ECLI:NL:RBMNE:2022:6652 Rechtbank Midden-Nederland , 06-07-2022 / 16/061490-22
Bewezen: aanwezig hebben cocaïne en voor de duur van 6 maanden dealen van cocaïne. Straf: 12 maanden gevangenisstraf met aftrek waarvan 6 maanden voorwaardelijk + bijz. vw.
14 min de lecture · 2 872 mots
Inhoudsindicatie. Bewezen: aanwezig hebben cocaïne en voor de duur van 6 maanden dealen van cocaïne. Straf: 12 maanden gevangenisstraf met aftrek waarvan 6 maanden voorwaardelijk + bijz. vw.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/061490-22 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2022
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] ,
gedetineerd te P.I. Alphen, locatie Eikenlaan,
hierna: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juni 2022.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat te Doorn, naar voren hebben gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1
op 11 maart 2022 te Utrecht en/of Vianen samen met (een) ander(en) 55,28 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad;
Feit 2
in periode van 12 maart 2021 tot en met 11 maart 2022 te Utrecht en/of Vianen samen met (een) ander(en) heeft gedeald, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Volgens de officier van justitie kan uit de verklaring van getuige [getuige] worden afgeleid dat verdachte gedurende de gehele onder 2 ten laste gelegde periode heeft gedeald.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat hooguit een periode van een half jaar vóór de dag van aanhouding van verdachte bewezen kan worden. Hij voert aan dat het te ver gaat om op grond van de verklaring van getuige [getuige] bewezen te achten dat verdachte al een jaar met behulp van de onderzochte deallijn heeft gedeald. Uit de verklaringen van de andere getuigen blijkt namelijk dat telkens andere dealers gebruik hebben gemaakt van die deallijn. Daarom moet worden uitgegaan van de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat verdachte uitsluitende gedurende de periode van 6 maanden vóór zijn aanhouding heeft gedeald.
Het oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde
Bewijsmiddelen
De verklaring van verdachte ter terechtzitting
Er is op 11 maart 2022 cocaïne aangetroffen tijdens mijn insluitingsfouillering in Nieuwegein en bij mij thuis in Utrecht. Het klopt dat ik in Utrecht en Vianen heb gehandeld in cocaïne. Ik heb dat gedurende de periode van 6 maanden vóór mijn aanhouding gedaan.
Een NFI-rapport
Kenmerk Omschrijving FO Conclusie
AA0Q1797NL poeder, wit, uit 1,05 gram; aantal bevat cocaïne
bemonsteringen in onderzoek: een
Een NFI-rapport
Kenmerk Omschrijving FO Conclusie
AA0Q1798NL poeder, wit, uit 6,23 gram; aantal bevat cocaïne
bemonsteringen in onderzoek: twee
Een NFI-rapport
Kenmerk Omschrijving FO Conclusie
AA0Q1799NL poeder en brokjes, wit, uit 12,44 gram; bevat cocaïne
aantal bemonsteringen in onderzoek: vier
Een NFI-rapport
Kenmerk Omschrijving FO Conclusie
AA0Q1800NL poeder en brokjes, wit, uit 30,14 gram; bevat cocaïne
aantal bemonsteringen in onderzoek: een
Een NFI-rapport
Kenmerk Omschrijving FO Conclusie
AA0Q1801NL poeder, wit, uit 5,42 gram; bevat cocaïne
aantal bemonsteringen in onderzoek: een
Het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige]
V: Hoe kom je aan je drugs?
A: Ik bel de dealer op en ik spreek af.
(…)
V: Wat voor drugs koop je bij deze dealer?
A: Cocaine.
(…)
A: Ik koop altijd van dezelfde persoon. (…).
(…)
V: Sinds wanneer koop je drugs bij deze dealer? (…).
A: Een halfjaar geleden heeft mijn ex-schoonmoeder zelfmoord gepleegd. Dat was wel
een 'Down' moment.
V: Op welke plaats krijg je de drugs van deze dealer?
A: (…) Het is wel bijna altijd in Vianen, maar soms in Nieuwegein.
(…)
V: Weet je zeker dat de persoon op de foto die je net zag, fotoblad 1, dat dat jouw
drugsdealer is?
A: Ja.
(…)
O: Het fotoblad dat werd getoond aan de getuige betreft de foto van:
– [verdachte]
– geboren op [geboortedatum] -1996.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte opzettelijk cocaïne aanwezig heeft gehad en dat hij heeft gedeald waar anderen kennelijk bij aanwezig zijn geweest. Daarbij is echter onvoldoende gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en anderen. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van feit 1 en feit 2 partieel vrijspreken van het medeplegen.
De rechtbank heeft met betrekking tot feit 2 uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging verkregen dat verdachte langer dan een periode van een half jaar (6 maanden) heeft gedeald. [getuige] heeft initieel verklaard dat hij een jaar geleden weer is begonnen met het kopen van cocaïne bij dezelfde dealer en heeft verdachte als die dealer herkend. Tijdens datzelfde verhoor is [getuige] echter gevraagd of hij het voor het eerst kopen van cocaïne kan koppelen aan een bepaald incident. [getuige] heeft daarop gereageerd door te verwijzen naar een incident dat zich een half jaar eerder voordeed. [getuige] is daarmee niet eenduidig over het moment waarop hij voor het eerst cocaïne heeft gekocht bij verdachte, terwijl het dossier geen andere bewijsmiddelen bevat waaruit kan worden afgeleid dat verdachte langer dan een half jaar heeft gedeald. De rechtbank zal daarom bij de bewezenverklaring uitgaan van de, door de verdachte bekende, dealperiode van 6 maanden en zal verdachte voor het resterende gedeelte van de ten laste gelegde periode vrijspreken.
