ECLI:NL:RBGEL:2026:2577 Rechtbank Gelderland , 03-04-2026 / 25/1619
Verzoek tot handhaving. Belanghebbende. Eisers geen belanghebbenden bij hun verzoek. Ten onrechte bezwaarprocedure opengesteld.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. Verzoek tot handhaving. Belanghebbende. Eisers geen belanghebbenden bij hun verzoek. Ten onrechte bezwaarprocedure opengesteld.
RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1619
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres 1] , uit [plaats 1] ,
[eiser] en [eiseres 2], uit [plaats 2] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, het college
(gemachtigde: R. Verkerk).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[derde-partij 1]
, uit [plaats 3]
[derde-partij 2]
, uit [plaats 4] (Bulgarije).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de beslissing op bezwaar van 28 februari 2025 (beslissing op bezwaar) waarin het bezwaarschrift van eisers niet-ontvankelijk is verklaard en de beslissing van 11 september 2024 in stand is gelaten.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Totstandkoming van het besluit
2. De derde-partijen zijn eigenaar dan wel huurder van de recreatiewoning aan de [locatie] [nummer 1] in [plaats 2] op het Bospark ‘ [naam park] ’ (de recreatiewoning). Op 29 juli 2024 hebben eisers het college verzocht om handhavend op te treden omdat volgens hen de recreatiewoning wordt verhuurd voor permanente/onrechtmatige bewoning (het handhavingsverzoek).
Het college heeft op 11 september 2024 het handhavingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft besloten dat eisers niet aangemerkt kunnen worden als belanghebbenden bij hun handhavingsverzoek. Ter onderbouwing hiervan heeft het college verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank van 5 augustus 2024. In deze uitspraken is geoordeeld dat eisers terecht niet als belanghebbenden zijn aangemerkt door het college bij een verleende omgevingsvergunning voor het permanent bewonen van de recreatiewoning aan de [locatie] – [nummer 2] op het bospark. Deze laatstgenoemde recreatiewoning is gesitueerd naast de recreatiewoning die in onderhavige procedure centraal staat. In deze beslissing heeft het college opgenomen dat eisers de mogelijkheid hebben om op grond van de Awb een bezwaarschrift in te dienen tegen het procedurele oordeel dat geen sprake is van een aanvraag.
Op 14 oktober 2024 hebben eisers bezwaar ingediend tegen de beslissing van het college van 11 september 2024.
In de beslissing op bezwaar van 28 februari 2025 heeft het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is omdat het college ten onrechte heeft besloten dat eisers bezwaar konden maken tegen de beslissing van 11 september 2024. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
Zijn eisers ten onrechte als belanghebbenden aangemerkt?
4. Eisers betogen dat het college hen ten onrechte niet als belanghebbenden heeft aangemerkt bij het door hen ingediende handhavingsverzoek.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: ‘Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.’
Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt: ‘Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.’
Artikel 1:3, derde lid, Awb luidt: ‘Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.’
Artikel 8:1, eerste lid, Awb luidt: ‘Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.’
Uitgangspunt voor de beoordeling van belanghebbendheid is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – zoals een bestemmingsplan of een (omgevings)vergunning – toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het de taak van het bestuursorgaan om belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbenden bij een besluit zijn. De betrokken rechtzoekende hoeft daarom niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts als tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.
De rechtbank beoordeelt hieronder of het college eisers ten onrechte niet als belanghebbenden hebben aangemerkt bij het handhavingsverzoek. Gelet op de omstandigheid dat de situaties van eisers onderling verschillend zijn, beoordeelt de rechtbank de belanghebbendheid van eisers afzonderlijk. De rechtbank zal eerst de belanghebbendheid van [eiseres 1] beoordelen en vervolgens de (gezamenlijke) belanghebbendheid van [eiser] en [eiseres 2] .
Heeft het college ten onrechte [eiseres 1] niet aangemerkt als belanghebbende bij het handhavingsverzoek?
