ECLI:NL:RBDHA:2025:19683 Rechtbank Den Haag , 21-10-2025 / NL25.49063
Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (medische redenen). Verweerder heeft verzoeker op 17 oktober 2025 bekend gemaakt dat hij op 22 oktober 2025 zal uitreizen naar Accra, Ghana. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek af.
12 min de lecture · 2 545 mots
Inhoudsindicatie. Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (medische redenen). Verweerder heeft verzoeker op 17 oktober 2025 bekend gemaakt dat hij op 22 oktober 2025 zal uitreizen naar Accra, Ghana. De voorzieningenrechter oordeelt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek af.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49063
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.F. Franca).
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2025 heeft verweerder het verzoek tot toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Verweerder heeft verzoeker op 17 oktober 2025 bekend gemaakt dat hij op 22 oktober 2025, om 15:20 uur per vlucht [vluchtnummer] zal uitreizen naar Accra, Ghana.
Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van de door verweerder voorgenomen uitzetting.
De voorzieningenrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren. Verweerder heeft op 20 oktober 2025 een verweerschrift ingediend. Verzoeker heeft op 21 oktober 2025 gereageerd, waarna verweerder daarop nog een reactie heeft gegeven. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. De voorzieningenrechter doet, met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), uitspraak zonder zitting.
2. Verzoeker, door verweerder geregistreerd als geboren op [geboortedatum] 1976 en van Ghanese nationaliteit, heeft op 3 november 2021 in Nederland asiel aangevraagd, onder meer op grond van zijn gestelde seksuele geaardheid, en tevens verzocht om uitstel van vertrek op medische gronden. Bij besluit van 12 december 2022 heeft verweerder deze aanvraag kennelijk ongegrond verklaard en ambtshalve geweigerd toepassing te geven aan artikel 64 van de Vw. Verweerder heeft verzoeker gevolgd in zijn verklaring dat hij is geboren in Kukuom, Ghana, maar achtte diens gestelde biseksualiteit en problemen vanwege zijn geaardheid en de dood van zijn vader ongeloofwaardig. Verder overweegt verweerder dat op 27 augustus 2020 al een terugkeerbesluit tegen verzoeker is uitgevaardigd. Bij uitspraak van 13 juli 2023 van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage, ECLI:NL:RBDHA:2023:10246, is het beroep van verzoeker tegen het besluit van 12 december 2022 ongegrond verklaard. Op 31 januari 2025 heeft verzoeker een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 4 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen. Bij uitspraak van dezelfde rechtbank en zittingsplaats van 18 april 2025 (zaaknummers NL25.11376 en NL25.11377, niet gepubliceerd) is ook dat beroep ongegrond verklaard. Geen van de aanvragen van verzoeker heeft geleid tot verlening van een verblijfsvergunning.
3. Verzoeker heeft op 16 juli 2025 (opnieuw) een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van de Vw. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft op 20 augustus 2025 medisch advies uitgebracht. Volgens dit advies is binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie te verwachten bij het uitblijven van de huidige behandeling (bestaande uit medicatie – bloedverdunners – en periodieke controle door de huisarts). Verzoeker is wel in staat te reizen onder medische voorwaarden. Het BMA concludeert verder dat de noodzakelijke medische behandeling in Ghana beschikbaar is. Verzoeker heeft in zijn zienswijze op het BMA-advies aangevoerd dat hij niet van Ghanese maar van Senegalese nationaliteit is, zodat de vraag of de behandeling in Ghana aanwezig is, niet relevant is. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 8 oktober 2025 afgewezen onder verwijzing naar het BMA-advies. Volgens verweerder heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij geen toegang tot de noodzakelijke behandeling zal hebben. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij – anders dan in eerdere procedures is aangenomen – de Senegalese nationaliteit bezit. Ghana heeft verzoekers Ghanese nationaliteit bovendien bevestigd. Verweerder heeft in het besluit vermeld dat verzoeker een besluit op een eventueel bezwaar en verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag afwachten.
4. Aan verzoeker is op 31 januari 2025 en op 22 april 2025 de maatregel van bewaring opgelegd. Op 17 oktober 2025 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt verzoeker uit te laten reizen naar Ghana. Verzoeker mag de beslissing op zijn bezwaar niet in Nederland afwachten. Het onderhavige verzoek strekt ertoe dit alsnog mogelijk te maken. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gezien de geplande uitzetting op 22 oktober 2025 om 15:20 uur is de spoedeisendheid gegeven. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of een belangenafweging aanleiding geeft een voorlopige voorziening te treffen.
Standpunt van verzoeker
5. Verzoeker heeft verzocht de gronden van zijn bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen in zijn verzoek om een voorlopige voorziening en stelt zich op het standpunt dat zijn bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Verzoeker voert aan dat het besluit van 8 oktober 2025 niet (rechtsgeldig) is ondertekend, zodat hij niet heeft kunnen controleren of het door een daartoe bevoegd persoon is genomen en er geen sprake is van een rechtsgeldige beschikking. Ter onderbouwing verwijst hij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage, van 17 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:253, alsmede naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:648, waaruit volgt dat verweerder een dergelijk gebrek had moeten herstellen voordat van een rechtsgeldige beschikking kan worden gesproken.
