ECLI:NL:RBNHO:2025:11650 Rechtbank Noord-Holland , 05-06-2025 / 15/341881-23, 15/177642-24 (ttz. gev.), 15/170524-24 (ttz. gev.), 15/060725-23 (tul) (P)
Jeugdstrafrecht. Vrijspraak voor (1) witwassen, (2) poging tot afpersing en (3) partiële vrijspraak voor het dreigen met een mes. Veroordeling wegens (1) poging tot afpersing, (2) handelen in strijd met de WWM, (3) handelen in strijd met de Opiumwet, (4) afpersing en (5) diefstal met geweld in vereniging. Meerdere bewijsoverwegingen, waaronder met betrekking tot wetenschap in de zin van de WWM ...
33 min de lecture · 7 137 mots
Inhoudsindicatie. Jeugdstrafrecht. Vrijspraak voor (1) witwassen, (2) poging tot afpersing en (3) partiële vrijspraak voor het dreigen met een mes. Veroordeling wegens (1) poging tot afpersing, (2) handelen in strijd met de WWM, (3) handelen in strijd met de Opiumwet, (4) afpersing en (5) diefstal met geweld in vereniging. Meerdere bewijsoverwegingen, waaronder met betrekking tot wetenschap in de zin van de WWM en wederrechtelijke toe-eigening. Verder overweegt de rechtbank dat aangevers op hoofdlijnen consistent en gelijkluidend hebben verklaard en dat hun verklaringen elkaar onderling versterken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die verklaringen. Veroordeeld tot een jeugddetentie gelijk aan voorarrest en een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden en dadelijke uitvoerbaarheid. Vermogensmaatregel van onttrekking aan het verkeer (art. 36c en art. 36d Sr). Wat betreft de vordering tot tenuitvoerlegging wordt de proeftijd met één jaar verlengd.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/341881-23, 15/177642-24 (ttz. gev.), 15/170524-24 (ttz. gev.), 15/060725-23 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 5 juni 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 22 mei 2025 in de zaak tegen:
[de verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] , en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. van Wijk, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.
Op de zitting is verder het woord gevoerd door [vertegenwoordiger van de raad] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] van de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSJ) en door [IFA-coach] , IFA-coach bij El Caminar.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van parketnummer 15/170524-24
hij op of omstreeks 3 oktober 2023, te Hoorn, althans in Nederland, een geldbedrag (200 euro), althans een of meer voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
Ten aanzien van parketnummer 15/341881-23
feit 1:
hij op of omstreeks 18 december 2023 te Hoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of mobiele telefoons en/of vapes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of een derde toebehoorde(n)
– het stuur van de fiets van die [benadeelde partij 1] vast heeft gepakt, en/of
– voorzien van een door bivakmuts bedekt gezicht een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, uit zijn zak heeft gepakt en deze heeft gericht op die [benadeelde partij 1] , en/of
– de telefoon uit de zak van die [benadeelde partij 1] heeft gepakt en die [benadeelde partij 1] onder dwang heeft bewogen tot het openen van zijn telefoon en een genoemd nummer heeft laten bellen, en/of
– de woorden toe heeft gevoegd: "moet ik je shooten" en/of "moet ik je steken", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of
– het stuur van de fiets van die [benadeelde partij 2] vast heeft gepakt en met zijn andere hand een gebalde vuist heeft getoond, en/of
– in de zakken van [benadeelde partij 2] heeft gevoeld, en/of
– [benadeelde partij 2] onder dwang heeft bewogen tot het openen van zijn bankrekening op zijn mobiele telefoon,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
hij op of omstreeks 22 december 2023 te Hoorn, drie patroonhouders, en/of 40 stuks munitie van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, soort volmantel centraalvuur (9 x 19 mm en/of 357 magnum), voorhanden heeft gehad;
feit 3:
hij op of omstreeks 22 december 2023 te Hoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 93,75 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Ten aanzien van parketnummer 15/177642-24
feit 1:
hij op of omstreeks 27 mei 2024 te Hoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een onbekende benadeelde heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die onbekende benadeelde en/of een derde toebehoorde(n) door die benadeelde te laten stoppen en/of te zeggen "Geef me geld en/of "Geef me die telefoon maar" en/of "Ik steek je neer" eb/of "ik schiet je neer" en/of daarbij dreigend een mes te hebben getoond;
feit 2:
hij op of omstreeks 28 mei 2024 te Hoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een onbekend gebleven benadeelde, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen de benadeelde, gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door een of meerdere malen onverhoeds en/of dreigend aan benadeelde te vragen om naar de Icloud van zijn telefoon te gaan;
feit 3:
