ECLI:NL:RBDHA:2025:26888 Rechtbank Den Haag , 17-12-2025 / NL25.15599 en NL25.15602
Regulier. Artikel 8 EVRM, mvv-vereiste. Ongegrond.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Regulier. Artikel 8 EVRM, mvv-vereiste. Ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.15599 en NL25.15602
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening.
Bij besluit van 30 november 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het EVRM’ afgewezen. Bij besluit van 6 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en H. van der Boom als tolk. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1966 en heeft de Libanese nationaliteit. Zij wil graag verblijven bij haar meerderjarige zoon, [referent] (referent) op grond van artikel 8 van het EVRM.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet in het bezit is van een mvv. Eiseres komt niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste, omdat tussen eiseres en referent niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Er is dan ook geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit, omdat verweerder ten onrechte stelt dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Referent is vanwege de ziekte van Crohn en sociale angsten afhankelijk van eiseres.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige kinderen en hun ouders sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dit betekent dat sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat tussen eiseres en referent geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft in het kader van de gestelde afhankelijkheid alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken. Op basis van die feiten en omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat tussen eiseres en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Verweerder heeft daarbij onder andere niet ten onrechte meegewogen dat referent gediagnosticeerd is met de ziekte van Crohn, maar dat niet is gebleken dat hij hierdoor niet in staat is om voor zichzelf te zorgen. Dat hij afhankelijk is van eiseres voor het doen van boodschappen of het koken van specifieke maaltijden is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Het standpunt van eiseres dat referent onvoldoende voor zichzelf kan zorgen vanwege sociale angsten heeft verweerder eveneens als onvoldoende onderbouwd terzijde mogen schuiven. Zoals ook ter zitting door de gemachtigde van eiseres is bevestigd, is er tot op heden geen diagnose voor pleinvrees of angststoornissen gesteld. Dat hij niet in staat zou zijn om naar de winkel te gaan en niet zelf voor juiste voeding kan zorgen is niet gebleken. Ook over de overgelegde medische stukken heeft verweerder kunnen vaststellen dat hieruit niet blijkt dat referent afhankelijk is van zorg en ook niet dat hij voor zijn verzorging specifiek afhankelijk is van eiseres. Aan de verklaringen van de huisgenoot van referent en een vriendin van eiseres, waarin wordt gesteld dat eiseres de enige is die goed voor referent kan zorgen, heeft verweerder geen doorslaggevende betekenis hoeven toe te kennen nu deze afkomstig zijn van bekenden van eiseres. Tot slot heeft verweerder er op kunnen wijzen dat uit de laatste sessie van referent met de studentenpsycholoog blijkt dat zijn klachten zijn afgenomen. Bovendien is niet gebleken dat hij nu onder behandeling staat voor zijn psychische klachten. De enkele stelling dat dit te danken is aan de zorg die eiseres nu op zich neemt, maakt dit niet anders.
Nu verweerder ook overigens voldoende heeft uitgelegd waarom geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, is van familie- en gezinsleven dan ook geen sprake. Verweerder heeft eiseres daarom niet hoeven vrij te stellen van het mvv-vereiste.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing in stand blijft.
7.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
8.
Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
- Machtiging tot voorlopig verblijf.
- ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 3.
- ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 5.2 en 5.3.
- Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...