ECLI:NL:RBMNE:2025:7762 Rechtbank Midden-Nederland , 16-01-2025 / 24/1869
-
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. –
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1869
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J. Schimmel),
en
de burgemeester van Zeewolde, verweerder
(gemachtigden: J.A. Zandvoort en A. Siebenga).
Inleiding
1. Eiser huurt een loods gelegen aan de [adres] in [plaats] . De loods is met spoed voor de duur van zes maanden gesloten op 21 juli 2023. Op 16 november 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank uitspraak gedaan over de voorlopige voorziening die eiser had gevraagd in afwachting van de beslissing op bezwaar. Dit verzoek is afgewezen.
Met het besluit van 17 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester op de bezwaren van eiser beslist. De burgemeester is bij de sluiting gebleven, maar heeft wel de duur daarvan herzien in de zin dat de loods eerder, namelijk op 18 januari 2024, zou worden geopend.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 20 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Achterwege laten zienswijze
2. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester de loods onmiddellijk mocht sluiten, zonder eiser in de gelegenheid te stellen om een zienswijze in te dienen. De burgemeester heeft op 20 juli 2023 een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen. Uit die rapportage blijkt dat er een grote hoeveelheid cocaïne naar de loods is vervoerd en daar en in de vrachtwagen is aangetroffen, de eigenaar van de loods met een vuurwapen is bedreigd en dit tot onrust en onveiligheid bij de bewoners van het perceel leidt. De burgemeester heeft daarin terecht een spoedeisende situatie gezien.
Bevoegdheid tot sluiting
3. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester bevoegd was de loods te sluiten. Er is 43 kilo cocaïne in de loods zelf en 192 kilo cocaïne in de vrachtwagen die wegreed bij de loods aangetroffen. Gelet op die hoeveelheden harddrugs, mocht de burgemeester in beginsel aannemen dat die drugs bestemd zijn voor handel. Eiser heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat er geen verkoop vanuit of loop naar de loods is geconstateerd, betekent niet dat er niet kan worden gesproken van drugs bestemd voor handel. Het gaat hier om een enorme hoeveelheid harddrugs die de gebruikershoeveelheid vele malen overschrijdt. Bovendien blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat de eigenaar van de loods de personen heeft gestoord op het moment dat zij de pakketten cocaïne aan het uitladen waren. Daarnaast is voor de vraag of de bevoegdheid tot sluiting bestaat niet relevant of eiser al dan niet een verwijt te maken valt. Dat is iets dat enkel een rol kan spelen in het kader van de vraag of de burgemeester ook van de bevoegdheid tot sluiting gebruik mocht maken.
Evenredigheid van de sluiting
4. De rechtbank oordeelt dat de sluiting op zichzelf evenredig is, maar niet voor de duur van zes maanden. De rechtbank licht dat hieronder toe.
In de eerste plaats heeft de burgemeester, gelet op de ernst en omvang van de overtreding, de sluiting noodzakelijk mogen vinden ter bescherming van het woon- en leefklimaat en voor het herstel van de openbare orde. De burgemeester hoefde niet te volstaan met een minder vergaande maatregel. In dit geval is er 235 kilo cocaïne met een straatwaarde van ongeveer € 12 miljoen euro aangetroffen. Dit levert op zichzelf al een belang bij sluiting op, omdat dit een aanwijzing is dat de aangetroffen drugs bestemd waren voor handel en aangenomen mag worden dat de loods een rol vervulde binnen de keten van (georganiseerde) drugshandel. Ook mocht de burgemeester aannemen dat mensen uit het netwerk wetenschap hadden van de locatie waar de harddrugs gestald werd en tot actie hadden kunnen overgaan waarbij de loods het doelwit was. Er is bovendien sprake van een ernstige situatie, niet alleen vanwege de hoeveelheid harddrugs, maar ook vanwege de omstandigheden waaronder dit is aangetroffen. De eigenaar van de loods is immers bedreigd met een vuurwapen nadat hij zwijggeld had afgewezen toen hij zag dat mannen zwarte pakketten vanuit een vrachtwagen op een pallet bij de loods stapelden. Dat de eigenaar van de loods op een later moment (in oktober 2023) heeft verklaard dat hij geen onveilig gevoel heeft zegt niets over het moment van de sluiting in juli en maakt dus ook niet dat de loods niet had mogen worden gesloten (onder meer) ter bescherming van het woon- en leefklimaat. Uit de bestuurlijke rapportage van 20 juli 2023 volgt dat er onrust en onveilige gevoelens bij de bewoners van de [adres] bestonden. Op basis van dit alles samen heeft de burgemeester terecht een sluiting van de loods noodzakelijk mogen vinden. Wat de overburen al dan niet en op welk moment hebben verklaard, doet aan die conclusie niet af.
De rechtbank oordeelt daarnaast dat de sluiting – gezien de situatie – in dit geval een geschikt middel is om de openbare orde te herstellen en het leef- en woonklimaat te beschermen.
