ECLI:NL:RBDHA:2025:24227 Rechtbank Den Haag , 10-07-2025 / 23/3063
Intrekking en terugvordering Tozo. Beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang omdat er geen geschil meer is. Uitspraak zonder zitting.
4 min de lecture · 833 mots
Inhoudsindicatie. Intrekking en terugvordering Tozo. Beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang omdat er geen geschil meer is. Uitspraak zonder zitting.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3063
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. P. Siemerink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiser tegen de intrekking en terugvordering van de bijstand die hij op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo) heeft ontvangen. Eiser was het er niet mee eens dat hij de Tozo 3- uitkering gedeeltelijk moest terug betalen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep omdat er geen geschil meer is. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 3 februari 2022 (het primaire besluit) heeft het college de Tozo 3- uitkering van eiser ingetrokken per 1 januari 2021 en teruggevorderd over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 tot een bedrag van € 3.226,32.
Met het besluit van 6 maart 2023 (het bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Met het besluit van 8 april 2024 (het bestreden besluit 2) heeft het college een herziene beslissing op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van eiser gegrond is verklaard en de terugvordering gewijzigd is vastgesteld op een lager bedrag, te weten
€ 2.405,-.
Eiser heeft zijn beroep niet ingetrokken naar aanleiding van de herziene beslissing op bezwaar.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het beroep. De rechtbank komt aan de hand van de door eiser ingediende bewijsstukken tot de conclusie dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het griffierecht niet kan betalen. Daarom is terecht afgezien van het heffen van griffierecht.
4. De rechtbank overweegt als eerste dat het besluit van 8 april 2024 een wijzigingsbesluit is als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, en dat dit besluit niet (geheel) tegemoetkomt aan de bezwaren van eiser. Op grond van deze wetsbepaling heeft het beroep mede betrekking op dit besluit. Niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling van het oorspronkelijke beslissing op bezwaar van 6 maart 2023.
5. Na de herziene beslissing op bezwaar van 8 april 2024 heeft het college op
12 april 2024 de intrekking van de Tozo3-uitkering beperkt tot de maand januari 2021 en verlaagd vastgesteld op € 1.075,44. Het college heeft in zijn brief aan de rechtbank van
6 augustus 2024 medegedeeld dat in het kader van een saneringskrediet op 10 juni 2024 de resterende Tozo 3-vordering van € 1.075,44 is afgeboekt, samen met alle overige openstaande vorderingen.
6. De rechtbank stelt vast dat het college uiteindelijk heeft afgezien van de terugvordering van de Tozo 3-uitkering van eiser. Daarmee is volledig aan de bezwaren van eiser tegemoetgekomen. Hierdoor bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen partijen. Dit betekent dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
7. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr.F. Leichel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op http://www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...