hij op of omstreeks 11 april 2024 te Hoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bromfiets ( [bromfiets] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde partij 3] meerdere malen dwingend te vragen of hij/zij een rondje mocht rijden en/of die [benadeelde partij 3] aan zijn arm en/of zijn schouder van zijn scooter af te trekken en/of te zeggen: "Als je je scooter terug wilt, moet je een klusje doen" en/of die [benadeelde partij 3] te vragen of hij zijn bankapp wil laten zien.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder parketnummer 15/170524-24 ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 15/177642-24 onder 2 ten laste gelegde feit.
In de zaak met parketnummer 15/341881-23 en ten aanzien van de onder parketnummer 15/177642-24 onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van parketnummer 15/170524-24
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, nu niet kan worden vastgesteld dat het geld aan de verdachte is overhandigd en dat, als de rechtbank hier anders over denkt, de verdachte in ieder geval niet wist dat dit geld van misdrijf afkomstig was.
Ten aanzien van parketnummer 15/341881-23
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, met uitzondering van de bedreiging met een vuurwapen, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte een vuurwapen bij zich heeft gehad. Dit wordt namelijk alleen door aangever [benadeelde partij 1] verklaard. De verdachte moet daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Daarnaast stelt de raadsman dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de tas met inhoud die zich achter de spiegel in de zolderkamer bevond. De verdachte sliep pas twee maanden in die kamer, die eveneens als rommelhok werd gebruikt.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen.
Ten aanzien van parketnummer 15/177642-24
De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte een mes heeft getoond en verzoekt de rechtbank de verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij te spreken.
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit, nu geen sprake is van een begin van uitvoering van afpersing.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van diefstal, nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het oogmerk heeft gehad zich de scooter wederrechtelijk toe te eigenen. Het zou goed kunnen dat de verdachte alleen een rondje op de scooter wilde rijden.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraken
Ten aanzien van parketnummer 15/170524-24
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een geldbedrag, nu op basis van het dossier noch van wat op de zitting is besproken, niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het van diefstal en/of afpersing afkomstige geld daadwerkelijk heeft ontvangen. De enkele verklaring van getuige [getuige] acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De verdachte zal daarom van het ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.
Ten aanzien van parketnummer 15/177642-24
feit 1 (partiële vrijspraak)
De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte dreigend een mes heeft getoond. Op dit punt bevindt zich in het dossier alleen de verklaring van de aangever over een handvat van een mes dat uit de broeksband van de verdachte zou steken, maar waarvan hij niet heeft kunnen zien wat voor mes het was. De rechtbank acht dit in het licht van het ontbreken van enige ondersteuning op dit punt in de overige inhoud van het dossier onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het dreigen met een mes te kunnen komen. De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
feit 2:
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing, nu het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om bewezen te verklaren dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van een begin van uitvoering van afpersing. De verdachte zal daarom van het ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder parketnummer 15/341881-23 ten laste gelegde feiten en de onder parketnummer 15/177642-24 onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotiveringen
Ten aanzien van parketnummer 15/341881-23, feit 1
De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte een vuurwapen bij zich heeft gehad, nu dit alleen door aangever [benadeelde partij 1] wordt verklaard en aangever [benadeelde partij 2] hierover niks zegt, terwijl hij dit, aldus de raadsman, dan ook zou moeten hebben gezien.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank constateert dat aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] op hoofdlijnen consistent en gelijkluidend hebben verklaard en dat hun verklaringen elkaar onderling versterken. In zijn aangifte heeft [benadeelde partij 1] verklaard dat de verdachte een vuurwapen uit zijn zak haalde en dit vervolgens op hem richtte. Dat [benadeelde partij 2] niets over een vuurwapen heeft verklaard, maakt de verklaring van [benadeelde partij 1] op dit punt niet onjuist. De rechtbank ziet, anders dan de raadsman, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [benadeelde partij 1] . De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van deze verklaring en acht dus bewezen dat de verdachte een vuurwapen aanwezig heeft gehad en dit op [benadeelde partij 1] heeft gericht.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat het wettelijk bewijsminimum alleen geldt voor de tenlastelegging in zijn geheel en dus niet is vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging steeds door twee bewijsmiddelen wordt gedekt.
