ECLI:NL:RBDHA:2025:18459 Rechtbank Den Haag , 30-04-2025 / NL24.47039
Asiel Turkije. Lidmaatschap Gülenbeweging. Beleidswijziging per 1 juli 2024 van het algemene groepenbeleid van risicogroep naar risicoprofiel. Eiser heeft op basis van individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij reëel risico loopt op vervolging vanwege ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. Beroep gegrond.
13 min de lecture · 2 710 mots
Inhoudsindicatie. Asiel Turkije. Lidmaatschap Gülenbeweging. Beleidswijziging per 1 juli 2024 van het algemene groepenbeleid van risicogroep naar risicoprofiel. Eiser heeft op basis van individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij reëel risico loopt op vervolging vanwege ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. Beroep gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.47039
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
geboren op [geboortedatum] 1995, van Turkse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing
van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft op 13 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij het bestreden besluit van 22 november 2024 afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en B. Kvavak als tolk in de Turkse taal. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser heeft het volgende relaas aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is van Koerdische afkomst en heeft verklaard dat hij Turkije heeft verlaten, omdat hij gediscrimineerd en onderdrukt werd vanwege zijn lidmaatschap bij de Gülenbeweging. Hij heeft verklaard dat de politie drie keer bij hem thuis geweest, omdat zij op zoek waren naar zijn broer die, net als eiser, lid is van de Gülenbeweging. Eiser vermoedt dat ook tegen zijn broer een strafrechtelijk onderzoek is gestart vanwege zijn activiteiten bij de Gülenbeweging. Hij vreest daarom bij terugkeer naar Turkije gevangen te worden gezet. Daarnaast heeft eiser zijn dienstplicht niet vervuld. Hij vreest ook bij terugkomst in Turkije te moeten dienen in het leger en vanwege zijn Koerdische afkomst te moeten strijden tegen zijn eigen volk.
Het bestreden besluit
5. Volgens de minister bestaat het asielrelaas van eiser uit de volgende asielmotieven:
zijn identiteit, nationaliteit en herkomst;
discriminatie en onderdrukking vanwege Gülenisme;
huisbezoeken door de politie wegens [naam broer] , de broer van eiser;
het niet voldoen aan de militaire dienstplicht.
De minister acht alle asielmotieven van eiser geloofwaardig.
De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Uit het beleid blijkt dat de minister (toegedichte) Gülen-aanhangers als groep als een risicoprofiel aanmerkt. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijke problemen heeft met de autoriteiten van Turkije. Volgens de minister heeft eiser, ondanks de sluiting van de Fatih Universiteit, nog steeds toegang tot onderwijs en gezondheidszorg en kan hij voorzien in zijn primaire levensbehoeften. Omdat eiser een identiteitskaart heeft kunnen aanvragen en niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn naam op een lijst met vrijwilligers voor Stichting SECU is doorgegeven aan de Turkse autoriteiten, staat hij volgens de minister niet in negatief daglicht van de Turkse autoriteiten. Volgens de minister zijn de Turkse autoriteiten naar de broer van eiser op zoek en niet naar hem.
Daarnaast heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij zal moeten dienen in het leger. De minister neemt ten aanzien van dienstplichtige Koerden niet aan dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben en in een conflict worden ingezet tegen hun eigen volk en familie. Ook kunnen Gülen-aanhangers nog steeds hun dienstplicht afkopen en eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije disproportioneel of discriminatoir zal worden bestraft.
De beroepsgronden van eiser
6. Eiser voert aan dat de beleidswijziging van de minister niet gedragen wordt door landeninformatie over Turkije. Ter onderbouwing verwijst hij naar verschillende uitspraken waaruit dit blijkt. De beleidswijziging pakt volgens eiser onevenredig voor hem uit. Op basis van het oude beleid van vóór december 2023 was hij wel toegelaten. Hij stelt dat hij door capaciteitsproblemen aan de kant van de minister nu niet onder dit beleid valt en dat dient niet voor zijn rekening te komen. Verder voert eiser aan dat hij – in tegenstelling tot hetgeen de minister stelt – wel in het negatief daglicht van de Turkse autoriteiten staat door zijn lidmaatschap van de Gülen-beweging. Eiser stelt dat de stichting waar hij vrijwilligerswerk in Nederland verricht, Stichting SECU, onderdeel is van een strafrechtelijk onderzoek in Turkije. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar algemene landeninformatie waaruit blijkt dat de Turkse autoriteiten Gülenisten monitoren in het buitenland en dat nog steeds sprake is van willekeurige vervolging van Gülenisten in Turkije. Verder blijkt volgens eiser ook uit de algemene landeninformatie dat de Turkse autoriteiten zich vooral richten op vermeende Gülenisten in het ambtenarenapparaat en hun familieleden. Eiser heeft verklaard twee broers te hebben waartegen strafrechtelijke procedures in Turkije lopen vanwege hun activiteiten bij de Gülenbeweging. De nog in Turkije woonachtige broer van eiser is vervolgd door zijn lidmaatschap van de Gülenbeweging. De andere broer van eiser was politieagent en is al veroordeeld in Turkije en verblijft ruim vier jaar in Nederland. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat tegen deze broer inmiddels ook een opsporingsbevel is uitgevaardigd door de Turkse autoriteiten. Eiser heeft daarom wel een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Turkije.