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
Feit 1
op 11 maart 2022 in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 55,28 gram, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2
in de periode van 1 september 2021 tot en met 11 maart 2022 te Utrecht en Vianen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en/of verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8OPLEGGING VAN STRAF
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met de volgende bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan ambulante behandeling zolang de reclassering dit nodig acht, meewerken aan het vinden van een goede dagbesteding en inzicht geven in zijn financiën.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk te stellen aan het voorarrest, omdat verdachte zijn woning kan verliezen als hij langer gedetineerd blijft. Daarbij bepleit de raadsman een lange voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren. Verdachte heeft een grote stok achter de deur nodig, aldus de raadsman. Verder heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het feit dat de rechtbank eerder heeft bevolen dat een reclasseringsrapport diende te worden opgemaakt, maar dat het openbaar ministerie die opdracht niet heeft uitgevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Daarnaast heeft verdachte gedurende een periode van zes maanden cocaïne gedeald. Het is algemeen bekend dat harddrugs, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Ook is het gebruik van drugs, onder andere door de daarmee gepaard gaande gewelddadige criminaliteit, bezwarend voor de samenleving. Verdachte heeft zich van deze gevolgen niets aangetrokken en kennelijk uitsluitend gedacht aan de opbrengsten van de cocaïnehandel. De rechtbank rekent het verdachte in hoge mate aan dat hij door het dealen en aanwezig hebben van de harddrugs heeft bijgedragen aan het in stand houden van de drugscriminaliteit en het in gevaar brengen van de gezondheid van de gebruikers.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 18 mei 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Op te leggen straf
Gelet op de hiervoor besproken ernst van de bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf passend. De rechtbank ziet wel aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met bijzondere voorwaarden ondanks het feit dat er geen reclasseringsadvies aanwezig is. Verdachte heeft namelijk ter terechtzitting aangegeven dat toezicht hem gaat helpen, dat hij openstaat voor behandeling en dat hij een stok achter de deur nodig heeft. De rechtbank neemt daarnaast mee dat verdachte first offender is.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals voorgesteld door de officier van justitie. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank een kortere periode van dealen bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie bewijsbaar achtte.
9BESLAG
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen geldbedragen (in totaal 3.320 euro) verbeurd worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het nemen van een beslissing op het beslag formeel gezien niet aan de orde is en refereert zich daarom aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft geconstateerd dat de rechter-commissaris een machtiging tot handhaving krachtens artikel 103 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft verleend. De officier van justitie heeft ter terechtzitting bevestigd dat op de geldbedragen niet langer ‘klassiek beslag’ rust, maar uitsluitend conservatoir beslag. Uit artikel 353 Sv volgt dat op zodanig beslag geen beslissing bij einduitspraak in de strafzaak wordt genomen.
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie daarom af.
10VORDERING TENUITVOERLEGGING
Bij vonnis van 30 april 2021 van de politierechter in deze rechtbank is verdachte een voorwaardelijke geldboete van € 250,- opgelegd.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen, omdat verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie kan worden toegewezen.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijke straf.
11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen
14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en
2 en 10 van de Opiumwet,
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
12BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
– verklaart het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
– verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
– verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
– verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
– veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf (12) maanden;
– bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
– bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van zes (6) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
– stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jaren vast;
– als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
– stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
* zich meldt binnen drie werkdagen na de dag van zijn invrijheidstelling bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht (tel.nr. 088 804 1101). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* meewerkt aan een ambulante behandeling, indien de reclassering dit nodig acht, bij een zorgverlener te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
* zal meewerken aan het vinden van een goede dagbesteding, te bepalen door de reclassering;
* aan de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
– waarbij Reclassering Nederland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Beslag
– Wijst af de vordering tot verbeurdverklaring;
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-017247-21
– wijst de vordering toe;
– gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 30 april 2021 opgelegde voorwaardelijke geldboete van
€ 250,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.D. Groen, voorzitter, mr. P.C. Quak en mr. A.J. Reitsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 juli 2022.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 11 maart 2022 te Utrecht en/of Vianen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 55,28 gram, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel
3a van die wet;
( art. 10 lid 3 Opiumwet, art. 2 ahf/ond C Opiumwet, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek
van Strafrecht )
2
hij in of omstreeks de periode van 12 maart 2021 tot en met 11 maart 2022 te
Utrecht en/of Vianen, athans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of
meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of
bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of
vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,een hoeveelheid cocaïne, in
elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art. 10 lid 4 Opiumwet, art. 2 ahf/ond B Opiumwet, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek
van Strafrecht )
Voetnoten
- Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 7 mei 2022, genummerd PL0900-2022016607, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 726. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 juni 2022.
- Een geschrift, te weten een NFI-rapport van 15 maart 2022, p. 314.
- Een geschrift, te weten een NFI-rapport van 15 maart 2022, p. 315.
- Een geschrift, te weten een NFI-rapport van 15 maart 2022, p. 316.
- Een geschrift, te weten een NFI-rapport van 15 maart 2022, p. 317.
- Een geschrift, te weten een NFI-rapport van 15 maart 2022, p. 318.
- Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 11 maart 2022, p. 176.
- Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 11 maart 2022, p. 177.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...