ECLI:NL:RBMNE:2025:5672 Rechtbank Midden-Nederland , 13-08-2025 / 11638651 \ AC EXPL 25-911
Eiser vordert betaling van loon. Overeenkomst van opdracht. Bewijslevering.
10 min de lecture · 2 138 mots
Inhoudsindicatie. Eiser vordert betaling van loon. Overeenkomst van opdracht. Bewijslevering.
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11638651 \ AC EXPL 25-911
Vonnis van 13 augustus 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres] , tevens handelend als eenmanszaak onder de naam [bedrijf 1],
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. F.S.C. Pinckaers,
tegen
1DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [bedrijf 2] ,
gevestigd te Leusden, hierna te noemen: [gedaagden] ,
2. [vennoot1] , in haar hoedanigheid van vennoot van [gedaagden] en in privé,
wonende te [plaats] , hierna te noemen: [vennoot1]
3. [vennoot2] , in zijn hoedanigheid van vennoot van [gedaagden],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] c.s.
gemachtigde: mr. A. Coppelmans.
1De procedure
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
– de dagvaarding met producties 1 t/m 38,
– de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 15,
– de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
– het bericht van 18 juli 2025 met producties 39 t/m 41 van [eiseres]
– het bericht van 22 juli 2025 met producties 16 en 17 van [gedaagden] c.s.
Op 30 juli 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht. Hierbij waren aanwezig [eiseres] , haar echtgenoot de heer [echtgenoot] , twee dochters van [eiseres] , haar gemachtigde en diens kantoorgenoot de heer mr. L.J. Bohmer. Daarnaast waren aanwezig [vennoot1] , de heer [vennoot2] , de gemachtigde van [gedaagden] c.s. en diens kantoorgenoot de heer mr. R.R.M. van den Heuvel. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
Vervolgens is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
[eiseres] en [vennoot1] waren vriendinnen. Van 2019 tot en met september 2022 verrichtte [eiseres] werkzaamheden voor [gedaagden] , althans [vennoot1] . [vennoot1] en haar man zijn de vennoten van [gedaagden] . Volgens [eiseres] zijn de werkzaamheden verricht op basis van drie verschillende overeenkomsten van opdracht. [eiseres] vordert primair betaling van € 5.750,00 voor door haar verrichtte stylingwerkzaamheden tussen maart 2019 en september 2021, € 7.840,00 voor door haar verrichtte Personal Assistant (‘PA’) werkzaamheden tussen 1 september 2021 en 31 augustus 2022, en € 2.947,98 voor overige werkzaamheden door [eiseres] verricht in september 2022. Voor zover niet komt vast te staan dat [eiseres] recht heeft op deze bedragen, vordert zij subsidiair een redelijk loon in de zin van artikel 7:405 lid 2 Burgerlijk Wetboek (‘BW’).
[gedaagden] c.s. betwisten de vorderingen van [eiseres] . [eiseres] zal daarom worden toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stellingen.
3De beoordeling
De stylingwerkzaamheden
Dat [eiseres] stylingwerkzaamheden heeft verricht voor het kantoorpand van [gedaagden] , in opdracht van [vennoot1] , staat vast. Of, en zo ja, hoe veel loon [eiseres] daarvoor zou ontvangen, is niet komen vast te staan. [eiseres] stelt dat zij met [vennoot1] heeft gesproken over een financiële beloning en dat een uurtarief van € 55,00 is genoemd. [eiseres] stelt dat met [vennoot1] vooraf tijdens het borrelen in het bijzijn van hun echtgenoten is afgesproken dat [gedaagden] haar eerste betalende klant zou worden. Op basis van dat uurtarief en de gewerkte uren heeft [eiseres] een factuur gestuurd naar [gedaagden] voor een totaalpakket qua styling van € 5.750,00. [gedaagden] c.s. betwisten dat is gesproken over betaling. [vennoot1] voert aan dat de stylingwerkzaamheden zijn verricht als vriendendienst en niet op basis van een overeenkomst van opdracht. Dit past volgens [gedaagden] c.s. bij het feit dat de eenmanszaak van [eiseres] pas in maart 2021 is opgericht en bij de aard van hun relatie; net zoals [vennoot1] (advies)werkzaamheden verrichtte als vriendendienst voor de sportschool van de man van [eiseres] . Volgens [vennoot1] zijn over en weer vriendendiensten verricht, die tegen elkaar zijn weggestreept. [eiseres] is het daar niet mee eens en meent dat haar stylingwerkzaamheden los staan van de vriendendiensten die haar man en [vennoot1] voor elkaar hebben verricht. Ter onderbouwing van die stelling heeft de gemachtigde van [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling een Whatsappgesprek geciteerd dat zou hebben plaatsgevonden op 25 februari 2020 tussen de man van [eiseres] en [vennoot1] . Het feit dat haar eenmanszaak nog niet was opgericht, betekent volgens [eiseres] niet dat zij geen recht heeft op betaling. Zo heeft [eiseres] ook voor oprichting van haar eenmanszaak betaalde stylingwerkzaamheden verricht voor een kennis van [vennoot1] , waarvan [vennoot1] op de hoogte was. [eiseres] heeft hiervoor € 1.000,00 (exclusief btw) in rekening gebracht.