De beoordeling van de beroepsgronden
De beleidswijziging per 1 juli 2024 (risicogroep – risicoprofiel)
7. Met ingang van 1 juli 2024 onderscheidt de minister in het landgebonden beleid niet langer risicogroepen (met geringe indicaties), maar wordt gebruik gemaakt van risicoprofielen. Met de afschaffing van de risicogroepen zijn ook de geringe indicaties komen te vervallen. Als iemand onder een risicoprofiel valt betekent dit dat diegene in algemene zin een bepaalde mate van risico loopt in een bepaald land van herkomst. Vanaf 1 juli 2024 is sprake van een meer individuele beoordeling, waarin afgestapt wordt van een voorgeschreven lagere bewijslast en waarin een geringe of beperkte indicatie niet langer een bepalend (inwilligings-)criterium is.
Uit paragraaf C2/2.4 van de Vc volgt dat de minister op basis van informatie over een land van herkomst risicoprofielen kan aanwijzen. Dit wordt in het landenbeleid neergelegd. De minister kan een groep als risicoprofiel aanwijzen, als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten of van derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Het behoren tot een groep, aangemerkt als risicoprofiel, is op zichzelf niet voldoende voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Als een vreemdeling binnen een risicoprofiel valt, dan beoordeelt de minister de individuele omstandigheden van het geval, afgezet tegen de positie van de groep en algemene (veiligheids-)situatie in het land van herkomst. Aan de hand van de individuele omstandigheden, zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de minister of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt of heeft gelopen.
De minister moet in beginsel uitgaan van het beleid zoals dat gold op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. Dat is in het geval van eiser het beleid vanaf 1 juli 2024 en niet – zoals hijzelf stelt – van vóór december 2023. De minister dient immers te beoordelen of de vreemdeling op het moment van toetsen – en dus niet op het moment dat eiser asiel aanvroeg – een gegronde vrees voor vervolging heeft of bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van het verbod op refoulement. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling door toepassing van nieuw beleid in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser op 13 maart 2023 zijn asielaanvraag heeft ingediend. De minister heeft daar weliswaar pas op 22 november 2024 op beslist, maar niet is gebleken dat de minister moedwillig heeft gewacht met het beslissen op de asielaanvraag van eiser totdat er nieuw beleid was. De rechtbank vindt voor dit oordeel ook steun in het verweerschrift van de minister waarin wordt aangekondigd dat de minister bezig is met het maken van nieuw landenbeleid over Turkije, maar dat niet de verwachting is dat dit vóór 9 juni 2025 wordt gepubliceerd.
De beleidswijziging per 1 juli 2024, waarbij het groepenbeleid is herzien, ziet bovendien niet specifiek op (vermeende) Gülenisten. De beleidswijziging ziet immers op het algemene groepenbeleid. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat de beleidswijziging per 1 juli 2024 geen stand kan houden, omdat niet is aangegeven of en hoe de situatie voor (vermeende) Gülenisten is verbeterd, waardoor een hogere bewijslast gerechtvaardigd zou zijn.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
De algemene situatie voor (vermeende) Gülenisten in Turkije
8. Voor zover eiser ter onderbouwing van de algemene situatie van (vermeende) Gülenisten heeft gewezen op landeninformatie hierover, overweegt de rechtbank als volgt.
