Pays-Bas Rechtbank Den Haag Divers 23 mai 2025 N° C/09/662951 / FA RK 24-1851 NL

ECLI:NL:RBDHA:2025:14734 Rechtbank Den Haag , 23-05-2025 / C/09/662951 / FA RK 24-1851

Echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Source officielle

18 min de lecture 3 769 mots

Inhoudsindicatie. Echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 24-1851 (echtscheiding), FA RK 24-4799 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/662951 (echtscheiding), C/09/668979 (verdeling)

Datum beschikking: 23 mei 2025

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 6 maart 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw]
,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D. Pieterse te Den Haag (voorheen: mr. A.R. Oosthout).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man]
,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. P. Vellekoop te Honselersdijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;

het F9-bericht van de vrouw van 19 maart 2024, met bijlage;

het F9-bericht van de vrouw van 4 april 2024, met bijlage;

het F9-bericht van de man van 1 mei 2024, met bijlage;

het F9-bericht van de man van 15 april 2025, met bijlagen.

Op 25 april 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

[naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

De vrouw heeft op de zitting haar verzoek tot partneralimentatie ingetrokken, zodat de rechtbank hierop niet meer hoeft te beslissen.

Feiten

– Partijen zijn gehuwd op [datum] 2018 te [plaats 1] , Verenigde Staten.

– Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

­ [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] (roepnaam: [minderjarige 1] );

­ [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] (roepnaam: [minderjarige 2] );

– De ouders oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

– De kinderen verblijven feitelijk bij de vrouw.

– Deze rechtbank heeft op 12 februari 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:

­ vaststelling van een voorlopige zorgregeling, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man zijn:

– in de eerste maand: in aanwezigheid van de oma vaderszijde in de even weken van donderdagmiddag uit school (14.45 uur) tot zaterdagochtend 09.30 uur en in de oneven weken van vrijdagochtend tot zaterdagavond 19.00 uur, waarbij de oma vanaf zaterdagochtend 08.00 uur niet meer aanwezig zal zijn;

– in de tweede maand: in de even weken van donderdagmiddag uit school (14.45 uur) tot zaterdagochtend 09.30 uur en in de oneven weken van vrijdagochtend tot zaterdagavond 19.00 uur, waarbij oma alleen op vrijdag (haar oppasdag) en in de nachten aanwezig s;

– vanaf de derde maand (mits de eerste twee maanden goed zijn verlopen): in de even weken van donderdagmiddag 16.00 uur tot zaterdagochtend 09.30 uur en in de oneven weken van donderdagmiddag 16.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de oma niet meer aanwezig hoeft te zijn en waarbij de vrouw of haar vader op enig moment in de avond als de kinderen slapen (na 20.00 uur) een alcoholtest mag afnemen; de man zorgt dat een alcoholtest aanwezig is;

­ zijn partijen verwezen naar een traject ouderschapsbemiddeling.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt, na wijziging, tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

– vaststelling, in afwijking van het overgelegde ouderschapsplan, dat de man elk weekend zorg zal dragen voor de kinderen, althans enig ander ouderschapsplan als de rechtbank passend acht;

– vaststelling van kinderalimentatie van € 151,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;

– vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, in die zin dat aan de vrouw wordt toegedeeld: de echtelijke woning gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] , onder de verplichting de nog uitstaande hypotheekschuld als haar eigen schuld op zich te nemen en om aan de man te betalen een bedrag van € 109.409,-;

kosten rechtens.

De man voert – met uitzondering van de echtscheiding – verweer tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

– vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, conform de zorgregeling die is opgenomen in het door de vrouw overgelegde ouderschapsplan;

– vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 22,- per maand per kind, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;

– vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform

het voorstel van de man;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

I. Echtscheiding

Rechtsgeldigheid huwelijk

Op grond van artikel 10:31 eerste en vierde lid BW wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk dat volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of daarna rechtsgeldig is geworden, in Nederland als zodanig erkend en vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

De vrouw heeft overgelegd een “Marriage Certificate” met nummer [nummer] , afgegeven door de plaatselijk bevoegde autoriteit, waaruit blijkt dat partijen op [datum] 2018 in [plaats 1] met elkaar zijn gehuwd. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert dit document als een huwelijksverklaring in de zin van artikel 10:31 vierde lid BW, zodat het huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn.