Ten aanzien van parketnummer 15/341881-23, feit 2
De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de tas met inhoud die zich achter de spiegel in de zolderkamer bevond. De verdachte sliep pas twee maanden in die kamer, die eveneens als rommelhok werd gebruikt.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM) is allereerst vereist dat sprake is van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen en/of die munitie. Voor het bewijs van een dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat 3 patroonhouders en 40 stuks munitie zijn gevonden in de woning waar de verdachte verblijft, meer in het bijzonder in zijn slaapkamer, in een tas achter een spiegel aan een schuine dakwand. Nu het de slaapkamer van de verdachte betreft, acht de rechtbank hem in beginsel verantwoordelijk voor de spullen die zich daar bevinden. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien door de verdachte een redelijke verifieerbare verklaring over de aangetroffen spullen wordt afgelegd. Hiervan is in dit geval geen sprake. Op de zitting heeft de verdachte geen vragen willen beantwoorden. Bij de politie en de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat de patroonhouders en munitie niet van hem zijn, dat hij pas sinds twee maanden op zolder slaapt en dat zijn moeder en broer ook op zolder komen. Zijn moeder om kleren op te hangen en op te ruimen. De aangetroffen patroonhouders en munitie zijn zeker niet van haar. Zijn broer om handdoeken te pakken. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaringen van de verdachte van onvoldoende gewicht zijn om te kunnen gelden als een ontzenuwende verklaring. De rechtbank weegt bij haar overtuiging tevens mee dat de verdachte, gezien de bewezenverklaring van feit 1, eerder in het bezit is geweest van een vuurwapen en er op de telefoon van de verdachte ook een foto van een vuurwapen is aangetroffen.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de patroonhouders en de munitie in zijn slaapkamer en acht de rechtbank aldus bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de WWM.
Ten aanzien van parketnummer 15/177642-24
Feit 3:
De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is van diefstal, nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het oogmerk heeft gehad zich de scooter wederrechtelijk toe te eigenen. Het zou goed kunnen dat de verdachte alleen een rondje op de scooter wilde rijden.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat sprake is van de navolgende feiten en omstandigheden. Op 11 april 2024 is de aangever aan het sleutelen aan zijn scooter als de verdachte komt aanlopen. De verdachte vraagt of hij een rondje op de scooter mag rijden. Aangever wil dit liever niet en zegt dat de verdachte wel bij hem achterop mag. Op een gegeven moment zegt de verdachte op een intimiderende toon dat hij wil rijden. Aangever laat, uit angst, de verdachte rijden en gaat zelf achterop zitten. Vervolgens komen zij aan bij een groep jongens, waaronder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die eveneens op intimiderende toon vragen of zij op de scooter van aangever mogen rijden. De jongens komen hierbij dicht om aangever heen staan en verheffen hun stemmen. Onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] trekken aangever van zijn scooter af, waarop de verdachte de scooter pakt en [medeverdachte 2] achterop gaat zitten waarna zij wegrijden op de scooter. [medeverdachte 1] zegt dan nog “als je je scooter terug wilt, moet je een klusje doen”. Ook vraagt [medeverdachte 1] of aangever zijn bankapp wil laten zien. De scooter wordt uiteindelijk op aanwijzingen van de verdachte bij de Kluut in Hoorn aangetroffen, terwijl deze flink beschadigd is.
