ECLI:NL:RBLIM:2021:6639 Rechtbank Limburg , 25-08-2021 / 03/221786-19
“De verdachte verkeerde ten tijde van het tenlastegelegde in een zogeheten “excited delirium”. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte enig bewustzijn had van zijn gedragingen, en enig inzicht in de draagwijdte hiervan. Nu dit een voorwaarde is om tot een bewezenverklaring van de aan hem ten laste gelegde misdrijven te komen, moet de verdachte van al h...
15 min de lecture · 3 204 mots
Inhoudsindicatie. “De verdachte verkeerde ten tijde van het tenlastegelegde in een zogeheten “excited delirium”. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte enig bewustzijn had van zijn gedragingen, en enig inzicht in de draagwijdte hiervan. Nu dit een voorwaarde is om tot een bewezenverklaring van de aan hem ten laste gelegde misdrijven te komen, moet de verdachte van al hetgeen hem is ten laste gelegd worden vrijgesproken.”
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03/221786-19
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 25 augustus 2021
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982 (hierna: (de) verdachte),
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.J. Hoogendoorn, advocaat kantoorhoudende te Utrecht.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 augustus 2021. De verdachte en mr. W.B. Lisi, waarnemende voor mr. Hoogendoorn, zijn ter terechtzitting verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, nadat ter terechtzitting van 11 augustus 2021 wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 13 september 2019 in Roermond:
1.
primair heeft geprobeerd aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met zijn auto tegen de auto van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te rijden;
subsidiair de plaats van het ongeval heeft verlaten en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd;
2.
primair heeft geprobeerd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door [slachtoffer 2] meermalen in zijn onderrug te bijten;
subsidiair [slachtoffer 2] heeft mishandeld door [slachtoffer 2] meermalen te bijten en te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;
3.
zich met geweld heeft verzet tegen een [slachtoffer 3] , [functie] , terwijl hij werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, waardoor [slachtoffer 3] letsel heeft opgelopen;
4.
de plaats van het ongeval heeft verlaten, waarbij naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten: [slachtoffer 4] , letsel en/of schade was toegebracht;
5.
na aan hem daartoe een vordering was gedaan, geen medewerking heeft verleend aan het verrichten van een bloedonderzoek.
3De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1. en van het onder 2. primair ten laste gelegde. Ook van de onder 2. subsidiair ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid dat ‘het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad’, heeft de officier van justitie tot vrijspraak gerekwireerd. Het overigens ten laste gelegde acht de officier van justitie bewezen op grond van de aangiften, de getuigenverklaringen en de processen-verbaal van bevindingen.
Met betrekking tot het onder 5. ten laste gelegde heeft de officier erop gewezen dat weliswaar in strijd met de voorgeschreven procedure eerst het bevel tot medewerking aan het bloedonderzoek is gegeven en pas daarna toestemming van de verdachte is gevraagd, maar dat gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad als sanctie kan worden volstaan met het constateren dat er een verzuim van vormen is.
De feiten kunnen de verdachte worden verweten. De verdachte had moeten begrijpen dat door inname van twee tabletten tegelijk en het doorbijten van één daarvan, de werking van de medicatie zou worden versterkt. Bovendien valt, doordat de verdachte weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek, niet uit te sluiten dat hij verdovende middelen had gebruikt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van al hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd op grond van de omstandigheid dat de verdachte geen opzet had, noch enige mate van bewustzijn, ten aanzien van de hem verweten gedragingen. Hij handelde onder invloed van een “excited delirium”, ontstaan door een verkeerd gebruik van medicatie.
Met betrekking tot het onder 5. tenlastegelegde heeft de raadsman als verweer naar voren gebracht dat in de procedure, zoals deze door de officier van justitie wordt omschreven, een onjuiste volgorde is aangehouden, hetgeen aan een bewezenverklaring van een weigering om een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 te ondergaan, in de weg staat.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beantwoording van de vraag of het ten laste gelegde kan worden bewezen, stelt de rechtbank het volgende voorop.