Bij deze stand van zaken ziet de kantonrechter aanleiding om [eiseres] toe te laten bewijs te leveren van de stelling dat partijen een uurloon van € 55,00 hebben afgesproken voor de stylingwerkzaamheden. De stelplicht en bewijslast rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (‘Rv’) op [eiseres] . Zij vordert namelijk betaling van facturen op basis van door haar gestelde overeenkomsten van opdracht. [eiseres] zal dus moeten stellen en zo nodig bewijzen dat zij werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van haar beroep of bedrijf zoals bedoeld in artikel 7:405 lid 1 BW, en tegen welk loon.
Als [eiseres] slaagt in het leveren van het bewijs, wordt dit deel van de vordering toegewezen. Als [eiseres] niet slaagt in het leveren van bewijs, dan wordt de vordering tot betaling van € 5.750,00 afgewezen. Als [eiseres] niet slaagt in het leveren van bewijs dat partijen een uurloon van € 55,00 hebben afgesproken, maar wel dat een financiële beloning zou worden betaald, dan heeft [eiseres] recht op loon op de gebruikelijke wijze berekend, dan wel een redelijk loon, in de zin van artikel 7:405 lid 2 BW. Dan is namelijk geen sprake van een vriendendienst, maar van een overeenkomst van opdracht. De kantonrechter zal in dat geval aansluiten bij het uurloon dat [eiseres] verdiende voor de PA werkzaamheden. Zoals hierna zal blijken, staat ook dat uurloon nog niet vast.
De PA werkzaamheden
Het staat vast dat [eiseres] op basis van een overeenkomst van opdracht PA werkzaamheden heeft verricht voor 20 uur per week. Het staat echter niet vast dat [eiseres] daar € 2.000,00 per maand voor zou krijgen, want [gedaagden] c.s. hebben die stelling gemotiveerd betwist. Volgens [gedaagden] c.s. was niet € 2.000,00, maar € 1.000,00 per maand afgesproken.
[eiseres] heeft facturen gestuurd naar [gedaagden] voor omgerekend € 1.000,00 per maand. Deze facturen zijn, met uitzondering van de factuur over augustus 2022, door [gedaagden] betaald. [gedaagden] c.s. menen dat alle PA werkzaamheden al zijn betaald. [vennoot1] verwijst naar een Whatsapp-bericht waaruit zou blijken dat [eiseres] een loon verdiende van € 12.50 per uur. [eiseres] heeft echter een andere verklaring voor dat bericht, namelijk dat zij per maand € 1.000,00 in rekening mocht brengen, omgerekend € 12,50 per uur, maar dat het overige loon door [gedaagden] c.s. zou worden gespaard en op een later moment zou worden uitbetaald. Een bedrag van € 7.000,00 zou voor [eiseres] apart worden gezet en later als bedrag ineens worden uitbetaald. Met dat geld wilde [eiseres] een verre reis maken met het gezin. Daarnaast zou [eiseres] € 5.000,00 van het loon investeren in de theatershow van [vennoot1] . [gedaagden] c.s. betwisten dat dit is afgesproken. Volgens [gedaagden] c.s. hebben partijen gesproken over een bedrag van € 7.000,00, dat door [gedaagden] c.s. zou worden gespaard en wat volgens [vennoot1] het bedrag is dat [eiseres] netto zou overhouden van het loon. [gedaagden] c.s. voeren aan dat [eiseres] op enig moment besloot om toch maandelijks te factureren.
Bij deze stand van zaken zal de kantonrechter [eiseres] ook toelaten bewijs te leveren van de stelling dat partijen een loon van € 2.000,00 per maand hebben afgesproken voor de PA werkzaamheden. Als [eiseres] slaagt in het leveren van dit bewijs, zal dit onderdeel van de vordering worden toegewezen. Als [eiseres] niet slaagt in het leveren van bewijs, dan wordt de vordering tot betaling van € 7.000,00 afgewezen. Ook de subsidiaire vordering van [eiseres] , namelijk dat in dat geval recht bestaat op een redelijk loon wat volgens [eiseres] (meer dan) € 7.000,00 bedraagt, wordt dan afgewezen. Een redelijk loon komt pas in beeld wanneer partijen de hoogte van het loon niet hebben bepaald (zie artikel 7:405 lid 2 BW). Partijen hebben in dit geval wel afspraken gemaakt over de hoogte van het loon, alleen staat het bedrag ter discussie.
