ECLI:NL:RBLIM:2021:6366 Rechtbank Limburg , 11-08-2021 / 03/108061-21

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 24 maanden ter zake het medeplegen van het aanwezig hebben van bijna 400 kilogram softdrugs en het witwassen van ruim 72.000 euro

Source officielle

21 min de lecture 4 419 mots

Inhoudsindicatie. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 24 maanden ter zake het medeplegen van het aanwezig hebben van bijna 400 kilogram softdrugs en het witwassen van ruim 72.000 euro

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/108061-21

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 augustus 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum] 2002,

gedetineerd in [P.I.] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.D. Maessen, advocaat kantoorhoudende te [plaats 1] .

1Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 juli 2021. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

1. al dan niet tezamen met een ander of anderen 394,725 kilogram hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt of verwerkt dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;

2. al dan niet tezamen met een ander of anderen een geldbedrag van € 72.870,- euro en twee horloges heeft witgewassen;

3. al dan niet tezamen met een ander of anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad 193,08 gram hasjiesj.

3De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van:

medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van de hennep en vrijspraak voor het overige onder 1. ten laste gelegde;

medeplegen van het onder 2. ten laste gelegde witwassen van het geld en vrijspraak voor het witwassen van twee horloges;

medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van de hasjiesj.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd.

Het dossier bevat geen bewijs voor actieve betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1. ten laste gelegde, het telen, bereiden, bewerken of verwerken van hennep. Ook het bewijs voor het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep ontbreekt, omdat de (feitelijke) beschikkingsmacht van de verdachte daarover niet uit de bewijsmiddelen volgt.

Uit het dossier blijkt dat de horloges vrijwel waardeloos zijn. Voorts bevat het dossier geen bewijs dat de verdachte het geld heeft verworven, overgedragen, omgezet, dan wel daarvan gebruik heeft gemaakt. De verdachte had enkel het geld sinds korte tijd in bewaring voor een derde, welke gedraging hooguit is te kwalificeren als medeplichtigheid en niet als medeplegen van witwassen, zoals dat onder 2. aan hem is ten laste gelegd.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde ontbreekt bewijs dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de hasjiesj in de woning. Niet duidelijk is hoe lang deze middelen al in de woning lagen en niet kan worden vastgesteld dat deze open en bloot in de woning lagen. Bovendien hadden meerdere personen toegang tot de woning.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Op 19 april 2021 werd de woning, gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] , in het kader van een doorzoeking op grond van de Opiumwet betreden. Er kwam een vrouw, genaamd [medeverdachte] , de trap afgelopen. Van haar werd in de Engelse taal de uitlevering van drugs gevorderd. [medeverdachte] antwoordde in de Engelse taal dat er drugs boven in de woning lagen; zij voegde daar aan toe dat zij niet wist hoe deze daar zijn gekomen. [medeverdachte] wenkte daarbij naar boven met haar hoofd. Op de eerste verdieping van de woning stond een vlizotrap geopend, welke toegang gaf tot de zolder. Deze trap was aanwezig op de centrale gang van de eerste verdieping. Het was zeer duidelijk dat deze trap aanwezig was en deze de normale looppatronen op de eerste verdieping in de weg stond. Op de eerste verdieping was de voor de verbalisanten bekende geur van hennep waarneembaar. Meteen na het betreden van de zolderverdieping werd een grote hoeveelheid doorzichtige zakken en zwarte ondoorzichtige tassen aangetroffen. Het was meteen duidelijk dat op deze zolder een grote hoeveelheid hennep was opgeslagen. Op de eerste verdieping werd de verdachte (met kleding aan) op bed in de slaapkamer aan de voorzijde van de woning aangetroffen.

