ECLI:NL:RBDHA:2025:8030 Rechtbank Den Haag , 21-02-2025 / NL25.6101
Gelet op de korte periode tussen het onherroepelijk worden van het strafvonnis en de einddatum van de strafrechtelijke detentie, was de minister niet gehouden om gedurende de strafrechtelijke detentie al uitzettingshandelingen te verrichten. Inspanningsverplichting niet geschonden. Ook voldoende voortvarend gehandeld vanaf moment inbewaringstelling.
5 min de lecture · 919 mots
Inhoudsindicatie. Gelet op de korte periode tussen het onherroepelijk worden van het strafvonnis en de einddatum van de strafrechtelijke detentie, was de minister niet gehouden om gedurende de strafrechtelijke detentie al uitzettingshandelingen te verrichten. Inspanningsverplichting niet geschonden. Ook voldoende voortvarend gehandeld vanaf moment inbewaringstelling.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6101
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. K. Kanters).
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Liesting-Bognár. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Hongaarse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De minister heeft de zware grond onder 3a tijdens de zitting laten vallen.
4. Eiser heeft de overige aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggende gronden niet betwist. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de overige aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggende gronden onvoldoende zijn om deze te kunnen dragen.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
5. Eiser voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie voorafgaand aan zijn vreemdelingrechtelijke inbewaringstelling en dat de onderhavige maatregel van bewaring daarom van meet af aan onrechtmatig is.
6. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van eiser wordt gewerkt. Inderdaad rust op de minister ook een inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie, maar in dit geval gaat het om een korte periode van detentie. Dat er in die periode geen uitzettingshandelingen zijn verricht, maakt daarom niet dat de inspanningsverplichting is geschonden.
7. De rechtbank oordeelt als volgt. Blijkens de gedingstukken heeft eiser van 3 februari 2025 tot 7 februari 2025 in strafrechtelijke detentie gezeten. De strafrechtelijke uitspraak dateert van 3 februari 2025 en is vanaf die datum onherroepelijk, zo volgt uit het uittreksel justitiële documentatie. Op 3 februari 2025 was voor de minister dus bekend dat de einddatum van de strafrechtelijke detentie 7 februari 2025 zou zijn. De rechtbank overweegt dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser een inspanningsverplichting, zoals bedoeld in paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), had om te voorkomen dat eiser na afloop van die detentie in bewaring moest worden gesteld. Echter, gelet op de korte periode tussen het onherroepelijk worden van het strafvonnis en de einddatum van de strafrechtelijke detentie, was de minister niet gehouden om gedurende de strafrechtelijke detentie al uitzettingshandelingen te verrichten. Dat de minister haar inspanningsverplichting heeft geschonden, volgt de rechtbank dus niet.
8. Daarnaast heeft de minister vanaf het moment van inbewaringstelling voldoende voortvarend gehandeld. Op 11 februari 2025 heeft namelijk een vertrekgesprek plaatsgevonden. Ook is diezelfde dag een terug- en overnameverzoek verstuurd naar de Directie Internationale Aangelegenheden. Op 12 februari 2025 is het terug- en overnameverzoek doorgezonden aan de Hongaarse autoriteiten. Ter zitting heeft de minister verder toegelicht dat op 14 februari 2025 een vlucht is aangevraagd. De beroepsgrond slaagt niet.
9. De beroepsgronden leiden niet tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
– verklaart het beroep ongegrond;
– wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B.H. Hebbink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.N.T. Tacken, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
- ECLI:EU:C:2022:858.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...