Volgens vaste jurisprudentie kan opzettelijk handelen niet worden bewezen, indien bij de verdachte elk inzicht in de draagwijdte van de gedraging ontbreekt.
In de feitelijke handeling die de verdachte worden verweten, ook waar het opzet niet in de tekst is vervat, wordt minstgenomen een willens en wetens (bewust) handelen verondersteld, zodat bij het ontbreken van enig bewustzijn van het eigen handelen, vrijspraak moet volgen. Dit geldt niet alleen voor de mishandeling en het doorrijden na ongeval (“terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden”), maar ook voor het verzet tegen een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en de weigering mee te werken aan het bloedonderzoek. Verzet en weigering veronderstellen immers wetenschap bij de betrokkene van wat van hem of haar wordt verwacht, en een wil om daar tegen in te gaan.
Voor het oordeel of de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde verkeerde in een toestand dat hij zich van zijn gedragingen niet bewust was en hiervan de draagwijdte niet kon overzien, is het volgende van belang.
In het rapport van 23 maart 2020 heeft H.L.C. Morre, forensisch psychiater, gerelateerd dat hij heeft vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde twee psychostimulantia in een forse dosering (methylfenidaat en dexamfetamine) gebruikte, terwijl het de bedoeling was dat hij slechts één van deze middelen en in een lagere dosering zou gebruiken. Deze vergissing heeft ertoe geleid dat de rem op ongepaste gedragingen, die bij de verdachte in aanleg al matig tot slecht was, nog verder in het ongerede raakte: de verdachte raakte door de overdosering aan stimulantia verward en overprikkeld. Hij verkeerde in wat wordt genoemd een “excited delirium”.
Ook N.L.A. van der Borgh, reclasseringswerker, vermeldt in haar rapport van 2 augustus 2021 dat de huisarts en psychiater in de penitentiaire inrichting enkele dagen na het delict hebben verklaard dat er sprake is geweest van een EDS-syndroom; dit is een eenmalige overlading van de hersenen in verband met een te hoge dosis dexamfetamine en het doorbijten van een tablet. Dit is een bijwerking die kan voorkomen – weliswaar zelden – en die zorgt voor kortsluiting van de hersenen.
De verdachte heeft ter terechtzitting over zijn medicijngebruik verklaard dat hij langere tijd was ingesteld op 80 mg per dag kortwerkende dexamfetamine, maar dat de huisarts dit had omgezet naar 70 mg per dag langwerkende dexamfetamine. De medicatie had zich zodoende ‘opgehoopt’ in zijn lichaam. Hij was hiervoor naar de huisarts geweest: hij kreeg last van hartkloppingen en druk op de borst. De bewuste avond had hij, toen hij zag dat hij een tablet was vergeten in te nemen, deze alsnog ingenomen samen met het volgende. Een van de tabletten had hij bovendien kapot gebeten. Achteraf had hij begrepen dat dit het effect ervan nog had vergroot.
Van de avond kan de verdachte zich nog herinneren dat hij in de auto was gestapt en was gaan pinnen. Ook ziet hij een beeld voor zich van een raam dat in duizend stukken uiteen spat. De volgende herinnering die hij heeft, is dat hij verward in een cel zit en geen idee heeft waarom hij daar zit.
Op grond van het voorgaande is met voldoende zekerheid vast te stellen dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde verkeerde in een zogeheten “excited delirium” als gevolg van het innemen van een overdosis langwerkende dexamfetamine. Die overdosering is bovendien versterkt doordat de verdachte een van de tabletten heeft doorgebeten, als gevolg waarvan de medicatie versneld in zijn bloed is opgenomen. Dit “excited delirium”, in het reclasseringsrapport omschreven als een kortsluiting in de hersenen, verklaart het uiterst agressief gedrag van de verdachte, waarvoor in de omstandigheden die avond verder geen (andere) aanleiding is te vinden. Ook zijn verzet bij aanhouding en zijn agressie in de cel, die een bloedonderzoek feitelijk onmogelijk maakte, worden hierdoor verklaard. Dat hij is doorgereden na ongeval is weliswaar te bewijzen, maar gezien zijn toestand moet worden aangenomen dat hij zich daarvan niet bewust is geweest.