In de woning werd vervolgens onder andere aangetroffen en inbeslaggenomen:

In de woonkamer:

– cash geld 800 euro (16 keer 50 eurobiljetten);

– cash geld 580 euro (2 keer 50 euro, 15 keer 20 euro, 13 keer 10 euro en 10 keer 5 euro biljetten);

2 plakken hasjiesj van 98 gram bruto en 94 gram bruto;

Op de eerste verdieping:

– Nike doos met daarin 71.490 euro cash geld (boven op kast op slaapkamer waar de mannelijke verdachte lag);

Op de zolderverdieping:

395,810 kilogram gedroogde hennep bruto (verpakt in plastic sealbags).

Op foto 21 en foto 22 neemt de rechtbank waar dat zich in de betreffende schoenendoos 19 bundels eurobiljetten bevinden voornamelijk bestaande uit coupures van 50 euro, 20 euro en 10 euro. Op foto 23 neemt de rechtbank waar dat de twee plakken hasjiesj open en bloot liggen op een zwart kastje/dressoir. Daarnaast ligt tevens een hoeveelheid geld, bestaande uit biljetten van 50, 20, 10 en 5 euro.

Uit nader onderzoek bleek dat de op de zolderverdieping aangetroffen partij hennep bestond uit 356 zakken met een totaal brutogewicht van 394,725 kilogram. Op basis van de geur, kleur, vorm en samenstelling hebben de taakaccenthouders verdovende middelen geconstateerd dat het hennep was, als bedoeld op Lijst II van de Opiumwet. De vijf genomen monsters van de hennep reageerden bij de uitgevoerde MMC test alle positief op de aanwezigheid van THC. De plakken hasjiesj reageerden eveneens positief op de aanwezigheid van THC.

De schoenendoos, die op een kledingkast stond, is nader onderzocht. In deze schoenendoos waren meerdere bundels eurobiljetten aanwezig, die ieder waren samengebonden met elastieken. Van vier van deze bundels zijn de elastieken veiliggesteld voor onderzoek naar biologische sporen. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat deze biologische sporen een DNA mengprofiel bevatten afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één een man. Het afgeleide DNA hoofdprofiel matcht met ‘onbekende man A’. Bij vergelijking met het DNA-profiel van de verdachte, blijkt dat het DNA-profiel van ‘onbekende man A’ matcht met het DNA-profiel van de verdachte.

Tijdens de doorzoeking van de betreffende woning werden op notitieblaadjes de volgende adressen aangetroffen:

[adres 2] te [plaats 2] ;

[adres 3] te [plaats 2] .

Bij nader onderzoek met betrekking tot deze adressen werd door het onderzoeksteam het volgende geconstateerd:

Bij het inwinnen van inlichtingen ten aanzien van het pand aan [adres 2] [plaats 2] bleek dat op 14 april 2021 een inwerking zijnde hennepkwekerij met 349 hennepplanten werd aangetroffen. In het pand werden twee verdachten aangehouden, beiden mannen van Albanese afkomst.

Bij het inwinnen van inlichtingen ten aanzien van het pand aan de [adres 3] te [plaats 2] bleek dat op 22 april 2021 een inwerking zijnde hennepkwekerij met 762 hennepplanten werd aangetroffen. In dit pand werden twee verdachten aangehouden, beiden mannen van Albanese afkomst.

Getuige [getuige], eigenaar en verhuurder van de woning aan de [adres 1] , heeft verklaard de woning sinds 1 maart 2019 te hebben verhuurd aan [naam] . Het huurcontract staat op naam van [naam] , geboren in [geboorteplaats 2] .