Verder stelt verzoeker dat hij afkomstig is uit Senegal. Hij zal daarvan zo spoedig mogelijk bewijs overleggen en meent dat hij in afwachting daarvan niet kan worden uitgezet naar een land dat niet het zijne is.
Voorts voert verzoeker aan dat hij bij een gedwongen vertrek naar Ghana zal terechtkomen in een medische noodsituatie. Hij stelt dat hij – omdat hij in vreemdelingenbewaring verblijft en geen toegang heeft tot internet – niet kan achterhalen welke mogelijkheden er in Ghana bestaan voor de verkrijging van medicatie en medische behandeling. Hij verwijst naar een website waaruit volgt dat Rivaroxaban, volgens het BMA-advies een alternatief voor zijn huidige medicatie Apixaban (bloedverdunner), 399 Ghanese cedi kost (thans omgerekend € 31,85). Hoewel in Ghana een zorgverzekeringsstelsel bestaat, wordt deze medicatie volgens verzoeker niet vergoed. Voor iemand met een uitkering is de hoge prijs van de medicatie niet te bekostigen. Dat de noodzakelijke medicatie niet wordt vergoed, betekent volgens hem dat niet zonder nader onderzoek kan worden aangenomen dat die behandeling voor hem beschikbaar en toegankelijk is.
Tot slot stelt verzoeker dat hij bij terugkeer in Ghana geen woning, inkomen of sociaal netwerk (familie of vrienden) heeft. Hij kan dit niet aantonen omdat hij niet kan bewijzen wat er niet is. Gelet op zijn medische klachten is hij naar eigen zeggen niet in staat arbeid te verrichten of inkomsten te genereren. Evenmin is er volgens hem een deugdelijk sociaal vangnetsysteem waarvan hij gebruik zou kunnen maken.
Standpunt van verweerder
6. Verweerder voert aan dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en dat het verzoek om een voorlopige voorziening daarom moet worden afgewezen. Volgens verweerder heeft verzoeker zijn stelling dat hij afkomstig is uit Senegal niet met stukken onderbouwd. Verweerder wijst er voorts op dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat de noodzakelijke medische behandeling voor hem feitelijk niet toegankelijk is, op verzoeker rust. Verzoeker is daarin volgens verweerder niet geslaagd. Van bewijsnood is volgens verweerder geen sprake, nu verzoeker rechtsbijstand geniet en desgewenst ondersteuning van derden kan inschakelen. Evenmin volgt verweerder verzoekers standpunt dat hij de kosten van het medicijn Rivaroxaban niet zou kunnen dragen of hiervoor niet zou kunnen terugvallen op sociale voorzieningen of steun van derden. De stelling dat dit medicijn niet onder een (nationale) zorgverzekering valt, is volgens verweerder onvoldoende onderbouwd. Verzoeker heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat hij de behandeling niet kan betalen, noch dat de medicatie voor hem niet wordt vergoed. Verzoeker heeft bovendien geen op zijn persoon toegespitste stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij geen sociaal netwerk heeft, dit niet kan opbouwen en evenmin aanspraak kan maken op sociale voorzieningen. Nu een afdoende onderbouwing ontbreekt, volgt verweerder niet dat de noodzakelijke zorg voor verzoeker feitelijk niet toegankelijk is.
Oordeel van de voorzieningenrechter
7. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat verzoeker zijn stelling dat hij niet de Ghanese, maar de Senegalese nationaliteit heeft, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. In zijn reactie van op het verweerschrift heeft hij bovendien erkend dat hij daarvoor thans geen stukken kan overleggen, terwijl dit wel van verzoeker mocht worden verwacht. Verweerder heeft in het primaire besluit overwogen dat verzoeker tijdens een presentatie bij de Ghanese autoriteiten heeft verklaard uit Senegal te komen, terwijl er een kopie van zijn Ghanese geboorteakte voorhanden is én zijn Ghanese nationaliteit door die autoriteiten is bevestigd. Verzoeker heeft dit niet betwist. Daarbij weegt mee dat verzoeker in eerdere asielprocedures zelf heeft gesteld de Ghanese nationaliteit te bezitten en uitvoerig heeft verklaard over zijn gestelde problemen in Ghana, die door verweerder ook als zodanig zijn beoordeeld – de Ghanese nationaliteit is geloofwaardig geacht. De voorzieningenrechter acht het dan ook voorshands aannemelijk dat deze bezwaargrond geen redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat verzoekers bezwaargrond dat de noodzakelijke medische zorg voor hem feitelijk niet toegankelijk is, kans van slagen heeft. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 26 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2046, is het volgens paragraaf 186 van het arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, aan een vreemdeling zelf om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheid een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt en dat, indien deze beschikbaar is, de medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Dit hoeft volgens het EHRM geen ‘clear proof’ te zijn. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:571, onder 2.1, en de uitspraak van 14 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2799, onder 7 en 7.1. Dit betekent onder meer dat verzoeker aannemelijk moet maken wat de kosten van de behandeling in Ghana zijn en, indien hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen feitelijk niet toegankelijk is, ook dat met concrete gegevens aannemelijk moet maken.
