Pays-Bas Rechtbank Den Haag Divers 30 septembre 2025 N° C/09/675263 / FA RK 24-7961 NL

ECLI:NL:RBDHA:2025:20017 Rechtbank Den Haag , 30-09-2025 / C/09/675263 / FA RK 24-7961

Vernietiging erkenning, vaststelling ouderschap

Source officielle

10 min de lecture 2 078 mots

Inhoudsindicatie. Vernietiging erkenning, vaststelling ouderschap

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 24-7961

Zaaknummer: C/09/675263

Datum beschikking: 30 september 2025

Beschikking op het op 28 oktober 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente 1] ,

advocaat mr. M.C.G. Stut te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift, met bijlagen;

het F9-bericht van 24 december 2024, met bijlagen;

het F9-bericht van 30 juni 2025, met bijlagen;

de brief van 22 juli 2025.

Verzoek

Verzoeker verzoekt de rechtbank:

Vernietiging erkenning

I. het door erkenning ontstane vaderschap van de juridische vader ( [naam 1]
) te aanzien van verzoeker te vernietigen;

Gerechtelijke vaststelling vaderschap

Primair

II. het vaderschap van de biologische vader, de heer [naam 2] , ten aanzien van
verzoeker gerechtelijk vast te stellen;
Subsidiair
III. een deskundigenonderzoek, te weten een kenmerkenonderzoek dor middel van
DNA, ter beantwoording van de vraag of de heer [naam 2] de biologische
vader is van verzoeker;

IV. verzoeker in de gelegenheid te stellen een DNA-onderzoek te (laten) verrichten
met het lichaamseigen materiaal, zodat de DNA profielen van verzoeker en de
biologisch vader kunnen worden vergeleken;
V. voor zover nodig, te bepalen dat de rechthebbende(n) van het graf van de
biologische vader verplicht is (zijn) tot daadwerkelijke medewerking aan het
onderzoek, inhoudende dat toestemming dient te worden verleend voor het openen
van het graf en het laten verrichten van al die handelingen die ertoe leiden dat in

het kader van het hiervoor bedoelde onderzoek de beschikking kan worden
verkregen over lichaamseigen materiaal van de biologisch vader;

VI. het vaderschap van de biologische vader, de heer [naam 2] , ten aanzien van
verzoeker gerechtelijk vast te stellen;

Geslachtsnaam

VII. te bepalen dat verzoeker de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam 1] ’ zal behouden;

VIII. de griffier op te dragen een afschrift van de beschikking te zenden aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente 2] om als latere
vermelding te worden toegevoegd aan de geboorteakte van verzoeker.

Feiten

– Verzoeker is op [geboortedatum 1] 1961 te [geboorteplaats 1] als [voornaam] [geslachtsnaam 2] geboren uit [de moeder] (hierna: ‘de moeder’, geboren op [geboortedatum 2] 1936 te [geboorteplaats 1] en overleden op [datum 1] 2015 te [plaats 1] ).

– De moeder is op [datum 2] 1965 gehuwd met [naam 1] (geboren op
[geboortedatum 3] 1937 te [geboorteplaats 2] ). Door erkenning bij het huwelijk is [naam 1] op [datum 2] 1965 de juridische vader van verzoeker geworden. [naam 1] is op [datum 3] 2023 te [plaats 2] overleden.

– De achternaam van verzoeker is op [datum 2] 1965 gewijzigd van ‘ [geslachtsnaam 2] ’ naar ‘ [geslachtsnaam 1] ’.

– Uit een rapport van DNA-onderzoek van Verilabs – dat is opgesteld aan de hand van een scheerapparaat van wijlen de heer [naam 2] en DNA-profielen van twee nichten van verzoeker en verzoeker zelf – blijkt met meer dan 99,999% zekerheid dat de heer [naam 2] (geboren op [geboortedatum 4] 1927 te [geboorteplaats 3] en overleden op [datum 4] 2023 te [plaats 3] , hierna te noemen: ‘ [naam 2] ’) de biologische vader is van verzoeker.

Beoordeling

Vernietiging erkenning en gerechtelijke vaststelling vaderschap

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:205 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend:

door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden;

door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen;

door de moeder, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden is bewogen toestemming tot erkenning te geven.

Op grond van het vierde lid van genoemd artikel wordt het verzoek door het kind ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de erkenner vermoedelijk niet zijn biologische vader is.

