ECLI:NL:RBGEL:2025:1230 Rechtbank Gelderland , 13-02-2025 / 05.251616.24

De minderjarige verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft samen met vier andere verdachten het slachtoffer bij station Arnhem-Zuid ingesloten en opgedragen om mee te lopen, waarna hij op een afgelegen plek is gedwongen zich tot op zijn onderbroek uit te kleden, te knielen en excuses aan te bieden. Daarbij werd hem meegedeeld dat hij zou worden neergestoken als...

Source officielle

23 min de lecture 4 860 mots

Inhoudsindicatie. De minderjarige verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft samen met vier andere verdachten het slachtoffer bij station Arnhem-Zuid ingesloten en opgedragen om mee te lopen, waarna hij op een afgelegen plek is gedwongen zich tot op zijn onderbroek uit te kleden, te knielen en excuses aan te bieden. Daarbij werd hem meegedeeld dat hij zou worden neergestoken als hij dat niet zou doen. Ook werd hij toegeschreeuwd en uitgescholden en werd hij toen hij bijna naakt op zijn knieën zat in het gezicht getrapt en geslagen. Het incident is bovendien gefilmd en de beelden zijn daarna via snapchat gedeeld met anderen. Het aandeel van verdachte bestond hieruit dat hij het slachtoffer heeft opgedragen zijn kleren uit te doen en op zijn knieën te gaan zitten, alsmede dat hij het slachtoffer uit het niets heeft getrapt en geslagen.

Inhoudsindicatie. Verder heeft verdachte zich samen met twee medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van hetzelfde slachtoffer. Direct na genoemde openlijke geweldpleging hebben zij de man op dreigende toon toegevoegd dat zij voor vrijdag tien gram 3-mmc wilden hebben en als hij dat niet zou doen hij zou worden (dood)gestoken. Later ontving de man ook nog een Whatsapp-bericht vanaf het account van een van de medeverdachten waarin opnieuw werd gevraagd om drugs.

Inhoudsindicatie. Werkstraf van 180 uren waarvan 90 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad zijn geadviseerd en met aftrek van voorarrest.

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05.251616-24

Datum uitspraak : 13 februari 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]
,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats]

Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 juni 2024 te Arnhem, althans in Nederland, openlijk, te weten op station Arnhem-Zuid, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door dreigend op die [slachtoffer] af te lopen en/of die [slachtoffer] voornoemd te sommeren

dat hij mee moest lopen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te stompen/slaan en/of door te dreigen dat hij zou worden neergestoken als hij niet zou doen wat hem werd opgedragen en/of

door dreigend (het handvat van) een mes te tonen en/of door deze openlijke geweldpleging te filmen en/of door dit filmpje via social media te delen, welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 t/m 16 juni 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] , te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en/of van drugs, die [slachtoffer] voornoemd, heeft/hebben meegenomen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te

stompen/slaan en/of door hem op dreigende toon de woorden toe te voegen "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben en anders geld” en/of “anders maken we je dood” en/of “anders steken we je dood”, waarbij dreigend (het handvat van) een mes werd getoond en/of door hem een bericht via whatsapp en/of sms en/of snapchat te sturen met de tekst "Eyy krijg je nou donderdag of vrijdag doekoe" en "Oh ja en vanaf morgen verhoging met die 3M is per dag 1g er bij", althans woorden van dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 12 juni 2024 bevond verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) zich met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en [medeverdachte] (hierna [medeverdachte] ) op het station Arnhem-Zuid in Arnhem. Omstreeks 12:45 uur troffen zij daar aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) die uit de trein stapte. [medeverdachte] schreeuwde [slachtoffer] naam, rende samen met de anderen naar hem toe en probeerde hem te slaan. Alle vijf zeiden ze dat [slachtoffer] mee moest lopen. Beneden bij de fietsenstalling in de buurt van een zendmast werd [slachtoffer] opgedragen zijn kleding uit te trekken, op zijn onderbroek na. Als hij dat niet zou doen, zo werd hem gezegd door personen uit de groep, zou hij worden neergestoken. Er werd geschreeuwd en gescholden. [slachtoffer] moest op zijn knieën gaan zitten en zijn excuses aanbieden. Hem werd verteld dat hij "sorry dames", "sorry baasje" en/of "sorry [medeverdachte] en [medeverdachte] " moest zeggen. Toen [slachtoffer] op zijn knieën zat, gaf [verdachte] hem een trap en een vuistslag tegen zijn gezicht. Zijn schoenen werden weggegooid. [medeverdachte] en [medeverdachte] filmden het hele gebeuren. Nadat [slachtoffer] zich had aangekleed en iedereen weer richting de fietsenstalling liep, hoorde hij dat personen uit de groep van vijf zeiden dat ze voor vrijdag tien gram 3-mmc wilden hebben en als hij zich niet aan die afspraak hield dat ze dan al zijn geld wilden hebben. Als hij zich aan geen enkele voorwaarde zou houden zou hij worden doodgestoken. Later die dag zag [slachtoffer] nog een Whatsapp-bericht vanaf het Whatsapp-account van [medeverdachte] , die in zijn contactenlijst ' [bijnaam] ' heet omdat dit zijn bijnaam is, waarin stond: “Eyy krijg je nou donderdag of vrijdag doekoe" en "Oh ja en vanaf morgen verhoging met die 3M is per dag 1g erbij". Het filmpje dat van het gebeuren is gemaakt is gedeeld op Snapchat.

