ECLI:NL:RBDHA:2025:20684 Rechtbank Den Haag , 16-10-2025 / AWB 24/6850-V
Verzet, besluit Buitenlandse Zaken, te late bezorging besluit door PostNL, herstel/retour huisadres, verschoonbare reden voor termijnoverschrijding, verzet gegrond
4 min de lecture · 847 mots
Inhoudsindicatie. Verzet, besluit Buitenlandse Zaken, te late bezorging besluit door PostNL, herstel/retour huisadres, verschoonbare reden voor termijnoverschrijding, verzet gegrond
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/6850-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 op het verzet van
[opposant] , opposant,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: H. Drenth).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) van 6 maart 2024.
In de uitspraak van 30 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft het beroep van opposant in de uitspraak van 30 mei 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep te laat was ingediend en opposant hiervoor geen geldige reden had opgegeven.
2. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel was over de uitkomst van de zaak en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 niet juist was.
4. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2025 niet juist, omdat in de uitspraak geen rekening is gehouden met het feit dat PostNL frequent stukken (veel) te laat, verkeerd of helemaal niet bezorgt. Opposant voert ook aan dat zij bij haar beroepschrift een kopie heeft gevoegd van de envelop waarin de beschikking van 6 maart 2024 naar haar is gestuurd. Opposant stelt dat op de envelop duidelijk een sticker met ‘herstel/retour huisadres’ zichtbaar is, waardoor het zeer onwaarschijnlijk is dat (zoals de rechtbank in de uitspraak van 30 mei 2025 heeft aangenomen) de post op of kort na 8 maart 2024 is bezorgd.
5. De rechtbank is het eens met opposant dat de rechtbank de zaak niet zonder zitting had kunnen afdoen. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
6. Opposant heeft afbeeldingen overgelegd van de envelop waarin volgens hem de beschikking van 6 maart 2024 zat. De rechtbank stelt vast dat de envelop het logo van verweerder bevat dat ook op de beschikking van 6 maart 2024 is te zien. Verder stelt de rechtbank vast dat deze envelop en de beschikking ook te zien zijn in een whatsapp-gesprek van 28 maart 2024, waarin staat “Zat nu pas in jouw brievenbus”. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat de envelop inderdaad de beschikking van 6 maart 2024 bevat.
7. De rechtbank stelt verder vast dat op de envelop een sticker van PostNL te zien is, waarop staat “Herstel/retour huisadres” en waarop het vakje “Herstel aan geadresseerde” met pen is aangevinkt. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat zo’n sticker op een poststuk wordt geplakt als het poststuk tijdens de postverwerking voor een andere straat of wijk is gesorteerd. Als de fout wordt ontdekt, wordt de sticker op het poststuk geplakt en vervolgens opnieuw gesorteerd en bezorgd. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat de beschikking van 6 maart 2024 niet op of rond 8 maart 2024 is bezorgd, maar enige tijd later is bezorgd. Hoewel niet precies valt vast te stellen wanner deze brief precies is bezorgd, vindt de rechtbank het aannemelijk dat dit is gebeurd in de periode van het whatsapp-gesprek van 28 maart 2024.
8. De rechtbank heeft het beroepschrift (van 15 april 2024) ontvangen op 17 april 2025. Daarmee heeft opposant zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd beroep ingesteld.
9. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat opposant een verschoonbare reden heeft voor de termijnoverschrijding en dat de rechtbank in de uitspraak van 30 mei 2025 het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het te laat indienen van het beroepschrift. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 30 mei 2025 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb). Het vervallen van de eerdere uitspraak betekent dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. Opposant krijgt over de verdere behandeling nog bericht.
10. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposant. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...