Gelet op het vorenstaande in onderling verband en in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wel degelijk het oogmerk heeft gehad om zich de scooter wederrechtelijk toe te eigenen. De verdachte heeft de scooter van de aangever gepakt, nadat de aangever van zijn scooter is getrokken door twee medeverdachten. Op het moment dat de verdachte met een medeverdachte op de scooter wegrijdt, zegt een andere medeverdachte dat aangever zijn scooter pas terugkrijgt als hij een klusje doet. De verdachte heeft aldus samen met de medeverdachten gedurende enige tijd als heer en meester over de scooter kunnen beschikken.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan diefstal met bedreiging met geweld van een scooter.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 15/341881-23 ten laste gelegde feiten en de onder parketnummer 15/177642-24 onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Ten aanzien van parketnummer 15/341881-23
feit 1:
hij op 18 december 2023 te Hoorn tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld
[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te dwingen tot de afgifte van geld en vapes die aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] toebehoorden,
– het stuur van de fiets van die [benadeelde partij 1] vast heeft gepakt, en
– voorzien van een door bivakmuts bedekt gezicht een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit zijn zak heeft gepakt en dit heeft gericht op die [benadeelde partij 1] , en
– de telefoon uit de zak van die [benadeelde partij 1] heeft gepakt en die [benadeelde partij 1] onder dwang heeft bewogen tot het openen van zijn telefoon en een genoemd nummer heeft laten bellen, en
– de woorden toe heeft gevoegd: "moet ik je shooten" en "moet ik je steken", en
– het stuur van de fiets van die [benadeelde partij 2] vast heeft gepakt en met zijn andere hand een gebalde vuist heeft getoond, en
– in de zakken van [benadeelde partij 2] heeft gevoeld, en
– [benadeelde partij 2] onder dwang heeft bewogen tot het openen van zijn bankrekening op zijn mobiele telefoon,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
hij op 22 december 2023 te Hoorn drie patroonhouders en 40 stuks munitie van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, soort volmantel centraalvuur 9 x 19 mm en 357 magnum, voorhanden heeft gehad;
feit 3:
hij op 22 december 2023 te Hoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad 93,75 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj);
Ten aanzien van parketnummer 15/177642-24
feit 1:
hij op 27 mei 2024 te Hoorn tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een onbekende benadeelde heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon die aan die onbekende benadeelde toebehoorde door die benadeelde te laten stoppen en te zeggen "Geef me geld" en "Geef me die telefoon maar" en "Ik steek je neer" en "ik schiet je neer";
feit 3:
hij op 11 april 2024 te Hoorn tezamen en in vereniging met anderen een bromfiets ( [bromfiets] ) die aan [benadeelde partij 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door die [benadeelde partij 3] meerdere malen dwingend te vragen of hij een rondje mocht rijden en die [benadeelde partij 3] aan zijn arm en zijn schouder van zijn scooter af te trekken en te zeggen: "Als je je scooter terug wilt, moet je een klusje doen" en die [benadeelde partij 3] te vragen of hij zijn bankapp wil laten zien.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 15/341881-23
Feit 1:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
en,
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Ten aanzien van parketnummer 15/177642-24
Feit 1:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Feit 3:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 105 dagen jeugddetentie, waarvan 56 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De officier heeft verzocht aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de Raad in zijn rapport van 13 mei 2025. Daarnaast heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.