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 815 tweede lid Rv moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 tweede lid Rv. De rechtbank zal daarom partijen ontvangen in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Inhoudelijke beoordeling

Beide partijen stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Partijen hebben beiden verzocht om de vaststelling van een zorgregeling en een verdeling van de vakanties en feestdagen. Op de zitting is met partijen besproken dat de zorg voor de kinderen – in lijn met de zorgregeling uit de voorlopige voorzieningen – als volgt zal worden verdeeld: de kinderen verblijven de ene week vanaf donderdag 16.00 uur tot zaterdag 09.30 uur bij de man, en de andere week van donderdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur.

Partijen hebben daarnaast overeenstemming over de verdeling van de vakanties en feestdagen. Deze zullen worden verdeeld, zoals is opgenomen in het concept-ouderschapsplan, waarbij een verdeling bij helfte het uitgangspunt is. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen.

Kinderalimentatie

Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie. Zij zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen € 735,- bedroeg in 2024. Zij zijn daarbij een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage aan kinderalimentatie overeengekomen van € 125,- per kind per maand, met ingang van de datum van deze beschikking. De rechtbank zal deze overeenstemming vastleggen.

Afwikkeling huwelijkse vermogen

Beperkte gemeenschap van goederen

Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.

De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.

Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.

Peildatum

Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 6 maart 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.

Omvang

Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:

de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] ;

de inboedel van de echtelijke woning;

een schuld bij een tante van de vrouw;

een auto (Peugeot 5008 met kenteken [kenteken] ) en de daaraan verbonden schuld;

crypto;

de hond [naam hond] .

Ad a) Partijen zijn het erover eens dat de vrouw in de gelegenheid moet worden gesteld om te bezien of zij de echtelijke woning kan overnemen. Zij zijn het echter niet eens over de waarde van de woning en de te volgen procedure. Volgens de vrouw moet op basis van de redelijkheid en billijkheid worden uitgegaan van de waarde waarop de woning in augustus 2023 is getaxeerd (€ 525.000,-), onder verwijzing naar een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 20 mei 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:1011). Partijen hadden destijds overeenstemming over deze waarde en de vrouw heeft sindsdien alle woonlasten voldaan. Daar komt bij dat de vrouw mogelijk niet in staat is om de woning tegen een hogere waarde over te nemen, zodat zij met de kinderen zal moeten verhuizen. Dat vindt zij niet in hun belang. De man stelt zich op het standpunt dat de woning opnieuw moet worden getaxeerd, omdat de in 2023 getaxeerde waarde niet meer actueel is.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat als peildatum voor de waardering moet worden uitgegaan van het moment van feitelijke verdeling. De redelijkheid en billijkheid brengen in dit geval niet mee dat van een andere, veel eerder gelegen, datum moet worden uitgegaan. Anders dan in door de vrouw aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Den Haag hebben partijen nadat zij uit elkaar zijn gegaan, afgesproken dat de vrouw in de echtelijke woning zou blijven wonen en zij heeft vanaf dat moment ook de hypotheeklasten (rente en aflossingen) voor haar rekening genomen. Ook hebben partijen op de zitting hebben afgesproken dat de hypotheekstand per 1 augustus 2023 als uitgangspunt zal worden genomen voor de verdeling, zodat de aflossingen die de vrouw sindsdien heeft gedaan, volledig aan haar ten goede komen. Tot slot geldt dat de man in de tussentijd ook huurlasten heeft gehad en dat de prijzen in de woningmarkt tussen 2023 en 2025 zijn gestegen zodat de man, als hij in de toekomst een woning wil kopen, ook meer zal moeten betalen voor een eventuele koopwoning dan in 2023. De woning zal daarom opnieuw moeten worden getaxeerd en aan de hand van deze waarde zal de vrouw in de gelegenheid worden gesteld om de woning over te nemen.