In het kader van de vraag of de sluiting evenwichtig is, wijst de rechtbank er eerst op dat eiser een verwijt kan worden gemaakt. De strafzaak tegen eiser is weliswaar geseponeerd vanwege onvoldoende bewijs, maar dat neemt niet weg dat eiser als huurder van de loods een verantwoordelijkheid heeft voor wat er in de loods gebeurt en toezicht moet houden. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser toezicht heeft gehouden, maar de vraag die partijen verdeeld houdt is of het toezicht toereikend was. De rechtbank vindt dat dit niet zo was. De burgemeester heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser door het beschikbaar stellen van de loods een gelegenheid heeft gegeven dat de loods voor oneigenlijke doelen werd gebruikt. Niet is gebleken dat eiser op dat moment voldoende toezicht hield. Eiser was niet aanwezig en het is de rechtbank onvoldoende concreet gebleken dat de eigenaar van de loods voor hem op dat moment het toezicht hield. De enkele stelling van eiser op de zitting – die door de burgemeester is betwist – is daarvoor onvoldoende. Kortom: eiser had zelf een verantwoordelijkheid om toe te zien op wat er in de loods gebeurde. Eiser heeft dit onvoldoende gedaan en dat valt hem te verwijten.
De rechtbank ziet verder dat de gevolgen voor eiser groot zijn geweest. Door de sluiting van de loods is het voor eiser ontzettend moeilijk geweest om zijn bedrijf in marktkramenverhuur voort te zetten. Deze nadelige gevolgen van de sluiting wegen echter niet op tegen de belangen die met de sluiting op 21 juli 2023 waren gediend. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser twee keer, weliswaar heel kort, de mogelijkheid heeft gekregen om de benodigde materialen en spullen uit de loods op te halen. De rechtbank heeft gehoord wat eiser op de zitting heeft gezegd over de onprettige manier waarop dit is verlopen. De rechtbank vindt het vervelend om te horen dat eiser dit zo ervaren heeft, maar dat maakt de gevolgen van de sluiting niet direct onevenredig.
Wel vindt de rechtbank dat er na 22 december 2023 onvoldoende reden was om de sluiting te laten voortduren. Op 22 december 2023 heeft de burgemeester een aanvullende bestuurlijke rapportage ontvangen van de politie waarin staat dat de strafzaak tegen eiser is geseponeerd, de politie geen weet heeft van actuele bekendheid van de loods in het criminele circuit en er sinds de sluiting geen meldingen of situaties bekend zijn op de [adres] . Dit is voor de burgemeester ook aanleiding geweest om de loods eerder, namelijk per 18 januari 2024 (te weten: drie dagen voor afloop van de zes maanden), open te stellen. De rechtbank ziet echter niet in waarom de burgemeester hiertoe pas op 18 januari 2024 heeft besloten en niet direct na ontvangst van de informatie op 22 december 2023. De belangen van eiser bij een opheffing van de sluiting waren groot, ook na de kerstperiode. De burgemeester had op dat moment dan ook actie moeten ondernemen om de sluiting van de loods op te heffen. De rechtbank vindt echter niet dat opheffing van de sluiting eerder had hoeven plaatsvinden, omdat de rechtbank begrijpt dat de burgemeester eerst van de politie wilde horen hoe de situatie was voor het maken van een goede belangenafweging en wat het zou betekenen als de loods eerder zou worden geopend. Dat betekent dat de rechtbank de sluiting op zichzelf wel evenwichtig vindt, maar niet voor de duur van zes maanden. Gelet op de aanvullende bestuurlijke rapportage en de actuele situatie die daaruit bleek, was er vanaf 22 december 2023 onvoldoende reden om de sluiting te laten voortduren. Op of nabij die datum had de burgemeester dan ook de sluiting moeten opheffen.
Conclusie en gevolgen
5. De rechtbank komt tot de conclusie dat de burgemeester bevoegd was om de loods te sluiten en die sluiting noodzakelijk en geschikt heeft mogen vinden. De sluiting op zichzelf is daarnaast evenwichtig, maar niet voor de duur van zes maanden en enkel tot 22 december 2023. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit tot sluiting te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van het door hem betaalde griffierecht. De rechtbank zal de burgemeester ook veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Voor een vergoeding van de proceskosten gemaakt tijdens de bezwaarprocedure bestaat geen aanleiding. De rechtbank herroept het primaire besluit namelijk niet vanwege een onrechtmatigheid van dat besluit die te wijten is aan de burgemeester, maar vanwege veranderde omstandigheden nadien.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 17 januari 2024;
herroept het primaire besluit van 21 juli 2023;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
bepaalt dat de burgmeester het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van
mr.A.L.K. Dagmar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- ECLI:NL:RBMNE:2023:6109.
- Als bedoeld in artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- Volgens artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...