Op grond van artikel 1:207 lid 1, onderdeel b BW kan, op verzoek van het kind, het vaderschap van een man, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank worden vastgesteld. Uit het tweede lid, onderdeel a van genoemd artikel volgt dat gerechtelijke vaststelling van het ouderschap niet kan geschieden, indien het kind twee ouders heeft. De rechtbank overweegt dat artikel 1:207 BW voor het kind géén termijn heeft verbonden aan een verzoek tot vaststelling van het ouderschap. Het kind heeft hiertoe dan ook een in tijd onbeperkte mogelijkheid.

Ontvankelijkheid

Verzoeker is zich ervan bewust dat de in artikel 1:205 lid 4 BW genoemde termijn voor het verzoek tot vernietiging van de erkenning door zijn juridisch vader, [naam 1] , is verstreken. Verzoeker, die inmiddels 64 jaar oud is, voert immers zelf aan dat hij al sinds zijn pubertijd ervan op de hoogte is dat zijn juridische vader niet zijn biologische vader is. Verzoeker stelt zich in dit verband – met inachtneming van artikel 8 EVRM – op het standpunt dat de in artikel 1:205 lid 4 BW gestelde termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongerechtvaardigde inmenging in zijn familie- en gezinsleven betekent. Hij verzoekt daarom om de wettelijke driejaarstermijn buiten beschouwing te laten.

Vooropgesteld wordt dat het stellen van termijnen noodzakelijk is om de rechtszekerheid te waarborgen en om de belangen van het kind te beschermen. Hoewel het stellen van termijnen in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging is in het familie- en gezinsleven van betrokkenen in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), is de rechtbank van oordeel dat het vasthouden aan de hiervoor genoemde termijn in dit geval, gelet op de gegeven omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wel een ongerechtvaardigde inmenging in het familie- en gezinsleven van verzoeker zou opleveren en in zoverre strijdig is met artikel 8 EVRM. Het respect voor het familie- en gezinsleven eist in de onderhavige zaak dat het belang van de biologische en maatschappelijke werkelijkheid prevaleert boven het belang van de strikte hantering van de in artikel 1:205 lid 4 BW gestelde termijn en de daarmee voorgestane rechtszekerheid. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat niet is gebleken dat er overige belanghebbenden zijn die hierdoor geschaad zouden (kunnen) worden. Bovendien zijn er ook geen andere aanwijzingen dat de rechtszekerheid in het onderhavige geval zou worden geschaad wanneer niet wordt vastgehouden aan de wettelijke termijn.

Gelet hierop concludeert de rechtbank dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoeken.

Inhoudelijke beoordeling

Door verzoeker zijn verschillende stukken overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat het juridisch vaderschap van [naam 1] zou moeten worden vernietigd en dat het biologische vaderschap van [naam 2] gerechtelijk moet worden vastgesteld, waaronder:

het onderzoeksrapport van Verilabs;

het geboortekaartje van verzoeker, dat zijn oma destijds aan [naam 2] heeft toegestuurd;

schriftelijke verklaringen van de broers van de moeder;

schriftelijke verklaringen van familieleden van [naam 2] ;

(ondersteunende) DNA-matches met (verre) familieleden van [naam 2] , via MyHeritage.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze stukken voldoende bewijs dat niet [naam 1] maar [naam 2] de verwekker – en dus de biologische vader – van verzoeker is.

Hieruit volgt dat de rechtbank de verzoeken I en II zal toewijzen en verder niet toekomt aan de beoordeling van de subsidiaire verzoeken III tot en met VI.

Geslachtsnaam

Uit artikel 1:206 BW volgt dat, nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, de erkenning geacht wordt nimmer gevolg te hebben gehad. Dit heeft als consequentie dat daardoor de huidige achternaam van verzoeker, die hij verkreeg bij zijn erkenning door [naam 1] , in beginsel ook vervalt.

Verder volgt uit artikel 1:207 lid 5 BW dat de vaststelling van het ouderschap, mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, terugwerkt tot het moment van de geboorte van het kind.

De gevolgen hiervan voor de geslachtsnaam van een kind zijn opgenomen in artikel 1:5 BW, meer specifiek in lid 7 van dat artikel. Hieruit volgt dat verzoeker een keuze zou moeten maken of hij de geslachtsnaam van zijn ene ouder of zijn andere ouder zal hebben. Voor verzoeker betekent dit, na vaststelling van het vaderschap van [naam 2] , de keuze tussen ofwel ‘ [geslachtsnaam 2] ’ ofwel ‘ [naam 2] ’.

