ECLI:NL:RBDHA:2026:1311 Rechtbank Den Haag , 27-01-2026 / NL26.1581
Bewaring – Roemenië – ongegrond – lichter middel – voortraject
5 min de lecture · 947 mots
Inhoudsindicatie. Bewaring – Roemenië – ongegrond – lichter middel – voortraject
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1581
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1975 en de Roemeense nationaliteit te hebben.
Strafrechtelijk voortraject
2. Eiser voert ter zitting aan dat hij op 27 december 2025 Nederland is ingereisd. Aan eiser is direct een M127 is uitgereikt, maar er is nagelaten om eiser naar het vliegveld te begeleiden. Eiser is strafrechtelijk veroordeeld voor bedelen en heeft hiervoor in strafrechtelijke detentie gezeten. Verweerder had het openbaar ministerie kunnen verzoeken om de aan eiser opgelegde straf voor het bedelen te passeren en eiser ook meteen zelfstandig kunnen laten terugreizen, wat hem negentien dagen inbewaringstelling had gescheeld. Eiser had immers zelf al een vliegticket bij zich.
3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder stelt in dit kader terecht dat het strafrechtelijke voortraject in deze beroepsprocedure bij de bestuursrechter niet ter toetsing voorligt. Daarbij is het uitgangspunt dat een vrijheidsstraf in beginsel dient te worden uitgezeten.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
– 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
– 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
– 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden heeft verweerder vermeld dat eiser:
– 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
– 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
– 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser voert aan dat in de maatregel van bewaring onduidelijk is wat aan eiser wordt tegengeworpen. Dit is een gebrek in de informatievoorziening. In de maatregel zijn tekstblokken opgenomen en geen kopjes. Ondanks dat er aan eiser een informatiebrief is overgelegd, is in de opgelegde maatregel van bewaring sprake van een schending van het schriftelijkheidsvereiste met toespitsing op de situatie van eiser.
6. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de gronden van de maatregel niet puntsgewijs – en met het gebruik van tussenkopjes – in de maatregel zijn opgenomen. Wel is de rechtbank van oordeel de maatregel van bewaring alle noodzakelijke elementen bezit, zodat geen sprake is van een gebrek in de informatievoorziening. Zo zijn de grondslag, de gronden en de motivering van de inbewaringstelling in de maatregel van bewaring opgenomen en voldoende uiteengezet. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat aan eiser ook een informatiefolder is uitgereikt, waarin wel duidelijker per grond is aangevinkt wat hem wordt tegengeworpen. Niet is gebleken dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht of aan het schriftelijkheidsvereiste. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Lichter middel
7. In het kader van zijn standpunt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen, voert eiser aan dat hij op 7 december 2025 naar Nederland is gekomen omdat hij een afspraak had met zijn arts op 22 januari 2026 in het oogziekenhuis in Rotterdam.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om dit risico te ondervangen. Uit onder meer eisers eigen stelling van een geplande medische behandeling blijkt dat hij niet wenst terug te keren naar Roemenië. Daarbij geldt dat bij de vraag of een lichter middel moet worden toegepast te worden beantwoord in het kader van de terugkeer van eiser en niet op het kunnen verkrijgen van medische behandelingen. Tot slot heeft verweerder terecht overwogen dat eiser wist dat hij niet in Nederland mocht zijn en dat er in Roemenië voldoende medische behandeling aanwezig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
– verklaart het beroep ongegrond;
– wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op http://www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
- Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
- Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
- Artikel 5.3 van het Vb.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...