ECLI:NL:RBDHA:2025:19356 Rechtbank Den Haag , 13-06-2025 / C/09/682764 / FA RK 25-2407
Omgangsregeling en informatieregeling. Raadsonderzoek gelast en verwezen naar ouderschapsbemiddeling.
11 min de lecture · 2 370 mots
Inhoudsindicatie. Omgangsregeling en informatieregeling. Raadsonderzoek gelast en verwezen naar ouderschapsbemiddeling.
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2407 (bodem), FA RK 25-2408 (voorlopige voorziening)
Zaaknummer: C/09/682764 (bodem), C/09/682765 (voorlopige voorziening)
Datum beschikking: 13 juni 2025
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, informatieregeling
Beschikking op het op 27 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Pherai te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.N. Voogd te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek;
het F9-bericht van de moeder van 14 mei 2025, met bijlage;
het F9-bericht van de vader van 15 mei 2025, met bijlage.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich zowel schriftelijk als in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 16 mei 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
– de e-mail van de moeder van 22 mei 2025.
Feiten
– Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2013 tot [datum 2] 2016.
– Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
– [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ; (roepnaam: [minderjarige] )
– Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.
– De minderjarige heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
– Bij beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2017 is – voor zover hier aan de orde –: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld tussen de vader en [minderjarige] , waarbij:
– één middag per week onder begeleiding van BOR Humanitas contact zal zijn tussen de vader en [minderjarige] , dat dit contact geleidelijk zal worden uitgebreid, waarbij wordt toegewerkt naar een structurele, onbegeleide zorgregeling;
– de vader eenmaal per maand één à twee uur met [minderjarige] naar de speeltuin zal gaan, in bijzijn van de moeder, waarbij beide ouders een kennis mee zullen nemen.
Verzoek en verweer
In de bodemprocedure
Het verzoekschrift strekt tot wijziging van na te melden beschikking, in die zin dat de vader verzoekt:
– een zorgregeling te bepalen, waarbij [minderjarige] bij de vader zal zijn:
een dag per week van 10.00 uur tot 15.00 uur, met uitbreiding over twee jaar naar een overnachting van vrijdag 15.00 uur tot zaterdag 18.00 uur;
op Vaderdag, de verjaardag van [minderjarige] en Suikerfeest gedurende twee tot drie uur;
vanaf 2026: gedurende de zomervakantie gedurende twee weken aansluitend.
– een informatie- en consultatieregeling te bepalen, waarbij de moeder eenmaal per kwartaal de vader zal informeren betreffende voorkomende en belangrijke zaken omtrent [minderjarige] ;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader doet zijn verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden nadien zijn gewijzigd.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en verzoekt:
te bepalen dat de Raad onderzoek zal doen naar de opvoedsituatie en opvoedvaardigheden van de vader, alsmede of het voorgezet gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] is;
ingeval de Raad concludeert dat gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] is: te bepalen dat de moeder voortaan alleen zal zijn belast met het gezag over [minderjarige] ;
aan de moeder toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt om met [minderjarige] naar Turkije te reizen in de periode van 4 tot en met 17 augustus 2025.
De vader heeft verweer gevoerd, welke verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
In de voorlopige voorziening
De vader verzoekt bij wege van voorlopige voorziening:
een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen van één dag per week van 10.00 uur tot 15.00 uur, althans een door de rechtbank te bepalen voorlopige zorgregeling;
een voorlopige informatie- en consultatieregeling vast te stellen van eenmaal per kwartaal betreffende voorkomende en belangrijke zaken omtrent [minderjarige] .