Ten aanzien van de echtelijke woning staat daarnaast vast dat beide partijen investeringen hebben gedaan vanuit privévermogen. Partijen zijn het erover eens dat dit aan de zijde van de vrouw een bedrag van in totaal € 69.000,- is, met dien verstande dat € 7.500,- daarvan een lening was, die de vrouw – onder vrijwaring van de man – op zich zal nemen. Aan de zijde van de man geldt dat hij in ieder geval € 79.835,- heeft geïnvesteerd vanuit privévermogen. Volgens de man heeft hij daarnaast echter nog met een bedrag € 10.600,- geïnvesteerd vanuit zijn onderneming (waarvan onder meer een dakraam en badkamermeubelen zijn betaald). Hoewel de man daarbij producties heeft overgelegd waaruit blijkt dat er privé-opnames hebben plaatsgevonden vanuit zijn onderneming, kan de rechtbank hieruit niet afleiden dat die opnames zijn geïnvesteerd in de woning. Deze kunnen daarom niet worden meegenomen als privé-investering. De werkzaamheden die de man heeft verricht in de woning kunnen achteraf evenmin worden aangemerkt als privé-investering nu is gesteld noch gebleken dat er destijds tussen partijen afspraken zijn gemaakt waar dit uit volgt.

Het voorgaande leidt ertoe dat de woning zal worden toegedeeld aan de vrouw voor een te taxeren waarde. Ten aanzien van de hypothecaire geldlening zal worden uitgegaan van de hypotheekstand per 1 augustus 2022 (€ 267.736,-). De vrouw heeft een (nominaal) vergoedingsrecht van € 69.000,- en de man een (nominaal) vergoedingsrecht van € 79.835,-. Voor het overige zal de rechtbank de wijze van verdeling van de echtelijke woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening vaststellen conform het in het dictum opgenomen ‘spoorboekje’.

Ad b) De vrouw heeft verzocht om de inboedel van de echtelijke woning aan haar toe te delen voor een bedrag van € 1.000,-. De man stemt in met de toedeling aan de vrouw, maar stelt dat de waarde hoger ligt, namelijk op € 5.000,-. De rechtbank kan op basis van de over en weer naar voren gebrachte stellingen niet vaststellen wat de waarde van de inboedel is, maar de ervaring leert dat de waarde van een inboedel doorgaans beperkt is, tenzij sprake is van bijzondere bestanddelen. Dit is door geen van partijen aangevoerd. De rechtbank zal inboedel daarom toedelen aan de vrouw op basis van een geschatte waarde van € 2.500,-, waarbij zij de helft van deze waarde dient te voldoen aan de man.

Ad c) Tot de gemeenschap behoort voorts een schuld die partijen zijn aangegaan bij een tante van de vrouw (mevrouw [naam 2] ). Hoewel partijen het erover eens zijn dat zij een lening van € 40.000,- zijn aangegaan, is hiervan volgens de man maar € 30.000,- geïnvesteerd in de woning. Dit bedrag is echter niet opgevoerd als privé-investering in de woning, zodat de rechtbank aan dit standpunt voorbijgaat. De man heeft evenmin aangetoond dat er inmiddels is afgelost op de lening, zodat de rechtbank zal uitgaan van een schuld van € 40.000,-. Daarbij hebben partijen wel op de zitting afgesproken dat de vrouw deze schuld – in de onderlinge verhouding tussen partijen – op zich zal nemen en dat de man de helft aan de vrouw zal voldoen bij de verdeling van de woning.

Ad d) Partijen zijn het erover eens dat de auto zal worden toegedeeld aan de vrouw voor een waarde van € 21.300,-, onder vergoeding van de helft van de waarde aan de man. Daarnaast is ook niet in geschil dat partijen voor de aanschaf van de auto een schuld zijn aangegaan bij de ouders van de vrouw en dat het restant van deze schuld € 12.832,- bedraagt. Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw deze schuld, onder vrijwaring van de man, op zich zal nemen. Het voorgaande leidt ertoe dat de vrouw in het kader van de verdeling van de auto aan de man een bedrag van (10.650 -/- 6.416) = € 4.234,- aan de man zal moeten voldoen.

Ad e) De vrouw heeft verzocht om toedeling van de crypto aan de man. De man stelt echter dat de crypto is aangekocht vanuit zijn onderneming en dat deze daarom buiten de gemeenschap valt. De man heeft deze stelling echter, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet of onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank er van uitgaat dat de cryptovaluta tot de gemeenschap behoort. Partijen twisten ook over de waarde van de crypto. Volgens de vrouw is de waarde € 1.350,-, terwijl uit de man overgelegde stukken volgt dat de laatst bekende waarde $ 828,- (€ 736,-) bedraagt. Nu de vrouw de door haar gestelde waarde niet heeft onderbouwd, zal de rechtbank de crypto toedelen aan de man voor een waarde van (omgerekend) € 736,-, onder vergoeding van de helft daarvan aan de vrouw.

