ECLI:NL:RBDHA:2025:20505 Rechtbank Den Haag , 06-10-2025 / C/09/652910 / FA RK 23-6218
Gezagsuitoefening, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie
7 min de lecture · 1 405 mots
Inhoudsindicatie. Gezagsuitoefening, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-6218
Zaaknummer: C/09/652910
Datum beschikking: 6 oktober 2025
Gezagsuitoefening, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie
Beschikking op het op 25 augustus 2023 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw/de moeder
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. CJ.C. Herweijer te Wateringen.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man/de vader
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Oedayrajsingh Varma te Zoetermeer.
Procedure
Bij beschikking van 3 september 2024 van deze rechtbank is:
de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn, onder de voorwaarde van inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, verschillende onderdelen van de huwelijksgoederengemeenschap aan één van partijen toegedeeld;
een beslissing ten aanzien van de verdeling van de echtelijke woning, de hoofdverblijfplaats, de zorg- en vakantieregeling, de kinderalimentatie en de proceskosten aangehouden.
Bij beschikking van 16 oktober 2024 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
de wijze van verdeling van de echtelijke woning vastgesteld conform het in het dictum vermelde spoorboekje;
iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de kinderalimentatie en de proceskosten aangehouden.
De rechtbank heeft nogmaals kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
het F9-bericht van 31 maart 2025 van de zijde van de vrouw;
het F9-bericht van 2 april 2025 van de zijde van de man;
het F9-bericht van 5 september 2025, met bijlagen, van de vrouw;
het F9-bericht van 17 september 2025, met bijlagen, van de man.
Op 22 september 2025 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
[minderjarige] heeft haar mening zowel per brief als in een gesprek met de kinderrechter kenbaar gemaakt.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikkingen is overwogen en beslist.
Hoofdverblijfplaats
Partijen zijn het erover eens dat de minderjarige [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw, om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen, daarom toewijzen. De rechtbank acht dit ook in het belang van [minderjarige] .
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de man, om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen, afwijzen.
Zorgregeling
Toen partijen uit elkaar gingen is [minderjarige] in eerste instantie met de vader in de voormalige echtelijke woning blijven wonen en is de moeder vertrokken naar andere woonruimte. Inmiddels is de situatie zo dat de moeder de echtelijke woning heeft overgenomen en dat zij daar sinds maart 2025 samen met [minderjarige] woont. Sindsdien heeft [minderjarige] helemaal geen contact meer met haar vader.
Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige] aan de kinderrechter verteld dat ze, nadat haar ouders uit elkaar waren gegaan, eerst zo’n twee en een half jaar bij de vader woonde, omdat ze graag in de woning wilde blijven waar zij was opgegroeid. [minderjarige] vond het ook zielig voor de vader dat de moeder was vertrokken. Sinds haar moeder de woning heeft overgenomen, woont [minderjarige] bij de moeder en haar partner [naam 2] en daar voelt ze zich goed. [minderjarige] vond het moeilijk om haar vader te vertellen dat zij niet meer bij hem wilde wonen, omdat ze bang was dat hij boos zou worden. Ze vertelde bij het vorige kindgesprek tegen de kinderrechter dat ze een goede band met haar vader had, maar dat was niet waar. [minderjarige] wil geen contact meer met haar vader, omdat zij niet blij is met de dingen die hij heeft gedaan. In maart 2025 heeft een incident plaatsgevonden, waarbij de vader [minderjarige] uit de auto had gezet, omdat hij boos was dat [minderjarige] , die toen al bij moeder verbleef, niet een paar dagen bij de vader wilde verblijven. [minderjarige] heeft verder verteld dat ze, een paar dagen later, van een teamgenootje bij de voetbalvereniging heeft gehoord over ongepaste gedragingen en uitingen van haar vader naar dat meisje. [minderjarige] heeft de kinderrechter duidelijk laten weten dat zij geen contact meer met haar vader wil en dat zij daartoe ook niet gedwongen wil worden.
De rechtbank heeft op de zitting met de ouders gesproken over de inhoud van het kindgesprek.
De moeder was op de hoogte van wat [minderjarige] aan de kinderrechter heeft verteld. Zij heeft op de zitting toegelicht dat [minderjarige] na het gesprek met haar teamgenootje overstuur was thuisgekomen en dat daarna ook gesprekken hebben plaatsgevonden op de voetbalvereniging waarbij [minderjarige] , de moeder en haar huidige partner, alsook het betreffende teamgenootje en haar ouders, de trainster en het bestuur van de voetbalvereniging aanwezig waren. De gesprekken bij de voetbalvereniging hebben ertoe geleid dat de vader niet meer op de voetbalvereniging mag komen. De zedenpolitie is ingeschakeld en er is ook aangifte tegen de vader gedaan, aldus de moeder.
De vader heeft op de zitting verklaard hierover allemaal niets te weten en hij heeft de beschuldigingen betwist. De vader is er ook niet mee bekend dat hij niet meer op de voetbalvereniging mag komen. De vader wil dat het contact tussen hem en [minderjarige] wordt hersteld. Hij heeft namelijk altijd voor haar gezorgd en [minderjarige] is volgens de vader een papa’s kindje.
Ter zitting heeft de vader verzocht om een zorgregeling waarbij [minderjarige] om het weekend bij hem is en daarnaast nog op twee doordeweekse momenten. De moeder heeft haar verzoek om vaststelling van een zorgregeling op de zitting ingetrokken. [minderjarige] wil geen contact met de vader. [minderjarige] heeft rust nodig, dus er moet geen zorgregeling worden vastgesteld.
Raadsonderzoek
De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de zorgregeling, zodat – zoals op de zitting al besproken – aanleiding wordt gezien een onderzoek door de Raad te gelasten.
De rechtbank verzoekt de Raad in haar onderzoek de volgende vragen te betrekken:
– Kan omgang/contact tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] worden geacht, of is sprake van contra-indicaties?
– Ingeval een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] in het belang van [minderjarige] wordt geacht:
1) wat is er nodig om het contact tussen de man en [minderjarige] te herstellen?
2) welke zorgregeling is in het belang van [minderjarige] ?
– Is er hulpverlening voor [minderjarige] geïndiceerd? Zo ja, welke?
– Is er hulpverlening voor de ouders geïndiceerd? Zo ja, welke?
De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van het onderzoek door de Raad iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling voor de duur van zes maanden aanhouden.
Kinderalimentatie
Partijen zijn, tijdens een korte schorsing van de zitting, overeengekomen dat de man met ingang van 1 april 2025, overeenkomstig het verzoek van de vrouw, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 230,- per maand aan de vrouw zal betalen. De rechtbank zal deze afspraak in het dictum vastleggen en beschouwt het andersluidende verzoek van de man ten aanzien van de kinderalimentatie als ingetrokken.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige:
– [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] van € 230,- per maand zal betalen, vanaf de datum van deze beschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] / [telefoonnummer 2] (advocaat moeder) en
[telefoonnummer 3] / [telefoonnummer 4] (advocaat vader);
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot 15 april 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan.
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2025.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...