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Voorlopige voorziening
Door de man is verzocht om voorlopige voorzieningen in het kader van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Omdat op de zitting gelijktijdig zowel de voorlopige voorzieningen als de bodemprocedure is behandeld. Nu in de bodemprocedure een beslissing zal worden genomen, heeft de vader geen belang meer bij beslissingen in het kader van voorlopige voorzieningen. De rechtbank zal deze verzoeken daarom afwijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Ontvankelijkheid (wijziging van omstandigheden)
Op grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Gelet op het tijdsverloop en het feit dat de vastgestelde zorgregeling inmiddels al langere tijd niet meer wordt nageleefd, stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een wijziging en zal zij de vader ontvangen in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Naar aanleiding van de beschikking van 15 februari 2017 heeft het contact tussen de vader en [minderjarige] steeds in aanwezigheid van de moeder en de oma moederszijde plaatsgevonden. De vader heeft de wens om [minderjarige] nu onbegeleid te zien, omdat [minderjarige] inmiddels tien jaar oud is. De vader heeft daarnaast het gevoel dat de aanwezigheid van moeder en oma een negatieve invloed hebben op het verloop van de omgang. Vanaf het moment dat hij deze onderwerpen bij de moeder heeft opgebracht, is het contact volgens de vader steeds verder verminderd. [minderjarige] heeft zijn vader voor het laatst gezien bij [arcadehal] op 18 oktober 2024. Sindsdien is de zorgregeling stil komen te liggen. De vader verzoekt daarom (opnieuw) een zorgregeling vast te stellen, zodat het contact spoedig weer kan worden opgestart en hij op regelmatige basis, onbegeleid contact kan hebben met zijn zoon.
De moeder kan zich hiermee niet verenigen. Volgens haar is tussen partijen sprake van een gecompliceerde voorgeschiedenis, waarbij het contact tussen de vader en [minderjarige] meermaals stil is komen te liggen. Er is meermaals hulpverlening ingezet, maar dat heeft geen blijvende oplossing gebracht. Dit was mede het gevolg van middelengebruik door de vader, reden waarom de moeder ook zorgen heeft over de opvoedvaardigheden en opvoedsituatie bij de vader. Dat geldt temeer nu bij [minderjarige] vermoedens bestaan van autisme. Via het Steunpunt Autisme zal een diagnostisch onderzoek gaan plaatsvinden. Dit vereist een specifieke benadering van [minderjarige] door de ouders, zodat goed bekeken moet worden op welke manier het contact met vader het beste kan worden vormgegeven.
De rechtbank overweegt als volgt. Voorop staat dat [minderjarige] en de vader en beiden recht hebben op en belang bij goed en regelmatig contact. Helaas is dit in het verleden al meermaals misgelopen en is het contact meermaals gestopt. Het is nu voor [minderjarige] van het grootste belang dat dit niet nogmaals gebeurt. Dit geldt des te meer nu er een vermoeden is van een stoornis van [minderjarige] in het autismespectrum. De rechtbank heeft mede daardoor op dit moment onvoldoende informatie om een (eind)beslissing te kunnen nemen. Er moet eerst meer inzicht worden verkegen in de mogelijkheden van [minderjarige] , zijn belastbaarheid en in het bijzonder de vraag welke vorm van contact met de vader, en in welke frequentie, het meest in zijn belang is. De rechtbank zal daarom de Raad vragen om een onderzoek te doen en advies uit te brengen over de vraag welke regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van [minderjarige] is.
Hoewel zij hiertoe geen verzoek heeft gedaan, heeft de moeder heeft daarnaast haar twijfels of het in het belang van [minderjarige] is om nog langer gezamenlijk met de vader het gezag over hem uit te oefenen. Zij wil daarom graag dat de Raad ook hiernaar onderzoek zal verrichten. De rechtbank zal de Raad daarom ook vragen om te onderzoeken of een wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
Uniform hulpaanbod
Op de zitting is daarnaast gesproken over de inzet van een traject omgangsbegeleiding en ouderschapsbemiddeling. Dit biedt de ouders de mogelijkheid om hun onderlinge communicatie te verbeteren en alvast begeleide omgang op te starten. In het onderzoek van de Raad kan dan worden meegenomen hoe dit verloopt.