9. Uit het algemeen ambtsbericht over Turkije uit 2025 blijkt dat mensen nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Verder wordt de vervolging van (vermeende) Gülenisten als ‘extreem willekeurig en onvoorspelbaar’ beschreven. De Turkse autoriteiten hebben niet alleen Gülenverdachten opgepakt die tot de politie, het leger en het ambtenarenapparaat behoren. Er is ook sprake van een ‘restcategorie’ waartoe onder andere burgers die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en/of hun familieleden hielpen en personen die gevangengezette Gülenisten en/of hun families ondersteunden van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Familieleden van (vermeende) Gülenisten kunnen ook hinder ondervinden in het maatschappelijk verkeer en op de arbeidsmarkt. In sommige gevallen kunnen familieleden ook geen toegang krijgen tot sociale voorzieningen of worden zij gedwongen ontslagen. Mensen die vanwege (vermeende) terreurbanden gedwongen werden ontslagen, kwamen in een database van Sosyal Güvenlik Kurumu (Instituut voor Sociale Zekerheid, SGK) terecht. Deze registratie bemoeilijkt ontslagen medewerkers een nieuwe baan te krijgen, omdat potentiële werkgevers in zowel de particuliere als de private sector deze registratie in het SGK kunnen raadplegen. De desbetreffende persoon kan een dergelijke registratie in de SGK zelf raadplegen in de e-devlet omgeving.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de overgelegde landeninformatie niet worden afgeleid dat de situatie voor (vermeende) Gülenisten dusdanig is dat het enkele behoren tot de groep van (vermeende) Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. De rechtbank is echter op basis van de hierboven aangehaalde landeninformatie, de afgelegde verklaringen en de overgelegde stukken van oordeel dat eiser aan de hand van zijn individuele omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op vervolging dan wel ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. Eiser heeft verklaard dat de universiteit waar hij aan studeerde, de Fatih universiteit, per overheidsdecreet is gesloten vanwege vermeende banden met de Gülenbeweging. Hij heeft zijn opleiding daarom ergens anders moeten afmaken. Tijdens zijn studie heeft eiser gewoond in huizen van de Gülengroepering, bereidde hij lessen voor, heeft hij lessen gevolgd en deelgenomen aan religieuze gesprekken (Sohbet). Hij heeft verklaard te zijn ontslagen door zijn banden met de Gülenbeweging en alleen zwart te hebben kunnen werken in de detailhandel en als verkoopmedewerker in Turkije. Eiser is gediplomeerd leerkracht, maar wordt vanwege zijn banden met de Gülenbeweging niet aangenomen bij de overheid. Hij heeft verklaard bij elk sollicitatiegesprek te zijn afgewezen vanwege zijn achtergrond, omdat iedereen in het e-devlet ziet dat hij met het overheidsdecreet te maken heeft op basis waarvan de universiteit waar hij aan studeerde is gesloten. Op basis hiervan blijkt naar oordeel van de rechtbank dat eiser hinder heeft ondervonden in het maatschappelijke verkeer en op de arbeidsmarkt.
Daarnaast acht de rechtbank aannemelijk uit hetgeen eiser heeft verklaard dat hij niet alleen een gegronde vrees voor vervolging of risico op ernstige schade heeft door zijn eigen activiteiten bij de Gülenbeweging, maar ook als familielid van (vermeende) Gülenisten. Eiser heeft verklaard dat de politie drie keer aan zijn deur zijn gekomen omdat zij opzoek waren naar één van zijn broers. Beide broers hadden ook problemen vanwege hun activiteiten bij de Gülenbeweging. Tegen eiser is gezegd dat hij de verblijfplaats van zijn broer kenbaar moest maken en als hij dat niet zou doen, dat de politie dan tot aanhouding van eiser zou overgaan. Ook heeft eiser verklaard dat hij hulp en informatie heeft gegeven aan familie van gevangengezette (vermeende) Gülenisten, onder meer door voedselpakketten mee te nemen en leerlingbegeleiding te geven.
Verder heeft eiser onderbouwd dat hij door zijn vrijwilligerswerk voor Stichting SECU ook in een negatief daglicht staat van de Turkse autoriteiten. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 5 december 2024, waaruit blijkt dat de Turkse autoriteiten onderzoek hebben gedaan naar SECU en dat informatie over de personen die in de jaren 2022-2023 actief waren voor SECU is verzonden aan provincies waar onderzoeken moeten worden uitgevoerd. De minister heeft in de activiteiten van eiser bij deze stichting in het verweerschrift niet weersproken. Uit het algemeen ambtsbericht over Turkije blijkt dat de Turkse overheid ook vermeende Gülenisten monitoren in het buitenland, hen overbrengen naar Turkije en hen bij terugkeer in Turkije een strafproces wacht. Dat het ambtsbericht beschrijft dat het vooral prominente leden, geldschieters en personen die bevriend waren met Gülen zelf zijn, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, omdat uit het ambtsbericht eveneens blijkt dat de praktijk van de Turkse autoriteiten om Gülenisten in het buitenland naar Turkije te krijgen systematisch plaatsvond. Ook daarom acht de rechtbank aannemelijk dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank:
– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt het bestreden besluit;
– draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
– veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Paragraaf C7/34.3.2 en paragraaf C2/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
- Vreemdelingencirculaire 2000.
- Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 50.
- Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49.
- E-devlet is het digitale overheidsloket voor inwoners van Turkije en betekent letterlijk ‘elektronische overheid.
- Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.
- Nader gehoor, pagina 5.
- Nader gehoor, pagina 6.
- Nader gehoor, pagina 11.
- Nader gehoor, pagina 10.
- Nader gehoor, pagina 11.
- Nader gehoor, pagina 12.
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20392, rechtsoverweging 12.
- Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 53.
- Algemene wet bestuursrecht.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...