[slachtoffer] had als gevolg van de trap en de vuistslag tegen zijn gezicht rode wangen en een verdikte neus. Hij had een zwelling en pijn aan het aangezicht. Op sommige momenten had hij pijn bij het eten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 niet kan worden bewezen dat (het handvat van) een mes aan [slachtoffer] is getoond.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 geen bewijsverweer gevoerd. Wel heeft zij haar twijfels geuit of [slachtoffer] (het handvat van) een mes is getoond. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken, nu niet kan worden vastgesteld dat hij betrokken is geweest bij de poging tot afpersing in vereniging.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat hij bij het station Arnhem-Zuid tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat hij zijn shirt en jas moest uitdoen. Ook heeft hij [slachtoffer] getrapt en geslagen. Hij heeft gezien dat dat werd gefilmd.

Op basis van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en de verklaring van [verdachte] ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat sprake is van het op de openbare weg, in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer] en dus van openlijke geweldpleging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] aan deze openlijke geweldpleging ook onmiskenbaar een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd. Deze bijdrage van [verdachte] heeft ook tot het letsel bij [slachtoffer] geleid. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Evenals de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank niet bewezen dat (het handvat van) een mes aan [slachtoffer] is getoond. Daarvan zal [verdachte] dan ook worden vrijgesproken. Ditzelfde geldt voor het delen via Snapchat van het filmpje dat van de openlijke geweldpleging is gemaakt. Weliswaar is het delen van dergelijke filmpjes via social media uiterst kwalijk, maar de rechtbank kan in dit geval op basis van het dossier niet vaststellen dat het bewuste filmpje op of omstreeks 12 juni 2024 op het station Arnhem-Zuid, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, is gedeeld/verspreid zoals ten laste is gelegd.

Feit 2

[medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte] riepen: "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben." Dat ging mondeling en via snap.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij hoorde dat [verdachte] en [medeverdachte] riepen: "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben.”

Op basis van de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en de verklaringen van [medeverdachte] en [medeverdachte] is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot afpersing in vereniging van [slachtoffer] .

Evenals ten aanzien van feit 1 acht de rechtbank niet bewezen dat (het handvat van) een mes aan [slachtoffer] is getoond. Daarvan zal [verdachte] dan ook worden vrijgesproken.

3De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 12 juni 2024 te Arnhem, althans in Nederland, openlijk, te weten op station Arnhem-Zuid, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door dreigend op die [slachtoffer] af te lopen en/of die [slachtoffer] voornoemd te sommeren

dat hij mee moest lopen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te stompen/slaan en/of door te dreigen dat hij zou worden neergestoken als hij niet zou doen wat hem werd opgedragen en/of

door dreigend (het handvat van) een mes te tonen en/of door deze openlijke geweldpleging te filmen en/of door dit filmpje via social media te delen, welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 t/m 16 juni 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] , te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en/of van drugs, die [slachtoffer] voornoemd, heeft/hebben meegenomen naar een rustige plek waarbij een slaande beweging werd gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] en/of door die [slachtoffer] in te sluiten en/of hem vervolgens te sommeren zich uit te kleden tot op zijn onderbroek en/of door hem op te dragen te knielen en zijn excuses te maken door tegen hem te schreeuwen "zeg sorry dames" en/of "zeg sorry baasje" en/of door hem met kracht tegen zijn hoofd te schoppen en/of te

stompen/slaan en/of door hem op dreigende toon de woorden toe te voegen "Voor vrijdag willen we tien gram 3-mmc van je hebben en anders geld” en/of “anders maken we je dood” en/of “anders steken we je dood”, waarbij dreigend (het handvat van) een mes werd getoond en/of door hem een bericht via whatsapp en/of sms en/of snapchat te sturen met de tekst "Eyy krijg je nou donderdag of vrijdag doekoe" en "Oh ja en vanaf morgen verhoging met die 3M is per dag 1g er bij", althans woorden van dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft,

feit 2:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren waarvan 90 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd, waarbij de geadviseerde behandeling zich moet richten op zowel agressie als middelengebruik.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om een taakstraf op te leggen van geringe duur met een voorwaardelijk deel, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad zijn geadviseerd.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