[medeverdachte]
, die in het onderzoek als medeverdachte is aangemerkt, heeft verklaard dat zij sinds half januari 2021 in de woning verbleef. Zij kreeg betaald om daar schoon te maken. De man die ook in de woning verblijft en zij hebben een sleutel van de woning. Haar slaapkamer is op de eerste verdieping aan de achterzijde van de woning gelegen.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 28 juli 2021 verklaard dat hij de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] huurde. Hij heeft de huur van de woning van zijn oom [naam] overgenomen. De verdachte heeft een persoon, wiens naam hij niet wil noemen, toestemming gegeven om de woning binnen te komen en voorwerpen in de woning te leggen. De verdachte was in deze woning om op die voorwerpen te letten. Het aangetroffen geld en de verdovende middelen behoren aan deze persoon toe. De tassen zijn ongeveer twee weken voorafgaande aan het binnentreden door de politie door deze personen in de woning gebracht. De verdachte was op dat moment aanwezig in de woning. De personen, die deze voorwerpen in de woning hebben gebracht en van wie de verdachte de namen niet wil noemen, zijn ongeveer twee uren bezig geweest om alle voorwerpen op zolder te leggen.

Overwegingen

Verdovende middelen

De verdachte wordt verweten dat hij medepleger is van – kort samengevat – het telen, bereiden, bewerken en verwerken dan wel opzettelijk aanwezig hebben van hennep (onder 1.). Daarnaast is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij, al dan niet tezamen met een ander of anderen, opzettelijk hasjiesj aanwezig heeft gehad (onder 3.).

Met de officier van justitie en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat het er geen bewijs is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennep. De verdachte moet ten aanzien daarvan worden vrijgesproken.

Om tot bewijs van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep en hasjiesj te komen, moet blijken dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van die middelen en dat hij er beschikkingsmacht over had. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Wetenschap

De verdachte en [medeverdachte] verbleven op 19 april 2021 in de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] . De verdachte was, naar eigen zeggen, de huurder van de woning, en [medeverdachte] was verantwoordelijk voor de schoonmaak. De verdachte en [medeverdachte] hadden beiden hun slaapkamer op de eerste verdieping, waar volgens de verbalisanten duidelijk een hennepgeur waarneembaar was, en waar de vlizotrap aan normale looppatronen in de weg stond. De verdachte is op de eerste verdieping aangetroffen; [medeverdachte] kwam bij het binnentreden van de politie de trap af. Het kan op basis van het vorenstaande niet anders zijn dan dat de verdachte de geur van hennep heeft waargenomen. De twee plakken hasjiesj lagen voor de verdachte zichtbaar open en bloot op een kastje/dressoir in de woonkamer. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de hennep en van de hasjiesj in de woning waar hij verbleef.

Machtssfeer

De verdachte had als huurder en feitelijk bewoner van de woning onbelemmerd toegang tot de woonkamer en ook tot de zolder. Er is niet gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een ander oordeel, dan dat hij op het moment van aantreffen daarvan de beschikkingsmacht over deze verdovende middelen had. Het enkele gegeven dat deze middelen toebehoorden aan derden, zoals de verdachte heeft verklaard, is hiervoor onvoldoende.

Partiële vrijspraak: witwassen horloges

Aan de verdachte is onder 2. het medeplegen van witwassen van twee horloges en een geldbedrag van 72.870 euro ten laste gelegd.

Het is komen vast te staan dat horloges imitaties betreft met een geringe waarde. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat de verdachte zich niet heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van deze horloges, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewijs witwassen geldbedrag

Bij de beoordeling van het onder 2. ten laste gelegde stelt de rechtbank het volgende voorop.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Om te kwalificeren als witwassen is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs, feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Vermoeden witwassen

Het grootste deel van het geldbedrag, te weten 71.490 euro, was verpakt in een schoenendoos. Deze doos stond bovenop een kast in de slaapkamer van de verdachte. Het geld bestond uit 19 bundels met eurobiljetten, elk samengebonden door elastiek. De hoogte van het bedrag, de wijze van verpakking en de samenstelling uit – voor het grootste deel – coupures van 50 euro of minder, levert een vermoeden op dat dit geld uit enig misdrijf afkomstig is. Dat vermoeden wordt versterkt door de grote hoeveelheid gedroogde hennep in de woning en de notities van de adressen in [plaats 2] , waar twee inwerking zijnde hennepkwekerijen van grote omvang bleken te zijn ingericht.