Desondanks zou de verdachte van zijn gedragingen een verwijt zijn te maken, indien hij zichzelf bewust in deze toestand heeft gebracht. Hiervan is echter niet gebleken. De inname van een dubbele dosis van het voorgeschreven medicijn en het doorbijten van een tablet zijn op zichzelf daarvoor onvoldoende. De verdachte hoefde niet te voorzien dat dit bij hem tot een onbeheersbare uitbarsting van agressie zou leiden. Dat de verdachte ook verdovende middelen zou hebben gebruikt, zoals door de officier van justitie gesuggereerd, is niet objectief vastgesteld en vindt geen steun in de bevindingen van de forensisch psychiater en de reclassering. Van de omstandigheid dat het door de toestand waarin de verdachte verkeerde die avond niet tot het afnemen van een bloedproef is gekomen, is – zoals hiervoor overwogen – de verdachte geen verwijt te maken. Uit de rapportages blijkt weliswaar dat de verdachte een verleden van drugsgebruik kent, maar hij was na een vrijwillige opname in een kliniek in 2018 al langere tijd abstinent.
Dit alles brengt de rechtbank tot de slotsom dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enig bewustzijn had van zijn gedragingen, en enig inzicht in de draagwijdte hiervan. Nu dit een voorwaarde is om tot een bewezenverklaring van de aan hem ten laste gelegde misdrijven te komen, moet de verdachte van al hetgeen hem is ten laste gelegd worden vrijgesproken.
4De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
1.
De benadeelde [slachtoffer 1] vordert de verdachte te veroordelen tot de betaling van een vergoeding van haar schade tot € 518,47, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering heeft betrekking op een materiële schade van € 118,47: kosten wegens een behandeling bij de spoedeisende hulp en op immateriële schade van € 400,00.
2.
De benadeelde [slachtoffer 2] vordert de verdachte te veroordelen tot de betaling van een vergoeding van zijn schade tot € 2.374,99, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering heeft betrekking op materiële schade van € 1.374,99, bestaande uit € 931,54 voor een gebitsprothese en € 443,45 voor een gehoorapparaat. De vordering heeft betrekking op immateriële schade van € 1.000,00.
3.
De benadeelde [slachtoffer 3] heeft schriftelijk gevorderd de verdachte te veroordelen tot de betaling van een vergoeding van zijn immateriële schade tot € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter terechtzitting heeft [slachtoffer 3] zijn vordering tot vergoeding van de immateriële schade verhoogd tot € 400,00 en daarnaast zijn vordering aangevuld met een vergoeding wegens € 19,00 reiskosten.
4.
De benadeelde [slachtoffer 4] vordert de verdachte te veroordelen tot betaling van een vergoeding van haar schade wegens het feit dat zij niet meer in haar auto kan rijden. Zij heeft geen onderbouwing van deze schade ingediend. De op het schadevergoedingsformulier ingevulde kosten voor ambulancevervoer hebben – aldus mededeling van de benadeelde ter terechtziting – geen betrekking op de schade, die door het aan de verdachte in deze zaak tenlastegelegde is ontstaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot de toewijzing van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Voor wat het materiële gedeelte zijn de gevorderde bedragen met facturen onderbouwd. De vorderingen voor immateriële schade zijn eveneens voldoende onderbouwd.
De officier van justitie heeft eveneens geconcludeerd tot de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van [slachtoffer 3] . Gelet op de door [slachtoffer 3] gegeven onderbouwing, is naar zijn oordeel een bedrag van € 400,00 redelijk.
Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd schadevergoedingsmaatregelen aan de verdachte op te leggen voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van [slachtoffer 4] in haar vordering, omdat in haar vordering de schade ten gevolge van het aan de verdachte tenlastegelegde niet is gespecificeerd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat allen, die zich als benadeelde partij hebben gesteld, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle aan hem tenlastegelegde strafbare feiten.
