam 2] daarbij aanwezig, met de gemachtigde. Universiteit Leiden heeft haar standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Daarna is beschikking gevraagd en is daarvoor een datum bepaald.
Zeer kort voor de zitting heeft [verweerder] verzocht de mondelinge behandeling opnieuw uit te stellen. Het verzoek is afgewezen.
2De feiten
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1985, is sinds 1 augustus 2017 in dienst bij Universiteit Leiden. De functie van [verweerder] is Medewerker Student Support Services, met een loon van € 1.641,03 bruto per maand.
Op grond van de toepasselijke cao (CAO Nederlandse Universiteiten) is de opzegtermijn drie maanden.
3Het verzoek en het verweer
Universiteit Leiden verzoekt, in een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is:
I. de arbeidsovereenkomst tussen Universiteit Leiden en [verweerder] te ontbinden,
– primair op grond van verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e Burgerlijk Wetboek (BW).
– subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsrelatie in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW;
– meer subsidiair op grond van disfunctioneren in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub d BW;
– uiterst subsidiair op grond van een combinatie van bovengenoemde redenen;
II. bij het bepalen van de ontbindingsdatum, geen rekening te houden met de opzegtermijn van [verweerder] en de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke datum te ontbinden (primair), dan wel bij het bepalen van de ontbindingsdatum rekening te houden met de duur van de procedure (subsidiair);
III. te bepalen dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , waardoor hij geen recht heeft op een transitievergoeding of additionele vergoeding;
IV. te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op een billijke vergoeding;
V. veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
Bij de beoordeling wordt – voor zover van belang – inhoudelijk op het standpunt van Universiteit Leiden ingegaan.
[verweerder] heeft geen verweer gevoerd.
4Gronden van de beslissing
Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen. Universiteit Leiden stelt (onderbouwd) dat [verweerder] stelselmatig onbereikbaar is, hij gesprekken met zijn leidinggevende weigert, werkafspraken niet nakomt, afwezig is bij overleggen en zich geregeld op een nare manier uitlaat tegenover collega’s. Universiteit Leiden stelt dat zij [verweerder] langdurig en herhaaldelijk op zijn gedrag heeft aangesproken, maar dat verandering is uitgebleven. Ook na een nieuwe kans onder een nieuwe leidinggevende heeft [verweerder] zijn gedrag niet aangepast. [verweerder] is ook onbereikbaar voor Universiteit Leiden. [verweerder] heeft voorgaande niet bewist. De kantonrechter is van oordeel dat dit gedrag van [verweerder] kan worden aangemerkt als verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Daarmee is sprake van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Gelet op voorgaande ligt herplaatsing van [verweerder] niet in de rede.
Van ernstig verwijtbaar handelen is de kantonrechter echter niet gebleken. Het is vaste rechtspraak dat daarvan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is. Het door Universiteit Leiden gestelde is onvoldoende om te voldoen aan die hoge lat. Dat betekent dat [verweerder] op grond van artikel 7:673 BW recht heeft op de wettelijke transitievergoeding. De vorderingen onder III zullen worden afgewezen.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 december 2025. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van de procedure, met dien verstande dat ten minste één maand resteert.
Universiteit Leiden heeft verzocht om te bepalen dat [verweerder] geen billijke vergoeding toekomt. Nu [verweerder] geen billijke vergoeding heeft verzocht, heeft Universiteit Leiden geen belang bij dit verzoek. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [verweerder] veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze worden aan de zijde van Universiteit Leiden tot op heden begroot op € 1.016,50,- in totaal. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
€ 135,00 aan griffierecht
€ 814,00 aan salaris gemachtigde
€ 67,50 aan nakosten + de kosten van betekening zoals in het dictum vermeld.
——– +
€ 1.016,50 in totaal
5beslissing
De kantonrechter
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2025;
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, begroot op € 1.016,50 in totaal, voor zover van toepassing inclusief btw, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe en – indien niet binnen die termijn aan de veroordeling is voldaan – te vermeerderen met de wettelijke kosten van betekening;
verklaart deze beschikking, wat betreft de veroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Kaay, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...