De gewerkte uren in september 2022
[eiseres] zal worden toegelaten ook bewijs te leveren van de stelling dat zij de werkzaamheden zoals vermeld op de factuur 2022-10 heeft verricht in september 2022. [eiseres] vordert betaling van € 180,00 (3 uur x € 60,00) voor het ontwerpen van een uitnodigingskaart, € 2.700,00 (45 uur x € 60,00) voor het ontwerpen van 45 element kaarten en € 60,00 voor ‘ [naam] ’. [eiseres] verwijst ter onderbouwing van die uren naar een screenshot van Canva, waaruit blijkt dat op 5 september 2022 en 6 september 2022 bestanden zijn aangemaakt, maar daaruit kan de kantonrechter niet afleiden hoeveel uren in de maand september zijn gewerkt aan het ontwerpen, laat staan aan de andere onderdelen. [gedaagden] c.s. betwisten dat [eiseres] in die maand voor hen heeft gewerkt, behalve het uur dat is besteed aan het regelen van de locatie ‘ [naam] ’. Volgens [gedaagden] c.s. zijn de andere werkzaamheden eerder verricht, en dus al vergoed op basis van de PA werkzaamheden tot en met augustus 2022. Ook de hoogte van de vergoeding wordt door [gedaagden] c.s. betwist.
Als [eiseres] slaagt in het leveren van bewijs van de werkzaamheden en het aantal uren dat daaraan is besteed in september 2022, dan heeft [eiseres] recht op loon als bedoeld in artikel 7:405 BW. Voor de hoogte van het loon zal de kantonrechter aansluiten bij het uurloon dat [eiseres] verdiende voor de PA werkzaamheden (welk uurloon op dit moment dus nog niet vaststaat). Het is namelijk niet gebleken dat [gedaagden] c.s. hebben ingestemd met een (veel) hoger uurloon voor de werkzaamheden in september 2022; [eiseres] erkent ook dat hierover niet expliciet is gesproken. Als [eiseres] niet slaagt in het leveren van bewijs, dan heeft ze alleen recht op betaling van het uur dat ze heeft gewerkt voor het regelen van de locatie ‘ [naam] ’. Ook in dat geval wordt aangesloten bij het uurloon dat [eiseres] verdiende voor de PA werkzaamheden.
Bewijslevering
Mocht [eiseres] bewijs willen leveren door middel van het horen van getuigen (enquête), en [gedaagden] c.s. daarna getuigen wensen te horen in een tegenverhoor (contra-enquête), verdient het om proceseconomische redenen de voorkeur dat de getuigen in de contra-enquête direct aansluitend aan de enquête worden gehoord. Daarnaast moeten partijen er rekening mee houden dat de kantonrechter aansluitend aan het getuigenverhoor een mondelinge behandeling kan houden om inlichtingen over de zaak te vragen, om partijen gelegenheid te geven hun standpunten nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten alsnog met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon/rechtsgeldig vertegenwoordigd op de getuigenverhoren verschijnen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4De beslissing
De kantonrechter
laat [eiseres] toe te bewijzen dat:
Partijen loon, meer in het bijzonder een uurloon van € 55,00, hebben afgesproken voor de stylingwerkzaamheden,
partijen een loon van € 2.000,00 per maand hebben afgesproken voor de PA werkzaamheden,
[eiseres] de uren zoals vermeld op de factuur 2022-10 heeft gewerkt in september 2022 met uitzondering van het uur voor ‘ [naam] ’,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 10 september 2025 voor:
uitlating door [eiseres] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
uitlating door [gedaagden] c.s. of zij, in het geval [eiseres] bewijs wil leveren door het horen van getuigen, (op diezelfde dag) getuigen wil laten horen in contra-enquête,
bepaalt dat, als [eiseres] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
bepaalt dat, als [eiseres] getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden oktober tot en met december dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
bepaalt dat, als [gedaagden] c.s. getuigen willen laten horen in een contra-enquête, zij de getuigen en hun verhinderdagen dan direct moeten opgeven,
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. K.G.F. van der Kraats, in het gerechtsgebouw te Utrecht, Vrouwe Justitiaplein 1,
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Wachter op 13 augustus 2025.
SB5790
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...