ECLI:NL:RBDHA:2025:19026 Rechtbank Den Haag , 17-10-2025 / NL25.48399

bewaring, bij de motivering van (een deel van) de zware gronden is de vaststelling van de feitelijke juistheid voldoende, lichter middel, ongegrond.

Source officielle

6 min de lecture 1 145 mots

Inhoudsindicatie. bewaring, bij de motivering van (een deel van) de zware gronden is de vaststelling van de feitelijke juistheid voldoende, lichter middel, ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.48399

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De minister heeft op 13 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser betwist alle gronden. Hij betoogt dat de minister het onttrekkingsrisico bij de zware gronden onvoldoende heeft gemotiveerd. Hij wijst daarbij op een uitspraak van de zittingsplaats Zwolle van 19 augustus 2025 waaruit volgt dat de motivering van de maatregel altijd moet zijn toegespitst op de situatie van de vreemdeling. Dit betekent volgens eiser dat de enkele feitelijke vaststelling van een zware grond onvoldoende is om de maatregel te rechtvaardigen.

Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het vaststellen van de feitelijke juistheid van de zware gronden voldoende is. Dit geldt voor alle zware gronden, behalve de zware gronden 3h, 3m en 3j. Dit neemt niet weg dat de motivering van de zware grond wel moet zijn toegespitst op de situatie van de vreemdeling. Aan dit vereiste wordt ook voldaan als de motivering algemeen is in die zin dat deze ook bij andere vreemdelingen aan de orde kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister aan dit vereiste voldaan ten aanzien van de zware gronden door vast te stellen dat eiser zich niet heeft gemeld bij de korpschef na het verlopen van zijn vrijwillige vertrektermijn en dat hij niet heeft voldaan aan de opgelegde vertrektermijn. Eiser heeft dit niet betwist. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Nu de zware gronden 3b en 3c de maatregel kunnen dragen, hoeft niet meer te worden besproken wat eiser heeft aangevoerd tegen de lichte gronden 4c en 4d.

Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

3. Eiser voert aan dat de minister voorafgaande aan de opheffing van de bewaring had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser heeft verklaard Nederland te willen verlaten. Aan hem had een meldplicht opgelegd kunnen worden. Hier komt nog bij dat in de maatregel ten onrecht onjuiste feiten en omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken. Zo wordt gesteld dat eiser niet in het bezit is van identiteitsdocumenten, wat aantoonbaar onjuist is. Ook de omstandigheid dat eiser voor langere tijd in Europa verblijft en daarin min of meer geworteld is geraakt kan hem niet worden tegengeworpen omdat eiser de Poolse nationaliteit heeft.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser merkt terecht op dat in de maatregel ten onrechte wordt gesteld dat eiser niet beschikt over identiteitsdocumenten en dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij voor langere tijd in Europa verblijft en daar min of meer geworteld is geraakt. Dit is op de zitting door de minister ook erkend. De minister wijst er echter terecht op dat eiser eerder niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht en dat hij ook heeft aangegeven niet naar Polen te willen vertrekken. De enkele verklaring van eiser dat hij wel naar België wil vertrekken is onvoldoende om een lichter middel op te leggen. Eiser heeft hiertoe ook geen concrete poging(en) ondernomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

– verklaart het beroep ongegrond;

– wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

  1. Rb. Den Haag (zp. Zwolle) 19 augustus 2025, zaaknummers NL25.36510 en NL25.36513 (niet gepubliceerd).
  2. ABRvS 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3442.
  3. Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.