ECLI:NL:RBGEL:2026:2567 Rechtbank Gelderland , 03-04-2026 / ARN-25_2824 en 25_2875
Omgevingsvergunning voor bedrijfsverzamelgebouw met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Geen strijd met de bouwverordening. Uit het geheel aan gegevens - de vergunning met voorwaarden en het saneringsplan - blijkt dat het college de aanvraag overeenkomstig de bouwerordening heeft beoordeeld.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Omgevingsvergunning voor bedrijfsverzamelgebouw met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Geen strijd met de bouwverordening. Uit het geheel aan gegevens – de vergunning met voorwaarden en het saneringsplan – blijkt dat het college de aanvraag overeenkomstig de bouwerordening heeft beoordeeld.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/2824 en ARN 25/2875
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaken tussen
[naam bedrijf 1] B.V. en [naam bedrijf 2] B.V., gevestigd in [plaats 1], eiseres (in zaak ARN 25/2824)
(gemachtigde: mr. T.A. Timmermans),
[eiser], uit [plaats 1], eiser (in zaak ARN 25/2875)
(gemachtigde mr. S. Oord),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe
(gemachtigde: mr. A. de Zeeuw).
Als derde-partij nemen aan de zaken deel: [derde-partij 1] B.V. (zaak 25/2875), gevestigd in [plaats 2], en [derde-partij 2] B.V. (zaak 25/2824), gevestigd in [plaats 3], hierna in enkelvoud vergunninghouder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsunits aan de [locatie] in [plaats 1]. Eiseres en eiser zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning in stand blijft omdat het college de aanvraag op een goede manier heeft getoetst aan de bouwverordening en gebruik heeft kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Eiseres en eiser krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
Heeft het college de vergunning op de juiste wijze getoetst aan de bouwverordening?
Heeft het college gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft op 15 juni 2022 een aanvraag ingediend voor nieuwbouw van bedrijfsunits op het perceel van de [locatie] in [plaats 1].
Op 20 december 2022 heeft het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning gepubliceerd. Eiseres en eiser hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2025 heeft het college het besluit van 20 december 2022 herroepen en, na een inhoudelijke toetsing, de gevraagde vergunning verleend voor de activiteiten bouwen, een werk aanleggen of uitvoeren, iets doen wat volgens het bestemmingsplan niet mag (binnenplanse afwijking), en het maken of veranderen van uitwegen.
Eiseres en eiser hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
Bij uitspraak van 5 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank uitspraak gedaan op een verzoek om voorlopige voorziening van eiseres 1. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat partijen van mening verschillen over de gevolgen van het heien in het perceel waarvan de bodem vervuild is. Omdat de gevolgen van eventuele verspreiding van de vervuiling groot zijn en niet op voorhand kan worden gezegd dat door het heien geen verplaatsing zal plaatsvinden, is de omgevingsvergunning van 21 mei 2025 geschorst.
Het college heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] namens eiseres en gemachtigde van eiseres, [persoon B] namens eiser en gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, en [persoon C], [persoon D] en [persoon E] (specialist bodem) namens vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de verleende omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eiseres en eiser.
Ingetrokken beroepsgronden
4. Eiseres heeft de beroepsgronden over archeologisch onderzoek, het aantal bedrijfsunits, het welstandsadvies en het ontbreken van een aanlegvergunning tijdens de zitting ingetrokken.
Achtergrond
5. Vergunninghouder heeft in 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van bedrijfsunits op het perceel. Het college heeft aanvankelijk te laat beslist op deze aanvraag en heeft daarop een omgevingsvergunning van rechtswege gepubliceerd. Eiseres en eiser hebben bezwaar gemaakt tegen deze omgevingsvergunning omdat zij zich onder meer zorgen maken over de bodemverontreiniging op het perceel. De bodem van het perceel waarop de bedrijfsunits zijn voorzien, is namelijk ernstig verontreinigd en eisers vrezen dat de bouw tot gevolg heeft dat die verontreiniging zich verspreidt. Vervolgens heeft het college in zijn beslissing op bezwaar de aanvraag alsnog inhoudelijk getoetst en met toepassing van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid het bedrijfsverzamelgebouw op het perceel mogelijk gemaakt. Het saneringsplan dat in opdracht van vergunninghouder is opgesteld, maakt onderdeel uit van de verleende vergunning.