Ad f) Tot slot zijn partijen er niet in geslaagd om overeenstemming te bereiken over de (waarde van) de hond van partijen, [naam hond] . Niet in geschil is dat [naam hond] bij de vrouw zal blijven , maar zij stelt dat de man aan haar een tegemoetkoming voor zijn kosten moet betalen van € 1.000,-. De rechtbank stelt voorop dat een dier geen zaak is, zo volgt uit artikel 3:2a BW, en dus ook niet vatbaar voor verdeling. De vrouw heeft geen wettelijke grondslag vermeld voor haar verzoek tot financiële compensatie of tegemoetkoming in de kosten verbinden aan [naam hond] . Zonder nadere toelichting of onderbouwing ziet de rechtbank geen grond om dit verzoek toe te wijzen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat partijen (ex-)echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2018 te Las Vegas, Verenigde Staten;

bepaalt dat de minderjarigen:

­ [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats] ;

­ [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] ;

bij de man zullen zijn:

de ene week van donderdag 16.00 uur tot zaterdag 09.30 uur;

de andere week van donderdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur;

stelt een verdeling van de vakanties en feestdagen vast, waarbij:

de vakanties in onderling overleg bij helfte worden verdeeld, waarbij begin februari steeds afspraken worden gemaakt over de voorjaars-, mei- en zomervakantie en waarbij begin september steeds afspraken worden gemaakt over de herfst- en kerstvakantie;

op kerstavond, Pasen, Pinksteren, Hemelvaart, de aankomst van Sinterklaas, Pakjesavond en Koningsdag de reguliere zorgregeling wordt gevolgd, alsmede tijdens Vader- en Moederdag, waarbij zorggedragen wordt dat er contact met de betreffende ouder mogelijk is, indien de kinderen daar niet verblijven;

de kinderen in de even jaren op eerste kerstdag bij de vader verblijven, op tweede kerstdag bij de moeder en tijdens Oud & Nieuw bij de moeder, en in de oneven jaren andersom, met dien verstande dat de ouders in overleg zullen treden wanneer de moeder met de feestdagen moet werken;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 125,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

stelt de (wijze van) verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en):

de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de man aan de vrouw binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw (de echtgenoot die krijgt toegedeeld ) de woning zal overnemen;

de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;

de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht, minus de privé-investeringen van partijen en minus de kosten van de makelaar-taxateur;

de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw als kosten koper, voldaan;

partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(en) privé-investeringen van partijen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;

c. partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

bepaalt dat aan de vrouw ter zake haar investering in de echtelijke woning een vergoedingsrecht toekomt ten bedrage van € 69.000,-;

bepaalt dat aan de man ter zake zijn investering in de echtelijke woning een vergoedingsrecht toekomt ten bedrage van € 79.835,-;

stelt vast dat de vrouw – in de onderlinge verhouding tussen partijen – de schuld bij mevrouw [naam 2] ten bedrage van € 40.000,- op zich zal nemen, onder vrijwaring van de man en dat de man gehouden is om de helft van dit bedrag, zijnde € 20.000,-, aan de vrouw te voldoen;

stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen voor het overige als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1. aan de man worden toegedeeld:

– de cryptovaluta voor een waarde van € 736,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de vrouw;

2. aan de vrouw worden toegedeeld:

de inboedel van de echtelijke woning voor een waarde van € 2.500,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de man;

de Peugeot 5008 met kenteken [kenteken] voor een waarde van € 21.300,- en waarbij de vrouw – in de onderlinge verhouding – ook de schuld ten bedrage van € 12.832,- op zich zal nemen, onder vrijwaring van de man hetgeen erin resulteert dat de vrouw in het kader van de verdeling van de auto aan de man een bedrag van (10.650 -/- 6.416) = € 4.234,- aan de man zal moeten voldoen;

verklaart deze beschikking – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 23 mei 2025.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.