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op de omstandigheid dat de verdachte zal worden vrijgesproken, kunnen de benadeelden [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] niet in hun vorderingen worden ontvangen.
5De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
– verklaart niet bewezen dat de verdachte het aan hem onder 1. primair, onder 1. subsidiair cumulatief/alternatief, onder 2. primair, onder 2. subsidiair, onder 3., onder 4. en onder 5. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
Benadeelde partijen
[slachtoffer 1]
verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering;
veroordeelt [slachtoffer 1] in de kosten van de procedure, aan de zijde van de verdachte tot op heden begroot op nihil;
[slachtoffer 2]
verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
veroordeelt [slachtoffer 2] in de kosten van de procedure, aan de zijde van verdachte tot op heden begroot op nihil;
[slachtoffer 3]
verklaart [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
veroordeelt [slachtoffer 3] in de kosten van de procedure, aan de zijde van verdachte tot op heden begroot op nihil;
[slachtoffer 4]
verklaart [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in haar vordering;
veroordeelt [slachtoffer 4] in de kosten van de procedure, aan de zijde van verdachte tot op heden begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis
– heft op het bevel tot de voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G. Witteman, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. W.H.B. Dreissen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Eroktay, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2021.
Buiten staat
Mr. Dreissen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is – nadat ter zitting van 11 augustus 2021 wijziging van de tenlastelegging is toegelaten – ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 13 september 2019 in de gemeente Roermond
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, auto tegen de
auto van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevond) heeft aangereden
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke
gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk
verkeersongeval had plaatsgevonden in Roermond op/aan de Bredeweg, op of
omstreeks 13 september 2019
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een
ander (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] )
letsel en/of schade was toegebracht;
( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994 )
en/of
hij op of omstreeks 13 september 2019 in de gemeente Roermond [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, auto tegen de auto van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden) heeft aangereden;
2
hij op of omstreeks 13 september 2019 in de gemeente Roermond
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met dat opzet, voornoemde [slachtoffer 2] , meermalen, althans eenmaal (met kracht) (in
zijn onderrug) heeft gebeten terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf
niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 september 2019 in de gemeente Roermond
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal
(met kracht) (in zijn onderrug) te bijten en/of te slaan,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een diepe (bijt)wond en/of al dan
niet blijvend litteken(weefsel) ten gevolge heeft gehad;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 13 september 2019 in de gemeente Roermond,
zich met geweld en/of bedreiging met geweld,
heeft verzet
tegen een ambtenaar, [slachtoffer 3] ( [functie] ) ,
werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de
aanhouding van verdachte [verdachte] , en/of het overbrengen van verdachte naar het politiebureau en/of de voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie
bestond door
– niet in de richting te bewegen waarin verbalisant [slachtoffer 3] verdachte wilde
bewegen en/of
te slaan (met een vuist) tegen het oor van voernoemde verbalisant en/of
– te trappen tegen de knie van voornoemde verbalisant
waardoor voornoemde verbalisant letsel (namelijk een schaafwond aan de knie)
heeft opgelopen;
( art 180 Wetboek van Strafrecht )
4
hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke
gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk
verkeersongeval had plaatsgevonden in Roermond op/aan de Bredeweg, op of
omstreeks 13 september 2019
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een
ander (te weten [slachtoffer 4] )
letsel en/of schade was toegebracht;
( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994 )
5
hij op of omstreeks 13 september 2019 in de gemeente Roermond, in elk geval in
Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een
personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet
1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een stof als bedoeld
in artikel 8, eerste of vijfde lid van genoemde wet verkeerde, nadat hij de door een
opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een
bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van
genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem
gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de
Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat
bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
( art 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2
ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994 )
Voetnoten
- Bij emailbericht van 13 augustus 2021 te 15:53 uur heeft [slachtoffer 3] aan de rechtbank laten weten dat hij zich heeft vergist en dat de reiskosten slechts € 8,50 hebben bedragen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...