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om aan beide trajecten deel te nemen. De rechtbank heeft de ouders al doorverwezen, , zoals blijkt uit het proces-verbaal dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding. Kenniscentrum Kind en Scheiding zal bekijken welke uitvoerende hulpverleningsinstantie het meest geschikt is, en de ouders daarvoor aanmelden.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemde trajecten. Zij verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om de eindrapportage op de hierna vermelde wijze in te dienen. Als daartoe aanleiding is kan de hulpverleningsinstantie kan de Raad en rechtbank ook tussentijds informeren.
Vaststelling informatie- en consultatieregeling
De vader heeft verzocht om een informatieregeling vast te stellen waarbij de moeder hem eenmaal per kwartaal informeert over voorkomende en belangrijke zaken rondom [minderjarige] . De moeder is hiermee akkoord, zodat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.
Vervangende toestemming vakantie
Tot slot is door de moeder verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met [minderjarige] naar Turkije in de zomervakantie van 2025 (van 4 tot en met 17 augustus 2025). Op de zitting heeft de vader toegezegd dat hij na de zitting het benodigde formulier zou invullen. Uit de e-mail van de advocaat van de moeder die de rechtbank na de zitting heeft ontvangen, volgt dat de vader zijn toestemming inderdaad heeft verleend en het formulier heeft ingevuld. Hierdoor heeft de moeder geen belang meer bij een beslissing door de rechtbank en de rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.
Brief voor [minderjarige]
De rechtbank zal [minderjarige] in een aparte brief vertellen wat de beslissing is. Hierna volgt de integrale tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap [minderjarige] heeft ontvangen.
Beste [minderjarige] ,
Een tijdje geleden hebben wij met elkaar gepraat op de rechtbank. Jij had mij ook een brief geschreven. Daarna heb ik met jouw ouders gepraat en heb ik een beslissing genomen. Ik stuur jou nu deze brief om jou te laten weten wat ik heb besloten.
Jouw vader wil jou graag weer (vaker) zien. Jij hebt zelf gezegd dat je dat niet zo prettig vindt. Toch denk ik dat er weer contact moet komen tussen jou en je vader omdat je een beetje van je vader en een beetje van je moeder in jou hebt. Wel vind ik het belangrijk dat er de eerste keren iemand anders bij is wanneer jij jouw vader weer gaat zien. Dat is iemand die vaker meekijkt als kinderen van gescheiden ouders contact hebben hun vader of moeder bij wie zij niet wonen. Hij of zij kijkt goed of het contact voor jou fijn is. Dan is het voor jou misschien ook wat minder spannend. Je ouders gaan ook hulp krijgen om ervoor te zorgen dat zij beter afspraken kunnen maken.
Daarnaast heb ik aan de “Raad voor de Kinderbescherming” gevraagd om goed te gaan onderzoeken hoe jij het beste contact kunt hebben met jouw vader, op een fijne en veilige manier. De Raad voor de Kinderbescherming weet veel van kinderen. Zij zullen ook met jou gaan praten, zodat jij je mening kunt geven. Ze zullen ook gaan praten met jouw vader en moeder.
Wanneer de uitslag van het onderzoek er is, ga ik weer verder praten met jouw ouders. Ik hoop dat dit jou rust geeft. Ik hoop ook dat het goed blijft gaan op school. Veel succes!
Met vriendelijke groet,
de kinderrechter
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2017 –:
*
Informatieregeling:
bepaalt dat de moeder aan de vader elk kwartaal schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] ;
*
Doorverwijzing naar omgangsbegeleiding en ouderschapsbemiddeling:
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ;
en
[de moeder]
,
wonende te [woonplaats] ;
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres] , [postcode] [plaats] ;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
*
Onderzoek Raad voor de Kinderbescherming:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot 1 oktober 2025 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht
aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
Voortgang van de zaak:
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming, de behandeling op een zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling op een zitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot 1 oktober 2025;
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 13 juni 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...