Verklaring verdachte

De verdachte heeft bij de politie geen verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. Ter terechtzitting heeft de verdachte slechts verklaard dat het geld afkomstig is van degene die de verdovende middelen op zolder heeft gelegd en dat hij deze schoenendoos, waarin het grootste deel van het aangetroffen geld zich bevond, in bewaring had voor een derde wiens naam hij niet wil noemen.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld, geen verklaring is die voldoet aan de daaraan te stellen eisen voor wat betreft de herkomst van het geld; zodanige verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Niet alleen is de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld niet concreet, maar ook is deze volstrekt niet verifieerbaar doordat de verdachte geen informatie verstrekt over de identiteit van de persoon, die volgens zijn verklaring het geld aan hem in bewaring heeft gegeven.

Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaring van de verdachte onvoldoende tegenwicht biedt tegen het vermoeden dat het aangetroffen geld de opbrengst is van het misdrijf van witwassen. Een nader onderzoek door of vanwege het openbaar ministerie naar de herkomst van het geld is in dat geval niet nodig. Volgens de rechtbank is er geen andere conclusie mogelijk dan dat het aangetroffen geld – 72.870 euro – onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Uit het feit dat de verdachte weigert opening van zaken te geven over de identiteit van de persoon, die het geld aan hem in bewaring heeft gegeven, leidt de rechtbank af dat de verdachte dit ook wist.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.
op 19 april 2021 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres 1] te [plaats 1] 394,725 kilogram (gedroogde) hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
op 19 april 2021 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van 72.870,– euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

3.
op 19 april 2021 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 193,08 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

feit 2: medeplegen van witwassen;

feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6De straf en/of de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 24 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat bij een bewezen-verklaring van het onder 2. ten laste gelegde, rekening dient te worden gehouden met de geringe rol van de verdachte, alsmede zijn jeugdige leeftijd en blanco strafblad. De raadsman heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft, samen met anderen, opzettelijk een zeer grote hoeveelheid hennep alsmede hasjiesj aanwezig gehad in een door hem gehuurde woning in [plaats 1] . De hennep heeft een verkoopwaarde van ongeveer 1,6 miljoen euro. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van softdrugs een gevaar voor de volksgezondheid vormt. Daarnaast heeft de verdachte een geldbedrag van 72.870 euro witgewassen.

Dergelijke feiten spelen zich af in de wereld van criminaliteit, die gekenmerkt wordt door criminele organisaties, intimidatie en geweld. De woning werd gebruikt als zogenaamde ‘stash-locatie’; de verdachte levert daarmee een essentieel en niet te onderschatten onderdeel in een (veel) grotere criminele organisatie, gericht op de grootschalige handel in verdovende middelen (mogelijk) gerund door personen afkomstig uit het buitenland. Dergelijke personen hebben geen enkele binding met Nederland en vestigen zich hier alleen met de intentie om gemakkelijk en snel geld de verdienen. Dergelijk handelen is zeer ondermijnend voor de samenleving en de legale economie. De personen die daarbij betrokken zijn kunnen, naar het zich laat aanzien, enkel worden afgeschrikt door middel van zware straffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in deze zaak enkel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

Bij het bepalen van de strafmaat in zaken als deze, komt veel betekenis toe aan de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen. In de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die beogen een weergave te zijn van hetgeen voor vergelijkbare strafbare feiten in de verschillende gerechten gemiddeld aan straffen wordt opgelegd, is uitgangspunt voor het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilo softdrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Voor grotere hoeveelheden zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. In de onderhavige zaak gaat het om het in vereniging aanwezig hebben van bijna 400 kilo softdrugs.

Alles afwegende, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderd gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de jeugdige leeftijd van de verdachte en het gegeven dat hij in Nederland niet eerder met justitie in aanraking is gekomen, maar anders dan de verdediging, ziet zij daarin geen aanleiding om van de door de officier van justitie gevorderde straf af te wijken.