5. Eisers betogen dat het college ten onrechte [eiseres 1] niet heeft aangemerkt als belanghebbende bij het handhavingsverzoek. Daartoe voeren eisers aan dat [eiseres 1] een persoonlijk en betrokken belang heeft bij het handhavingsverzoek dat haar onderscheidt van anderen. Eisers stellen dat [eiseres 1] feitelijke gevolgen ondervindt van enige betekenis door de verhuur van de recreatiewoning voor permanente/onrechtmatige bewoning. Deze feitelijke gevolgen bestaan volgens eisers onder meer uit de omstandigheden dat het bospark door de permanente bewoning van recreatiewoningen verpaupert, aantrekkelijk wordt gemaakt voor criminele activiteiten en dat permanente bewoning grote gevolgen heeft voor de planologische uitstraling van het bospark. Verder stellen eisers dat [eiseres 1] als gevolg van permanente bewoning van recreatiewoningen op het bospark geen dekking meer geniet van haar opstalverzekering. In de verzekeringsvoorwaarden van deze opstalverzekering is volgens eisers opgenomen dat gebruik van recreatiewoningen op het bospark in strijd met het bestemmingsplan een reden is om eventuele schade niet te vergoeden.
Het gaat in deze zaak om het verzoek om te handhaven tegen de permanente bewoning van de recreatiewoning op het bospark. [eiseres 1] is eigenaresse van de recreatiewoning aan de [locatie] – [nummer 3] op het bospark. Op het bospark zijn de gemeenschappelijke gronden gezamenlijk eigendom van in totaal 114 eigenaren van de recreatiewoningen op het bospark. Deze gemeenschappelijke gronden bestaan onder meer uit de paden en speelvoorzieningen.
[eiseres 1] is voor 1/114e deel eigenaar van de gemeenschappelijke gronden op het bospark waarop de recreatiewoning is gelegen. Dit maakt haar in beginsel belanghebbende bij het handhavingsverzoek van 29 juli 2024. In dit geval is de rechtbank echter van oordeel dat de eventuele gevolgen die [eiseres 1] ondervindt, zodanig beperkt zijn dat dit geen belanghebbendheid oplevert. De rechtbank vindt steun voor dat oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 augustus 2023. Uit deze uitspraak volgt dat bij mandelig of gezamenlijk eigendom betekenis toekomt aan de rechtspraak over de gevolgen van enige betekenis. In dit geval is het aandeel van [eiseres 1] 1/114e deel als eigenaresse van de gemeenschappelijke gronden te beperkt om aan te kunnen nemen dat zij daadwerkelijk gevolgen ondervindt van de in deze zaak gestelde overtreding bestaande uit het permanent bewonen van een recreatiewoning op het bospark. Daarbij vindt de rechtbank van doorslaggevend belang dat de recreatiewoning van [eiseres 1] op ongeveer 250 meter afstand ligt van de recreatiewoning waarop het handhavingsverzoek ziet. Ook heeft [eiseres 1] vanuit haar recreatiewoning geen zicht op die recreatiewoning. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat [eiseres 1] daadwerkelijk gevolgen van enige betekenis ondervindt van de permante bewoning van de recreatiewoning. Dat als gevolg van de permanente bewoning van één recreatiewoning het bospark verpaupert, het bospark aantrekkelijk wordt gemaakt voor criminele activiteiten en deze bewoning grote gevolgen heeft voor de planologische uitstraling van het bospark is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Daarbij merkt de rechtbank op dat de aangevoerde omstandigheden algemeen van aard zijn en dit algemene belang [eiseres 1] niet voldoende onderscheidt van anderen. Dit voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres 1] door de permante bewoning van de recreatiewoning geen gevolgen van enige betekenis ondervindt. Dat volgens eisers in de verzekeringsvoorwaarden is opgenomen dat gebruik in strijd met het bestemmingsplan een reden is om eventuele schade niet te vergoeden, maakt [eiseres 1] evenmin belanghebbende. De rechtbank acht daartoe van belang dat de opstalverzekering op naam staat van de vereniging van eigenaren van het bospark en daarmee [eiseres 1] als lid van de vereniging van eigenaren een zogenoemd afgeleid belang heeft. Het door eisers aangedragen belang, de hoofdelijke aansprakelijkheid als lid van de vereniging van eigenaren wanneer de dekking van de opstalverzekering vervalt, berust op een privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen [eiseres 1] en de vereniging van eigenaren.