Overgangsrecht
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Dat betekent dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012 en daarop gebaseerde regelgeving – zoals de bouwverordening –van toepassing blijft op de omgevingsvergunning.
Heeft het college de vergunning getoetst aan de bouwverordening?
7. Eiseres en eiser betogen dat de bodem van het perceel ernstig is vervuild. Het heien van heipalen leidt tot roeren van de grond waardoor de vervuiling horizontaal kan gaan uitstromen. De gekozen heimethode leidt daarmee tot een onaanvaardbaar risico. Het college heeft dat onvoldoende erkend. Eisers en eiser wijzen op het bestaan van alternatieve manieren van bouwen, zoals bijvoorbeeld bouwen zonder heimethode of betonpalen drukken in plaats van heien. Dat voorkomt ook trillingen. Eiser heeft hierop aanvullend nog aangevoerd dat de vergunning voorziet in het infiltreren van hemelwater in de bodem. Dat vergroot echter de kans dat de vervuiling zich verder verspreidt naar het naastgelegen terrein. Eiser mist ook een afschrift van de beoordeling door de bodemadviseur van de gemeente, waardoor niet controleerbaar is of het college zich afdoende heeft vergewist dat het saneringsplan voldoet. Verder is het saneringsplan volgens eiser niet gebaseerd op recent bodemonderzoek, maar op bodemonderzoek van 2020, waardoor onzeker is of dat de actuele situatie op het terrein goed weergeeft.
Tussen partijen is niet in geschil dat de grond van het perceel verontreinigd is omdat het perceel onder meer is gebruikt als stortplaats voor autowrakken. Ten behoeve van het bouwplan is bodemonderzoek gedaan. Naar aanleiding daarvan is op 7 februari 2025 door vergunninghouder het “Saneringsplan [locatie] te [plaats 1]” opgesteld.
Bouwverordening
Artikel 2.4.2 van de – inmiddels vervallen – Bouwverordening gemeente West Betuwe (de bouwverordening) luidt als volgt:
“Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevings-vergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.”
In artikel 2.4.1 van de bouwverordening staat dat niet gebouwd mag worden op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van de gebruikers van een bouwwerk. Artikel 2.4.2 van de bouwverordening vormt daarop een uitzondering. Er kan namelijk een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen op verontreinigde bodem worden verleend als het college voorwaarden verbindt aan de vergunning en uit een goedgekeurd saneringsplan blijkt dat de bodem voor het beoogde doel geschikt kan worden gemaakt. Vaststaat dat er in dit geval een saneringsplan is opgesteld dat door het college is goedgekeurd en dat onderdeel uitmaakt van de vergunning.
Omgevingsvergunning
In de vergunning staan onder 6 de regels voor werk in de bodem.
“
6. De regels voor werk in de bodem
– Voorafgaand aan graafwerkzaamheden t.b.v. de bouw moet de milieuhygiënische kwaliteit van de grondwallen op de bouwlocatie worden bepaald door de uitvoering van één of meerdere partijkeuringen conform BRL SIKB 1000.
– De rapportage van de partijkeuring(-en) moet tenminste vier weken voorafgaand aan de graafwerkzaamheden bij Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) worden ingediend ter beoordeling.
Er wordt dan ook beoordeeld of de grond uit de wallen ofwel herschikt kan worden onder de bebouwing en verharding, ofwel afgevoerd moet worden naar een erkende verwerker.
