ECLI:NL:RBDHA:2025:20498 Rechtbank Den Haag , 29-10-2025 / AWB 24-16027
Braziliaanse. Beroep tegen los terugkeerbesluit en inreisverbod. Ongegrond.
7 min de lecture · 1 526 mots
Inhoudsindicatie. Braziliaanse. Beroep tegen los terugkeerbesluit en inreisverbod. Ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/16027
uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.M.W. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 9 september 2024 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Bij besluit van 8 oktober 2024 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiseres is, met behulp van een videoverbinding, verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [datum] 1989 en heeft de Braziliaanse nationaliteit.
2. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van vier weken, omdat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte aan haar een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd en ten onrechte een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft opgelegd. Er is namelijk sprake van bijzondere, individuele omstandigheden. Eiseres is bezig met het formaliseren van haar verblijfsrecht in Portugal voor verblijf bij haar (inmiddels) Portugese echtgenoot, die ook garantstaat. Daarnaast beschikt ze over een vast woonadres en een zorgverzekering in Portugal. Verder is sprake van een strijd met artikel 8 van het EVRM, omdat zij gezinsleven heeft met haar Portugese echtgenoot in Portugal. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek verricht naar deze omstandigheden, aldus eiseres.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ontvankelijkheid
4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag of eiseres tijdig beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit 1.
5. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van vier weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de reguliere post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.
6. Uit het bestreden besluit 1 blijkt dat het besluit op 9 september 2024 is opgelegd en onmiddellijk aan eiseres is uitgereikt. Dit betekent dat het beroepschrift uiterlijk 7 oktober 2024 moest worden ingediend. Uit de in het dossier aanwezige envelop blijkt dat het beroepschrift op 7 oktober 2024 aangetekend op de post is gedaan en binnen een week, namelijk op 9 oktober 2024, is ontvangen, zodat sprake is van een tijdig ingediend beroepschrift en eiseres ontvankelijk is in haar beroep.
Beroep tegen het bestreden besluit 1 (terugkeerbesluit)
7. Uit artikel 61, eerste lid, in samenhang met artikel 62a, eerste en tweede lid, van de Vw volgt dat verweerder aan een vreemdeling, zijnde een derdelander, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft een terugkeerbesluit moet opleggen (tenzij één van de in artikel 62a, eerste lid, onder a, b of c, van de Vw genoemde uitzonderingen zich voordoet).
8. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt op welke wijze verweerder in het algemeen een terugkeerbesluit dient voor te bereiden. Verweerder dient voorafgaand aan de het uitvaardigen van een terugkeerbesluit de vreemdeling tijdens een gehoor in voldoende mate in de gelegenheid stellen om feiten over zijn of haar situatie naar voren te brengen. Zo nodig moet door verweerder naar aanleiding van de gegeven verklaringen worden doorgevraagd. Op die manier heeft de vreemdeling de mogelijkheid om persoonlijke omstandigheden aan te voeren die ondersteunen dat hij of zij rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder moet met de nodige aandacht kennisnemen van de verklaringen van de vreemdeling en alle relevante gegevens zorgvuldig onderzoeken.
9. De rechtbank stelt vast dat eiseres voorafgaand aan het terugkeerbesluit is gehoord. Tijdens dit gehoor heeft zij verklaard dat er geen redenen of bijzondere omstandigheden zijn waarom zou moeten worden afgezien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Ook heeft zij verklaard niet nader gehoord te willen worden, zodat verweerder voldoende onderzoek heeft verricht naar de verblijfsstatus van eiseres alvorens het terugkeerbesluit is uitgevaardigd. De opmerking van eiseres op zitting dat zij procedureel rechtmatig verblijf had (en nog steeds heeft) in Portugal, omdat zij bezig is met het formaliseren van haar verblijfsrecht aldaar, maakt niet dat zij onder de uitzonderingsbepaling van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw valt. Procedureel rechtmatig verblijf is naar zijn aard onzeker, veelal van korte(re) duur en dient als uitstel van de plicht het land te verlaten tot op de aanvraag is beslist. Om die reden kan procedureel rechtmatig verblijf in Portugal eiseres niet baten, omdat een dergelijke verblijfsstatus niet aangemerkt kan worden als een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf in de zin van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Nu niet is gebleken dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit 1 rechtmatig verblijf in Nederland had, heeft verweerder terecht een terugkeerbesluit aan haar uitgevaardigd.
Beroep tegen het bestreden besluit 2 (inreisverbod)
10. Uit artikel 66a, eerste lid, onder b, van de Vw en artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb volgt dat verweerder een inreisverbod van ten hoogste twee jaren uitvaardigt tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland binnen een bepaalde termijn moet verlaten en waarbij een afzonderlijk besluit wordt genomen. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw kan verweerder, in afwijking van het eerste lid, om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.
11. In paragraaf A4/2.2., onder b en c, van de Vc is opgenomen dat geen inreisverbod wordt opgelegd als de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft in de EU of als sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. In paragraaf A4/2.3. van de Vc is opgenomen dat verweerder kan afzien van het opleggen van een inreisverbod als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.
12. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een inreisverbod moet worden beoordeeld naar de stand van zaken op het moment dat het inreisverbod wordt opgelegd (ex tunc).
13. Aan eiseres is op 9 september 2024 een voornemen voor het opleggen van een inreisverbod uitgereikt. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken. Niet in geschil is dat zij dit niet heeft gedaan. Om die reden kan de rechtbank de omstandigheden van eiseres, zoals weergegeven in rechtsoverweging drie, niet bij haar beoordeling betrekken, omdat deze omstandigheden pas na het bestreden besluit 2 kenbaar zijn gemaakt. De opmerking van eiseres dat deze omstandigheden toen al wel bestonden, leidt niet tot een andere conclusie. Deze dienen immers kenbaar te worden gemaakt, zodat verweerder deze kan betrekken bij de beoordeling of het opleggen van een inreisverbod aan eiseres al dan niet onrechtmatig is. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om van het opleggen van het inreisverbod af te zien. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiseres, indien zij meent aan de voorwaarden te voldoen, een verzoek kan doen voor het opheffen van het inreisverbod.
Conclusie
14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht een terugkeerbesluit aan eiseres uitgevaardigd en een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Het beroep is dan ook ongegrond.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op http://www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
- Artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
- Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
- Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
- ABRvS 28 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1346.
- Vreemdelingenbesluit 2000.
- Vreemdelingencirculaire 2000.
- ABRvS 9 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2308.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...