Door verzoeker is gemotiveerd aangevoerd dat een geslachtsnaamwijziging niet in zijn belang is en ook niet in het belang van de sociale en emotionele ontwikkeling van zijn (klein)kinderen. Ook leidt een wijziging van zijn achternaam voor verzoeker tot een onaanvaardbare inbreuk op zijn identiteit en familie- en gezinsleven.

De rechtbank oordeelt hierover – in lijn met eerdere uitspraken (bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 november 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4362 en de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4004) – als volgt.

Op grond van de artikelen 1:206 en 1:207 lid 5 BW werken respectievelijk de vernietiging van de erkenning en de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap terug tot de geboorte van het betreffende kind. Artikel 1:5 lid 7 BW heeft voor verzoeker het hiervoor geschetste rechtsgevolg dat hij de keuze heeft om zijn geslachtsnaam (terug) te wijzigen in ofwel ‘ [geslachtsnaam 2] ’ ofwel ‘ [naam 2] ’. Hoewel de wettekst deze keuze niet expliciet biedt, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verzoeker ook de mogelijkheid moet hebben ervoor te kiezen de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 1] ” te behouden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever deze mogelijkheid bewust heeft willen uitsluiten. Het lijkt er eerder op dat de wetgever destijds niet alle mogelijke situaties en dus ook niet de daarbij behorende opties voor wat betreft geslachtsnaam heeft voorzien.

Het naamrecht valt onder de bescherming van artikel 8 EVRM. Op grond van dit artikel heeft verzoeker recht op eerbiediging van zijn privéleven en familie- en gezinsleven en is inmenging door het openbaar gezag slechts toegestaan voor zover dat noodzakelijk is ter bescherming van de in artikel 8 lid 2 EVRM genoemde belangen. De rechtbank is van oordeel dat de in dit artikel genoemde belangen in dit geval geen inbreuk op het privé- en familieleven van verzoeker rechtvaardigen. Verzoeker is immers gedurende zijn hele leven zowel privé als in het maatschappelijk verkeer bekend onder de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam 1] ’, zodat deze naam een wezenlijk onderdeel van zijn identiteit betreft. Dit geldt ook voor de identiteit van zijn kinderen en kleinkinderen. Verder is niet van bezwaren tegen het behoud van de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam 1] ’ gebleken of gebleken dat de openbare orde daarmee in het geding komt. Verzoeker heeft daarom een rechtens te respecteren belang om deze geslachtsnaam te behouden.

Onder deze (bijzondere) omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank strikte toepassing van artikel 1:5 lid 7 BW zozeer in strijd met het recht van verzoeker op bescherming van zijn identiteit en de eerbiediging van zijn privéleven en familie- en gezinsleven, dat toepassing van het rechtsgevolg met betrekking tot de geslachtsnaamswijziging van artikel 1:5 BW in dit geval achterwege moet blijven, zodat verzoeker de geslachtsnaam [geslachtsnaam 1] zal kunnen behouden.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank toewijzend beslissen op verzoek VII.

Conform het verzochte onder VIII zal de rechtbank de griffier opdracht geven om een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente 2] toe te sturen, zodat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [naam 2] als latere vermelding kan worden toegevoegd aan de geboorteakte van verzoeker.

Beslissing

De rechtbank:

*

vernietigt de erkenning van [verzoeker] , geboren op [geboortedatum 1] 1961 te [geboorteplaats 1] door [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 1937 te [geboorteplaats 2] en overleden op [datum 3] 2023 te [plaats 2] ;

*

stelt vast het ouderschap van:

[naam 2] , geboren op [geboortedatum 4] 1927 te [geboorteplaats 3] en overleden op [datum 4] 2023 te [plaats 3] ,

over:

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum 1] 1961 te [geboorteplaats 1] ,

uit:

[de moeder] , geboren op [geboortedatum 2] 1936 te [geboorteplaats 1] en overleden op [datum 1] 2015 te [plaats 1] ;

met dien verstande dat daaraan het rechtsgevolg met betrekking tot de geslachtsnaamwijziging wordt onthouden, in die zin dat verzoeker de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam 1] ” behoudt;

geeft de griffier de opdracht om een afschrift van deze beschikking te sturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente 2] .

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.


Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.