– Minstens vier weken voorafgaand aan graafwerkzaamheden t.b.v. de bouw moeten bij het digitale omgevingsloket (DSO) meldingen en informatieplichten MBA Saneren en MBA Graven boven Interventiewaarde ingediend worden. Het rapport "Saneringsplan [locatie] te [plaats 1]", Bottomline Projectbegeleiding, projector. 400-8, 7 februari 2025, kan bij de informatieplichten als bijlage worden ingediend.
– De maatregelen die voortvloeien uit de beoordeling van de ingediende meldingen en informatieplichten vanuit voorwaarde 3 moeten opgevolgd worden.
– De verwachting is dat er geen graafwerkzaamheden beneden grondwaterniveau uitgevoerd worden. Als het toch nodig is om grondwater uit de bodem te pompen en te lozen op de riolering of een watergang moet u hiervoor toestemming vragen bij uw gemeente en/of bij Waterschap Rivierenland. Wat u moet doen kunt u nagaan via het omgevingsloket.”
Wat staat er in het saneringsplan?
In het saneringsplan wordt geconcludeerd dat sprake is van een ernstige immobiele bodemverontreiniging. Deze conclusie is gebaseerd op diverse bodemonderzoeken van onder meer 2020, 2023 en 2024. Het bodemvolume waarin de grond is verontreinigd met zware metalen, PAK, minerale olie en EOX groter dan de interventiewaarde, overschrijden het volumecriterium van 25 m³ grond in de Wet bodembescherming. Uit onderzoek is gebleken dat de stortlaag niet heeft geresulteerd in een sterke grondwaterverontreiniging. Doel van de sanering is het herschikken van de verontreinigde grond en voorzien van een duurzame afdeklaag.
De sanering vindt plaats in combinatie met de ontwikkeling van het perceel. De toekomstige bebouwing en de verharding van het parkeerterrein dekken de volledige verontreiniging af. Omdat de deklaag van het perceel een minimale dikte heeft moet er bij de sloop zoveel mogelijk voorkomen worden dat er in de grond wordt geroerd. Bij de uitvoering moet ook voorkomen worden dat de verontreiniging zich in verticale richting verspreidt. Om te vermijden dat tijdens het heiproces stortmateriaal naar beneden verplaatst, is een speciale tool ontwikkeld waarmee de gaten voor de heipalen worden voor geprikt. De tool van het voorprikken zorgt ervoor dat de grond opzij wordt gedrukt in plaats van naar beneden.
De sanering moet worden uitgevoerd volgens de beoordelingsrichtlijn uitvoering bodemsanering BRL SIKB7000 en het SIKB protocol 7001 uitvoering van landbodemsaneringen met conventionele methoden. Bij de uitvoering van de sanering worden de ontgravingswerkzaamheden uitgevoerd door een gecertificeerde aannemer en het gehele saneringstraject begeleid door een gecertificeerd milieukundig toezichthouder. Na afronding van de sanering stelt de milieukundig toezichthouder een evaluatierapport op.
Na uitvoering van de bouwwerkzaamheden worden drie peilbuizen geselecteerd of geplaatst aan de benedenstroomse zijde van de saneringslocatie. Gedurende één jaar wordt het grondwater een keer per drie maanden bemonsterd voor analyses op de parameters uit het standaardpakket voor grondwater. Deze tijdelijke monitoring heeft als doel te controleren of de verontreinigingssituatie in het grondwater wijzigt ten opzichte van de huidige situatie en om vast te stellen in hoeverre de wijziging(en) zijn te relateren aan de bouwactiviteiten. Als gehaltes aan barium de interventiewaarde overschrijden en/of als de gehaltes van één van de overige parameters een hogere bodemindex dan 0,5 heeft, vindt een herbemonstering en heranalyse plaats. Als de herbeoordeling de overschrijding bevestigt, wordt in overleg met het bevoegd gezag de noodzaak tot een vervolgactie besproken.