De officier van justitie heeft verder gevraagd de inbeslaggenomen goederen zoals vermeld op de beslaglijst te onttrekken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bij het bepalen van de straf verzocht aansluiting te zoeken bij het advies van de Raad van 13 mei 2025. De raadsman kan zich vinden in de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
De ernst van de feiten
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse ernstige strafbare feiten waaronder op 18 december 2023 het samen met anderen plegen van een poging tot afpersing van vapes en geld waarbij onder meer een vuurwapen is getoond en tegen de aangevers is gezegd: “moet ik je shooten” en “moet ik je steken”.
Bij het onderzoek naar dit strafbare feit zijn in de slaapkamer van de verdachte patroonhouders, munitie en hasjiesj aangetroffen. De verdachte heeft zich daarmee ook schuldig gemaakt aan overtreding van de WWM en de Opiumwet (OW).
Daarnaast heeft de verdachte zich op 11 april 2024 samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal met bedreiging van geweld van een scooter.
Tot slot heeft de verdachte op 27 mei 2024 samen met een ander iemand door middel van bedreiging met het neersteken en neerschieten van die persoon gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon.
Bovenstaande feiten zijn ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft met zijn mededader(s) zeer bedreigende en beangstigende situaties gecreëerd voor de aangevers. Het handelen van de verdachte laat een grote mate van brutaliteit en agressiviteit zien. Dergelijke intimiderende feiten leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder bij de aangevers, maar ook bij de samenleving in het algemeen. De verdachte heeft met zijn handelen ook laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander.
Dat er ook patroonhouders en munitie op de slaapkamer van de verdachte zijn aangetroffen, acht de rechtbank extra zorgelijk. Het ongecontroleerde bezit van munitie en wapens, of wezenlijke onderdelen daarvan, vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en heeft een enorme maatschappelijke impact. Dit, omdat het voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan.
De rechtbank rekent de verdachte bovenstaande aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank ten nadele van de verdachte gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 april 2025, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van een soortgelijk delict (te weten afpersing) is veroordeeld.
In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank meegewogen wat in de verschillende over hem opgemaakte rapportages naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft in dit verband in het bijzonder acht geslagen op het Pro Justitia psychologisch rapport van 19 februari 2025, opgesteld door [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, met betrekking tot parketnummer 15/177642-24. Dit rapport houdt onder meer in dat bij de verdachte sprake is van een matig verstandelijke beperking en een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressor gerelateerde stoornis. Daarnaast is het antisociaal gedrag van de verdachte een reden tot zorg. Dit was ten tijde van het ten laste gelegde ook zo. De mate waarin de vastgestelde stoornissen doorwerken in het huidige ten laste gelegde, indien bewezen, is moeilijk vast te stellen doordat er een zeer beperkt delictscenario beschikbaar is. De verdachte heeft veelal zijn begeleiders het woord laten voeren ten tijde van de delictbespreking en heeft geen, danwel onvoldoende, inzicht willen geven in zijn gedachten, gevoelens en gedragingen ten tijde van de tenlasteleggingen. Dit maakt dat de psycholoog geen uitspraken doet over de mate van toerekenen.
Het risico op toekomstig gewelddadig (delict)gedrag, zonder interventie, wordt door de psycholoog als matig tot hoog ingeschat. Hij geeft aan dat de verdachte gezien zijn beperkte verstandelijke vermogens veel is aangewezen op de structuur en ondersteuning die anderen hem bieden. Wanneer hulpverlening goed op hem is afgestemd, hem voldoende structuur en overzicht geboden wordt en hij niet overvraagd wordt is hij in staat om adequaat te functioneren en zal hij niet snel recidiveren. Wanneer structuur wegvalt, de verdachte meer vrijheden krijgt, of op enige wijze alsnog wordt overvraagd zal hij, zeker wanneer hij in aanraking komt met antisociale leeftijdsgenoten gemakkelijk geneigd zijn om zich hierdoor te laten beïnvloeden en opnieuw crimineel gedrag vertonen. De verdachte is gevoelig voor zowel positieve als negatieve beïnvloeding. Hij overziet alledaagse en complexe situaties onvoldoende vanuit zichzelf en is hierin afhankelijk van anderen. Het is dus zaak om ervoor te zorgen dat er voldoende prosociaal toezicht en ondersteuning geboden blijft worden.