Het betoog van verzoeker dat hij in vreemdelingenbewaring geen mogelijkheid heeft om informatie te verzamelen, treft geen doel. De voorzieningenrechter volgt verweerder in diens standpunt dat verzoeker wordt bijgestaan door een gemachtigde – wat er ook toe heeft geleid dat wel enige informatie is ingebracht – en desgewenst hulp van derden had kunnen inschakelen. Bovendien volgt uit het voorgaande toetsingskader dat de bewijslast die op verzoeker rust niet de hoge lat van ‘clear proof’ betreft, maar dat wel van hem mag worden verwacht dat hij – mede op basis van zijn persoonlijke situatie – aannemelijk maakt dat de noodzakelijke zorg voor hem in Ghana feitelijk niet toegankelijk is. Daarin is hij vooralsnog niet geslaagd, gelet op het volgende.
Verweerder voert terecht aan dat verzoeker met enkel een verwijzing naar een website over de kosten van Rivaroxaban niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit medicijn voor hem feitelijk niet toegankelijk is in Ghana. Daarmee heeft verzoeker wel enig inzicht gegeven in de te verwachten kosten, maar dat laat onverlet dat hij niet afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de kosten – inclusief die van de behandeling door de arts – naar verwachting niet zou kunnen dragen. Verzoeker heeft geen inzicht verschaft in zijn financiële situatie. Dat hij, gelet op zijn medische problematiek, niet in staat zou zijn arbeid te verrichten of inkomen te genereren, volgt niet uit het BMA-advies noch is dit anderszins onderbouwd. De voorzieningenrechter overweegt dat wordt onderkend dat verzoeker bij terugkeer mogelijk moeilijkheden zal ondervinden. Verzoeker heeft echter niet met op hem toegesneden stukken aannemelijk gemaakt dat hij de medische kosten op geen enkele wijze zal kunnen opvangen. Dat hij stelt geen sociaal netwerk te hebben, betekent niet dat hij geen netwerk zou kunnen opbouwen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat hij geen toegang zal kunnen krijgen tot een sociaal vangnetsysteem of ziektekostenverzekering. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit de door verzoeker genoemde website over het nationale ziektekostensysteem (zogenoemd ‘NHIS’) niet blijkt dat Rivaroxaban niet wordt vergoed. Het enkele feit dat verzoeker geen document heeft kunnen vinden waarin dit medicijn expliciet voorkomt op de lijst van door de NHIS vergoede middelen, maakt niet dat moet worden aangenomen dat vergoeding voor verzoeker is uitgesloten – ook via een particuliere ziektekostenverzekering. Het standpunt van verzoeker dat in dat geval veronderstellenderwijs moet worden uitgegaan van geen dekking, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet. Verzoeker heeft dit evenmin onderbouwd met het door hem aangehaalde artikel ‘Does NHIS Cover Medication? What Ghanaians Should Know’ van 9 juli 2025. Daarin wordt slechts een illustratieve lijst weergegeven van wat NHIS ‘typically covers’; bloedverdunners worden daar niet genoemd, maar evenmin op de lijst van uitgesloten medicatie. Voorts is het overgelegde artikel van 5 april 2022 over economische uitdagingen in Ghana onvoldoende om aannemelijk te achten dat verzoeker – zelfs indien hij geen inkomen zou kunnen genereren en geen netwerk zou hebben – niet zou kunnen terugvallen op een sociaal vangnetsysteem.
Gelet op wat verzoeker in zijn bezwaargronden heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter dan ook niet dat het bezwaar op dit punt een redelijke kans van slagen heeft, nu verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke medische zorg voor hem feitelijk niet toegankelijk is.
9. Ten aanzien van het bezwaaronderdeel over het ontbreken van de ondertekening van het besluit van 8 oktober 2025 overweegt de voorzieningenrechter dat ook deze grond geen redelijke kans van slagen heeft en daarom niet noopt tot het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter volgt verweerder in diens standpunt dat ondertekening van het besluit niet was vereist, nu het is afgedaan krachtens een regulier afdoeningsmandaat op grond van in artikel 10:1 van de Awb (vgl. de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage, ECLI:NL:RBDHA:2024:20174, r.o. 6.1). Het besluit was bovendien voor verzoeker voldoende kenbaar en toetsbaar, nu onderaan de naam van de beslismedewerker is vermeld. In het colofon staat voorts dat deze medewerker werkzaam is bij de Directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap (RVN F&G ZW Team 14). Ook hierover heeft deze rechtbank reeds geoordeeld (uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1864, r.o. 3.1).
10. De voorzieningenrechter ziet tot slot in wat verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Uitkomst
11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter – Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...