Overwegingen
De rechtbank is van oordeel dat uit het geheel aan gegevens – de vergunning met voorwaarden en het saneringsplan – blijkt dat het college de aanvraag overeenkomstig de bouwverordening heeft beoordeeld. Het college heeft zich daarbij in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan de uitzondering in de bouwverordening dat er toch mag worden gebouwd op het verontreinigde perceel. Uit het saneringsplan blijkt dat de bodemverontreiniging voldoende in kaart is gebracht en dat het meest recente bodemonderzoek dateert van 2024. Het saneringsplan bevat maatregelen volgens de gangbare standaarden om verspreiding van de verontreiniging te voorkomen. De sanering wordt uitgevoerd door een gecertificeerde aannemer onder leiding van een gecertificeerde milieukundige toezichthouder. In de voorwaarden bij de vergunning is opgenomen dat voorafgaand aan de graafwerkzaamheden de te verplaatsen grond wordt gekeurd of deze geschikt is voor hergebruik onder de bebouwing en verharding. Verder worden na afronding van de bouw grondwatermetingen verricht om gedurende een jaar te monitoren of de verontreiniging zich verspreidt. Dat er desondanks een onaanvaardbaar risico van verspreiding van de verontreiniging zou bestaan, hebben eiseres en eiser niet aannemelijk gemaakt. Tijdens de zitting heeft het college aangegeven dat als uit de peiling van het grondwater achteraf toch blijkt dat de verontreiniging is verplaatst, er zo nodig handhavend kan worden opgetreden. Vergunninghouder heeft tijdens de zitting daaraan toegevoegd dat hij bereid is voorafgaand aan de werkzaamheden een 0-meting van het grondwater te verrichten in de peilbuizen die al aanwezig zijn op het perceel van eiser.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat er betere methodes zijn om heipalen te zetten – namelijk via een drukmethode – heeft het college voldoende toegelicht dat de gekozen methode van heien met toepassing van een tool om de gaten voor te prikken voldoet. Het college is daarbij zorgvuldig te werk gegaan. Naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening en wat tijdens de zitting van de voorlopige voorziening is behandeld heeft het college contact gezocht met andere instanties die als bevoegd gezag te maken hebben met bouwen op een stortplaats en met Bodembreed Academie. Daaruit is een aantal uitgangspunten naar voren gekomen, namelijk dat verdringing van stortmateriaal in horizontale richting bij heien over het algemeen zeer klein is en dat vooral verspreiding in verticale richting tegengegaan moet worden. Verder moet de aansluiting van de palen op de omliggende grond zo vast mogelijk zijn, waarbij palen van maximaal 35 x 35 cm daaraan het beste voldoen. Deze uitgangspunten komen overeen met de gekozen heimethode. Het voorprikken van de heipalen zorgt ervoor dat de grond in horizontale richting wordt verdicht, en de in dit geval te gebruiken palen zijn 32 x 32 cm. Dat er mogelijk betere methodes zouden zijn, betekent niet dat niet kan worden gekozen voor de heimethode in het saneringsplan.
Voor zover eiseres en eiser hebben aangevoerd dat zij schade vrezen door trillingen vanwege het heien, stelt het college zich terecht op het standpunt dat de vergunninghouder en de aannemer een zorgplicht hebben om dergelijke schade te voorkomen. Wanneer er toch schade optreedt is dat geen gebrek dat kleeft aan de vergunning die in deze zaak ter beoordeling voorligt, maar is dat een civiele kwestie tussen partijen.
Wat betreft het infiltreren van hemelwater is duidelijk dat dat inmiddels anders wordt geregeld. Waar aanvankelijk het plan was dat het regenwater zou worden geïnfiltreerd in de bodem, is in de vergunning gekozen voor waterbergingscompensatie elders. In de vergunning staat hierover dat de watercompensatie dient plaats te vinden conform de bij het waterschap aan te vragen watervergunning. Uit de berekening van 29 september 2023 die onderdeel uitmaakt van de vergunning, blijkt dat er een waterberging van 598 m³ nodig is. Tijdens de zitting is toegelicht dat in overleg met het waterschap compensatie is gezocht richting de Linge.