Interventies en behandeling zullen zich eerst moeten richten op het adequaat ondersteunen van het gezinssysteem en het ondersteunen van de verdachte in het invullen en volhouden van een dag- en vrijetijdsbesteding. Pas wanneer dit goed loopt kan er mogelijk onderzocht worden in hoeverre een individuele behandeling, rekening houdend met de verstandelijke beperking van hem, haalbaar is.
Bovenstaande zou als bijzondere voorwaarde opgenomen kunnen worden in een (deels) voorwaardelijk strafdeel met een proeftijd.
De rechtbank maakt de conclusies van de psycholoog tot de hare.
Voorts heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 13 mei 2025. Dit rapport houdt onder meer in dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. De Raad acht het positief dat de verdachte ruim een jaar niet in aanraking is geweest met politie. Er is vanuit verschillende hulpverleningsinstanties ingezet op moeder, waardoor zij haar rol als moeder kan vervullen binnen haar mogelijkheden. Het heeft de verdachte geholpen dat er strakke kaders waren vanwege zijn schorsing. De hulp lijkt momenteel goed op hem en zijn moeder afgestemd te zijn. Dit maakt dat er gewerkt kan worden aan het bieden van een toekomstperspectief voor de verdachte. Gekeken naar de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, is de Raad van mening dat hier een strafrechtelijke consequentie aan verbonden moet worden.
Wat betreft een werkstraf vraagt de Raad zich af in hoeverre dit voor de verdachte haalbaar is. Op dit moment heeft hij geen dagbesteding, dus zou hij met de juiste begeleiding op zichzelf wel een werkstraf met kunnen uitvoeren. De hulpverlening is echter druk bezig met het vinden van een passende dagbesteding en op het moment dat hij weer een dagbesteding heeft en hij een werkstraf moet uitvoeren, zal hij mogelijk overvraagd worden en is de kans op een negatieve terugmelding van zijn werkstraf groot. De Raad adviseert daarom een voorwaardelijke jeugddetentie. Omdat de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft gezeten, is de Raad van mening dat hij zijn strafrechtelijke consequentie al heeft gehad. De voorwaardelijke jeugddetentie zal als een forse 'stok achter de deur' dienen. Hierbij wordt een viertal bijzondere voorwaarden geadviseerd:
– meewerken aan het vinden van een passende dagbesteding;
– meewerken aan continuering van de al ingezette hulpverlening van de IFA-coach van El Caminar;
– contactverbod met medeverdachte [medeverdachte 3] ;
– meldplicht bij de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam.
Op de zitting van 22 mei 2025 heeft [vertegenwoordiger van de raad] het advies van de Raad gehandhaafd en aangegeven dat de bijzondere voorwaarde van het contactverbod moet worden aangepast naar “zolang de jeugdreclassering dat in overleg met het Openbaar Ministerie noodzakelijk acht”. Verder acht de Raad de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden passend.
Eveneens heeft op de zitting van 22 mei 2025 [vertegenwoordiger van de GI] vanuit de WSJ het woord gevoerd. Zij heeft aangevuld dat de verdachte het de afgelopen periode goed heeft gedaan bij de zorgsportschool, maar dat dit helaas – niet verwijtbaar aan de verdachte – is gestopt. Het is belangrijk dat de hulpverlening blijft zoals die nu is. Begeleiding door de jeugdreclassering is noodzakelijk om de verdachte op het rechte pad te houden. [vertegenwoordiger van de GI] van de WSJ heeft zich achter deze adviezen geschaard.
Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank ten aanzien van de feiten onder parketnummer 15/341881-23 verder rekening met het tijdsverloop tussen het begaan van de feiten en de berechting. Er is bij deze feiten sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Positief is dat de verdachte zich na de schorsing op 28 juni 2024 niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Ook heeft hij zich aldus al geruime tijd goed gehouden aan ingrijpende schorsingsvoorwaarden waaronder een avondklok.