[verdachte] heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft samen met [medeverdachte] , [medeverdachte] , [medeverdachte] en [medeverdachte] het slachtoffer [slachtoffer] bij station Arnhem-Zuid ingesloten en opgedragen om mee te lopen, waarna [slachtoffer] op een afgelegen plek is gedwongen zich tot op zijn onderbroek uit te kleden, te knielen en excuses aan te bieden. Daarbij werd hem meegedeeld dat hij zou worden neergestoken als hij dat niet zou doen. Ook werd [slachtoffer] toegeschreeuwd en uitgescholden en werd hij toen hij bijna naakt op zijn knieën zat in het gezicht getrapt en geslagen. Het incident is bovendien gefilmd en de beelden zijn daarna via snapchat gedeeld met anderen. Het aandeel van [verdachte] bestond hieruit dat hij [slachtoffer] heeft opgedragen zijn kleren uit te doen en op zijn knieën te gaan zitten, alsmede dat hij [slachtoffer] uit het niets heeft getrapt en geslagen.

Door zo te handelen hebben [verdachte] en zijn medeverdachten een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] gemaakt. Niet alleen hebben zij [slachtoffer] pijn en letsel bezorgd, ook leert de ervaring dat slachtoffers van een dergelijk feit nog lang de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Dat is in deze zaak ook het geval, zo blijkt uit de ter terechtzitting namens [slachtoffer] voorgelezen slachtofferverklaring: het handelen van [verdachte] en de anderen heeft een grote impact op [slachtoffer] gehad. Door een dergelijk in het openbaar gepleegd feit worden bovendien algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving versterkt. De van het incident gemaakte en vervolgens gedeelde beelden (kunnen) worden bekeken onder andere door mensen uit de omgeving van [slachtoffer] en zullen (mogelijk) lange tijd nog online te vinden zijn, waardoor [slachtoffer] er ongewild steeds weer mee wordt geconfronteerd. De rechtbank rekent dit alles [verdachte] aan.

Verder heeft [verdachte] zich samen met [medeverdachte] en [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van [slachtoffer] . Direct na genoemde openlijke geweldpleging hebben zij [slachtoffer] op dreigende toon toegevoegd dat zij voor vrijdag tien gram 3-mmc wilden hebben en als hij dat niet zou doen hij zou worden (dood)gestoken. Later ontving [slachtoffer] ook nog een Whatsapp-bericht vanaf het account van [medeverdachte] waarin opnieuw werd gevraagd om drugs. Ook dit incident heeft gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van [verdachte] van 23 december 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 6 januari 2025. Daaruit blijkt dat de grootste zorgen worden gezien op het gebied van drugs, geestelijke gezondheid en vaardigheden. [verdachte] gebruikte ten tijde van het delict harddrugs. Daar is hij sinds het feit mee gestopt, maar hij gebruikt nog wel dagelijks softdrugs. Dit belemmert zijn ontwikkeling, maar hij lijkt hier redelijk op te functioneren en hij houdt er rekening mee dat hij niet stoned op zijn werk verschijnt. Impulsiviteit en probleemsituaties herkennen zijn punten waar [verdachte] zich tot op heden onvoldoende in heeft ontwikkeld. Hier dient hij nog in te groeien. Mogelijk dat zijn ADHD en ODD hierbij een rol spelen. Beschermende factoren zijn dat [verdachte] momenteel fulltime werkt, hier goed functioneert en tevens positieve sociale contacten opdoet. Hij heeft afstand genomen van antisociale jongeren, gebruikt geen harddrugs meer en is gestart met een behandeling bij Jeugdfact (PMT). Hij houdt zich aan de voorwaarden die gesteld zijn door de jeugdreclassering en heeft weer positief contact met zijn vader. Het is van belang dat [verdachte] deze positieve lijn doorzet. Verder is het belangrijk dat [verdachte] zijn traject bij [zorginstelling] en Jeugdfact blijft vervolgen. [zorginstelling] is de woonplek waar hij woont en dus begeleiding krijgt en Jeugdfact biedt psychomotorische therapie. Onderzocht moet worden of er meer hulp nodig is. De afgelopen periode is gebleken dat [verdachte] goed functioneert binnen de gestelde kaders. Het is van belang dat [verdachte] dit vol blijft houden. De door de jeugdreclassering gestelde kaders zijn daarbij van belang, omdat [verdachte] in het verleden vaker een traject is gestart, maar dit vaak niet positief afrondde. De Raad adviseert daarom [verdachte] een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen onder de bijzondere voorwaarden dat [verdachte] :