Voor zover eiser stelt dat hij niet kan controleren hoe het college de melding van het saneringsplan heeft getoetst, heeft eiser onvoldoende onderbouwd waarom hij van mening is dat de toetsing niet op een reguliere en juiste manier is verlopen. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de wijze van toetsen door het college.
De beroepsgronden slagen niet.
Heeft het college gebruik kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid?
8. Eiseres betoogt dat een bedrijfsverzamelgebouw op het perceel in strijd met het bestemmingsplan is. Eiseres voert aan dat zij tegen de komst van een bedrijfsverzamelgebouw is vanwege de mogelijke impact op de omgeving voor wat betreft parkeren, verkeersafwikkeling en bereikbaarheid van hulpdiensten bij calamiteiten. Met deze belangen en de belangen van omwonenden is volgens haar onvoldoende rekening gehouden.
Toetsingskader
Ter plaatse zijn het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen” en het Paraplubestemmingsplan “Parkeren 2019” van toepassing. Het perceel heeft de bestemming ‘Bedrijventerrein’ met dubbelbestemmingen ‘Waterstaat -Waterbergingsgebied’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ en gebiedsaanduidingen ‘wetgevingszone afwijkingsgebied 1’, ‘wetgevingszone – afwijkingsgebied 2’ en ‘overige zone – vernietigde bestemming’. Verder is zijn twee maatvoeringsaanduidingen van toepassing, een maximum bebouwingspercentage van 60% en een maximum bouwhoogte van tien meter.
Het college kan binnen de aanduiding ‘wetgevingzone – afwijkingsgebied 1’, binnenplans afwijken om een bedrijfsverzamelgebouw toe te staan, als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
er zijn voldoende laad- en losmogelijkheden en parkeervoorzieningen voorzien;
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
Overwegingen
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat gebruikmaking van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank stelt vast dat het parkeren niet meer in geschil is, omdat duidelijk is dat het benodigde aantal parkeerplaatsen volledig op eigen terrein wordt gerealiseerd.
Voor wat betreft de toename van de verkeersintensiteit heeft het college zich gebaseerd op een beoordeling van de gemeentelijke verkeersdeskundige. Die heeft aan de hand van actuele gegevens over verkeersbewegingen gekeken naar de capaciteit van de huidige infrastructuur en de te verwachten toename van verkeersbewegingen. Daaruit blijkt dat de huidige gebiedsontsluitingsweg met een maximum snelheid van 50 km per uur voldoende capaciteit heeft om de toename in verkeersbewegingen als gevolg van het bouwplan op te vangen. Om het verkeer bij het in- en uitrijden zoveel mogelijk te optimaliseren is wel geadviseerd om op het terrein van het bedrijfsverzamelgebouw eenrichtingsverkeer aan te houden. Dat advies is overgenomen en maakt via een situatietekening onderdeel uit van de vergunning. Eiseres heeft de uitgangspunten van de verkeerskundige niet gemotiveerd weerlegd. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college in de toename van het aantal verkeersbewegingen aanleiding had moeten zien, om de vergunning te weigeren.
Verder heeft de brandweer op 13 november 2023 een positief advies over het bouwplan gegeven, en de betreffende situatietekening bevat de opstelplaats van de brandweer bij calamiteiten.
De rechtbank is van verder van oordeel dat de enkele stelling dat de belangen van omwonenden onvoldoende zijn meegewogen in de besluitvorming, niet de conclusie rechtvaardigt dat het college geen goede afweging heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres en eiser krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Op grond van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder a, b, c en e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4.4.3 van het bestemmingsplan Bedrijventerreinen (binnenplanse afwijking).
- Op grond van artikel 4.4.3 kan worden afgeweken van artikel 4.1.2 onder e van het bestemmingsplan Bedrijventerreinen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...