Gelet op bovenstaande overwegingen oordeelt de rechtbank dat het college terecht heeft besloten dat [eiseres 1] geen belanghebbende is bij het handhavingsverzoek.
Heeft het college ten onrechte [eiser] en [eiseres 2] niet aangemerkt als belanghebbenden bij het handhavingsverzoek?
6. Eisers betogen dat het college ten onrechte [eiser] en [eiseres 2] niet heeft aangemerkt als belanghebbenden bij het handhavingsverzoek. Daartoe voeren eisers aan dat [eiser] en [eiseres 2] een persoonlijk en betrokken belang hebben bij het handhavingsverzoek dat hen onderscheidt van anderen, omdat het college in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel. Verder stellen eisers dat het college jegens [eiser] en [eiseres 2] in het verleden in strijd heeft gehandeld met fundamentele rechten die zijn neergelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het EVRM) en de Grondwet. [eiser] en [eiseres 2] hebben namelijk als voormalig eigenaren van de naastgelegen recreatiewoning hun recreatiewoning gedwongen moeten verkopen, omdat permanente bewoning in deze recreatiewoning niet was toegestaan.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht [eiser] en [eiseres 2] niet heeft aangemerkt als belanghebbenden bij het handhavingsverzoek. [eiser] en [eiseres 2] hebben namelijk geen eigendoms- dan wel huurrecht op het terrein van het bospark en de recreatiewoning is op ongeveer twee kilometer afstand van de huidige woning van [eiser] en [eiseres 2] gelegen. Hiermee is naar oordeel van de rechtbank uitgesloten dat zij feitelijke gevolgen ondervinden van de gestelde permanente bewoning van de recreatiewoning. De stelling van eisers dat het college, gelet op gebeurtenissen in het verleden, heeft gehandeld in strijd met verschillende bepalingen uit het EVRM en de Grondwet is niet van belang bij de beoordeling van de vraag of [eiser] en [eiseres 2] gevolgen van enige betekenis ondervinden van een gestelde overtreding. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel leidt evenmin tot een andere uitkomst. Het antwoord op de vraag of het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel is bij de beoordeling van de vraag of [eiser] en [eiseres 2] gevolgen van enige betekenis ondervinden van een gestelde overtreding namelijk ook niet van belang. Die vraag kan pas aan de orde komen bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
7. Zoals hierboven overwogen zijn eisers geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, waardoor hun handhavingsverzoek geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De afwijzende beslissing op het verzoek is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar mogelijk was. Anders dan het college heeft opgenomen in de beslissing van 11 september 2024, was het ook niet mogelijk om bezwaar te maken tegen het procedurele oordeel dat geen sprake is van een aanvraag omdat eisers niet als belanghebbenden zijn aangemerkt.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de overige door eisers aangevoerde gronden tegen de beslissing op bezwaar.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. De beslissing op bezwaar wordt vernietigd omdat het college ten onrechte een beslissing op het bezwaar van eisers heeft genomen.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. Het bezwaar van eisers tegen de beslissing van 11 september 2024 zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar.
De rechtbank bepaalt verder dat het college het griffierecht aan eisers moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing op bezwaar;
verklaart het bezwaar van eisers tegen de beslissing van het college van 11 september 2024 niet-ontvankelijk;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
- Uitspraken van de Rechtbank Gelderland van 5 augustus 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:5136 & ECLI:NL:RBGEL:2024:5139.
- Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.
- Uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, r.o. 3.2.
- Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3212, r.o. 6.
- Deze rechtsverhouding is namelijk vormgegeven en gereguleerd in artikel 5:113 van het Burgerlijk Wetboek.
- Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1364, r.o. 6.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...