7Het beslag

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven geldbedragen, te weten:

 een geldbedrag van 71.490 euro (G1409078);

 een geldbedrag van 800 euro (G1409109);

 een geldbedrag van 580 euro (G1409106);

dienen te worden verbeurdverklaard.

Genoemde geldbedragen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien het onder 2. bewezen verklaarde met betrekking tot deze geldbedragen is begaan.

Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder de verdachte de volgende voorwerpen in beslag zijn genomen:

 een doos met papieren (G1409118);

 Apple Iphone 12 (G1409060);

 Apple tablet (G1409021);

 Apple Iphone wit (G1409019).

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, moeten deze worden teruggegeven aan de verdachte.

8De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de 3, 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart het onder 1., onder 2. en onder 3. tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat onder 1., onder 2. of onder 3. meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert, zoals deze hierboven onder 4 zijn omschreven;

verklaart de verdachte daardoor strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

verstaat dat tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, zoals voorzien in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering;

Beslag

verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

71.490 euro (G1409078);

800 euro (G1409109);

580 euro (G1409106);

gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte:

een doos met papieren (G1409118);

Apple Iphone 12 (G1409060);

Apple tablet (G1409021);

Apple Iphone wit (G1409019).

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. van Maanen Winters, voorzitter, mr K.G. Witteman en mr. H.E.C. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2021.

Mr. H.E.C. Janssen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1
hij op of omstreeks 19 april 2021 te [plaats 1] , gemeente [plaats 3] , althans binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 1] te [plaats 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 394,725 kilogram (gedroogde) hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 19 april 2021 te [plaats 1] , gemeente [plaats 3] , althans binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
– een geldbedrag van 72.870,– euro en/of
– een Rolex horloge
– een Vacheron Constantin horloge
althans (een) gro(o)t(e) geldbedrag(en) en/ of voorwerp(en) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig, althans eigen, misdrijf;

( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 19 april 2021 te [plaats 1] , gemeente [plaats 3] , althans binnen het arrondissement Limburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 193,08 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van wet;

( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboekvan Strafrecht )

Voetnoten

  1. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Districtsrecherche Zuid-West-Limburg proces-verbaalnummer P2417-2021056429, gesloten d.d. 4 juni 2021, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 266.
  2. Proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 19 april 2021, pagina 135.
  3. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2021, pagina 138.
  4. Proces-verbaal van doorzoeking d.d. 19 april 2021, pagina 42.
  5. Proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 19 april 2021, pagina 136-137.
  6. Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 9 april 2021, pagina 45.
  7. Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 9 april 2021, pagina 47.
  8. Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 9 april 2021, pagina 48.
  9. Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 9 april 2021, pagina 63.
  10. Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 9 april 2021, pagina 75.
  11. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2021, pagina 139.
  12. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2021, pagina 141.
  13. Proces-verbaal van bevindingen forensisch onderzoek d.d. 20 april 2021, pagina 212-218.
  14. Deskundigenrapportage van The Maastricht Forensic Institute d.d. 22 april 2021 door dr. M. Moorlag en dr. P.J. Herbergs, die verklaren dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld als respectievelijk forensisch DNA-deskundige in opleiding en NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, pagina 258-260.
  15. Deskundigenrapportage van The Maastricht Forensic Institute d.d. 4 mei 2021 door dr. M. Moorlag en drs. B.J. Blankers, die verklaren dit rapport naar waarheid, volledig en naar beste inzicht te hebben opgesteld als respectievelijk forensisch DNA-deskundige in opleiding en NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, pagina 258-260.
  16. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 april 2021, pagina 180.
  17. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 mei 2021, pagina 181-182.
  18. Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 april 2021, pagina 156-157.
  19. Geschrift zijnde een huurcontract d.d. 1 maart 2019, pagina 158-162.
  20. Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 april 2021, pagina 116-118.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.