ECLI:NL:RBDHA:2025:17266 Rechtbank Den Haag , 05-06-2025 / C/09/684635 / KG ZA 25-400
vordering in KG afgewezen vanwege ontbreken spoedeisend belang
5 min de lecture · 980 mots
Inhoudsindicatie. vordering in KG afgewezen vanwege ontbreken spoedeisend belang
Rechtbank den haag
Team handel – voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/684635 / KG ZA 25-400
Vonnis in kort geding van 5 juni 2025
in de zaak van
[de moeder] te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. A.R. Bissessur te ’s-Gravenhage,
tegen:
[de vader] te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding met producties;
– de door gedaagde overgelegde conclusie van antwoord;
– de brief van 21 mei 2025, met aanvullende producties, van eiseres;
– de op 22 mei 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiseres pleitnotities zijn overgelegd.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2018 tot [datum 2] 2023. Tijdens dit huwelijk is op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] hun zoon [minderjarige] geboren. De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
In de echtscheidingsbeschikking van 13 december 2022 van deze rechtbank is een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld, inhoudende dat:
[minderjarige] om de week van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur bij de vader verblijft:
de zomervakantie in onderling overleg bij helfte wordt verdeeld en de reguliere
zorgregeling doorloopt in de overige vakanties,
waarbij de vader [minderjarige] ophaalt en terugbrengt naar de moeder.
3. Het geschil
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – dat de vader de zorgregeling zoals door de rechtbank op 13 december 2022 is vastgesteld nakomt, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of een gedeelte daarvan dat de vader niet voldoet aan het gevorderde.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan.
De vader komt zijn verantwoordelijkheden voor [minderjarige] niet na, doordat hij zich niet aan de zorgregeling houdt. In plaats daarvan geeft de vader de voorkeur aan reizen, zijn vrienden en zijn werk. De vader haalt [minderjarige] alleen op als het hem uitkomt, en anders zegt hij telefonisch of per whatsapp af. Dat is niet alleen verdrietig voor [minderjarige] , ook raakt de moeder hierdoor in de problemen met haar werk en opleiding. Zij geeft daarbij aan dat er sprake is van een spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorziening omdat de ontwikkeling van een kind onverkort voorgaat en elke gemiste omgang in feite niet meer kan worden ingehaald.
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. Daarnaast vordert de vader om veroordeling van de moeder in de kosten van het geding, waaronder begrepen de kosten van zijn advocaat alsmede de nakosten, begroot op een bedrag ad € 131, dan wel in geval van betekening € 199, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
4De beoordeling van het geschil
Spoedeisendheid
Op grond van artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de voorzieningenrechter in kort geding in alle spoedeisende zaken een onmiddellijke voorziening bij voorraad geven als dit, gelet op de belangen van partijen, wordt vereist. De voorzieningenrechter kan in kort geding dan ook nakoming van een vastgelegde zorgregeling opleggen. Vereist is dan wel dat sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een spoedeisend belang zoals hiervoor bedoeld geen sprake is. Hierbij neemt de voorzieningenrechter het volgende in overweging. Door de moeder is niet (expliciet) betwist dat de vader – over de afgelopen 3 jaar bezien – in totaal zes keer de zorgregeling niet is nagekomen. In 2025 betrof dat twee keer, eenmaal in februari toen de vader vanwege werkverplichtingen niet kon en eenmaal tijdens de afgelopen meivakantie. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is dat moment voor de moeder de spreekwoordelijke druppel geweest die de emmer deed overlopen en wat voor haar de aanleiding is geweest om de onderhavige kort geding procedure te starten. De voorzieningenrechter is echter tijdens de zitting gebleken dat de vader op voorhand aan de moeder heeft aangegeven dat hij tijdens deze vakantie naar Afrika zou gaan en daarom drie weken afwezig zou zijn, waarna de moeder – zo leidt de voorzieningenrechter af uit haar stellingen op de zitting – hierop heeft gereageerd in de trant van ‘oké, is goed’. De vader heeft [minderjarige] vervolgens het weekend na zijn vakantie weer opgehaald bij de moeder en hij is van plan dat (conform de zorgregeling) ook in het weekend van 24/25 mei 2025 weer te doen.
In het kader van deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter niet welk spoedeisend belang er op dit moment is voor de vordering van de moeder, nu ook niet is gesteld of gebleken dat de vader de komende periode de zorgregeling een of meerdere keren niet zal gaan nakomen. Dat de zorgregeling de afgelopen drie jaar een aantal keer niet is doorgegaan, maakt dit niet anders.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van de moeder zal worden afgewezen.
Proceskosten
Hoewel de voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is voor de vordering van de moeder, is niet gebleken dat sprake is van misbruik van het procesrecht. In het licht hiervan ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, zoals gebruikelijk in familiezaken, de proceskosten te compenseren en te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De vordering van de vader wordt daarom afgewezen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.L. Benink en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.
[MK]
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...