• verboden wordt contact te leggen of te laten leggen met de medeverdachten en aangever (hetzij fysiek hetzij via digitale sociale media);

• woont bij [zorginstelling] , of een soortgelijke instelling/passende vervolginstelling,

• meewerkt aan behandeling gericht op het reguleren van agressie door Jeugdfact/Iriszorg, of een soortgelijke instelling;

• zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering;

• een passende daginvulling heeft in de vorm van werk en/of school;

waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming Gelderland te Arnhem opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden. [verdachte] is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De rechtbank heeft ten slotte gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor jeugdigen en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegende en met inachtneming van de positieve ontwikkeling die [verdachte] heeft doorgemaakt in de afgelopen periode, alsmede om de kans op recidive zo klein mogelijk te maken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De rechtbank zal [verdachte] daarom veroordelen tot een werkstraf van 180 uren waarvan 90 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad zijn geadviseerd, waarbij in de behandeling aandacht moet zijn voor zowel agressie als ook voor middelengebruik. Indien [verdachte] de werkstraf niet naar behoren uitvoert, staan daar 90 dagen jeugddetentie tegenover, waarvan de helft ziet op het onvoorwaardelijk deel. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt op de werkstraf in mindering gebracht, in die zin dat voor één dag een verrekening plaatsvindt van twee uren. Het contactverbod zal worden beperkt tot een contactverbod met [slachtoffer] , terwijl [verdachte] naast de verplichte medewerking aan behandeling gericht op het reguleren van agressie ook dient mee te werken aan behandeling gericht op het reguleren van middelengebruik.

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

8De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de immateriële schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen op een bedrag van € 1.000,00.

Overwegingen van de rechtbank

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,

de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,

de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of

de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.

Om te spreken van een aantasting in de persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

Op basis van de eerder genoemde bewijsmiddelen en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die valt binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW. Door de feiten heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van pijn en een zwelling/kneuzing aan het aangezicht opgelopen. Daarnaast is de benadeelde naar het oordeel van de rechtbank op andere wijze in de persoon aangetast. Hoewel op basis van de ingediende schadevergoedingsvordering niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld dat er bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel, is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending – zeker in de omstandigheden zoals hierboven omschreven – meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Dit is ook aan [verdachte] toe te rekenen.

De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld vaststellen op een bedrag van € 1.500,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

[verdachte] is vanaf 12 juni 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op te leggen. [verdachte] wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. Vanwege de jeugdige leeftijd van [verdachte] zal geen gijzeling worden bepaald.

De rechtbank overweegt dat [verdachte] en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken, nu er sprake is van groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW, dit zowel voor wat betreft het toegewezen bedrag aan smartengeld als de schadevergoedingsmaatregel. [verdachte] hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.

9De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf van honderdtachtig (180) uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van negentig (90) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, te weten negentig (90) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:

stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

– geen contact legt of zal laten leggen met aangever [slachtoffer] (hetzij fysiek hetzij via

digitale sociale media);

– woont bij [zorginstelling] , of een soortgelijke instelling/passende vervolginstelling;

– meewerkt aan behandeling gericht op het reguleren van agressie en middelengebruik

door Jeugdfact/Iriszorg of een soortgelijke instelling;

– zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering;

– een passende daginvulling heeft in de vorm van werk en/of school;

waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming Gelderland te

Arnhem opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de

voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Verdachte is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht twee uur in mindering wordt gebracht;

 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;

 veroordeelt verdachte in verband met de feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 wijst de vordering tot smartengeld van benadeelde partij [slachtoffer] voor het meerdere af;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag van € 1.500,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de hiervoor omschreven wettelijke rente tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betalingsverplichting aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter, tevens kinderrechter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. J.L. Wesstra, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2025.

Voetnoten

  1. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024317535, gesloten op 7 augustus 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
  2. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 24-25.
  3. Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , p. 35.
  4. Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] , p. 175-177.
  5. Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] , p. 197-200.
  6. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 217-219.
  7. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 239-240 en 242.
  8. Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte] , p. 145-147.
  9. Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 23.
  10. Patiëntenkaart huisarts met betrekking tot [slachtoffer] , p. 43.
  11. Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2025.
  12. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 242.
  13. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 219.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.