De sindsdien ingezette hulpverlening verloopt goed en de verdachte heeft op de zitting zelf ook aangegeven dat hij vindt dat hij hier baat bij heeft.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze heeft begaan, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is.
Gelet op wat hiervoor uiteengezet is over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank het echter niet in zijn belang om hem een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die langer is dan de periode die hij al in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De rechtbank ziet aanleiding om een groot deel van de jeugddetentie voorwaardelijk aan de verdachte op te leggen. Dit mede om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 105 dagen, waarvan 56 dagen voorwaardelijk op zijn plaats is, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Daarnaast acht de rechtbank de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Dergelijke voorwaarden zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De rechtbank bepaalt dat toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden door de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam wordt uitgevoerd.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen en een gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten (kort gezegd) afpersingen en diefstal met geweld.
Gelet op de hiervoor geschetste persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het recidiverisico dat, zonder de voorgestelde bijzondere voorwaarden, door de Pro Justitia rapporteur en de Raad als hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de straf die de rechtbank aan de verdachte zal opleggen, zal de rechtbank de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis opheffen.
7Vermogensmaatregel
Onttrekking aan het verkeer
Artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht (Sr)
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten
3 STK Patroonhouder ( [nummer] )
40 STK Munitie ( [nummer] )
1 STK Hashish ( [nummer] ),
dienen te worden onttrokken aan het verkeer.
Uit het onderzoek op de zitting is gebleken dat de onder parketnummer 15/341881-23 onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.
Artikel 36d Sr
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten 1 STK Poeder ( [nummer] ), dient te worden onttrokken aan het verkeer. Dit voorwerp behoort de verdachte toe en is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten. Dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke (OW gerelateerde) feiten en het ongecontroleerde bezit van voormeld in beslag genomen voorwerp is in strijd met de wet of het algemeen belang.
8Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 20 juni 2023 in de zaak met parketnummer 15/060725-23 heeft de kinderrechter te Noord-Holland, locatie Alkmaar, de verdachte ter zake van (kort gezegd) openlijke geweldpleging tegen personen en goederen veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 20 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 19 juli 2023 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 5 juli 2023 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank de bij deze voorwaardelijke straf opgelegde proeftijd zal verlengen met één jaar. De officier van justitie heeft zich hiervoor gebaseerd op de adviezen van de hulpverlening die de uitvoering van een werkstraf problematisch achten voor de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging deels toe te wijzen, te weten tot de duur van 6 uren, zodat de verdachte zich realiseert dat er consequenties zijn verbonden aan het niet nakomen van voorwaarden bij een voorwaardelijke straf.
De Raad en de jeugdreclassering
De Raad heeft ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging de rechtbank geadviseerd om de proeftijd in deze zaak te verlengen. Op zichzelf heeft de verdachte op dit moment wel tijd om een werkstraf te verrichten, maar het is maar zeer de vraag of het voor hem ook haalbaar is. De Raad verwijst in dit verband naar wat hierover in het rapport is opgemerkt.
De jeugdreclassering sluit zich hierbij aan en adviseert eveneens tot tenuitvoerlegging tot een verlenging van de proeftijd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de proeftijd dient te worden verlengd met één jaar, aangezien het uitvoeren van een werkstraf op dit moment – gelet op de adviezen van de Raad en de WSJ op de zitting – het risico met zich meebrengt dat de verdachte wordt overvraagd en niet in het belang van de verdachte is.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36b, 36c, 36d, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312 en 317 Sr.
3 en 11 van de OW.
26 en 55 van de WWM.
10Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 15/170524-24 en onder parketnummer 15/177642-24 onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 15/341881-23 ten laste gelegde feiten en de onder parketnummer 15/177642-24 onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 3.3.4. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 105 (honderdvijf) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 56 (zesenvijftig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.
Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
– meewerkt aan het (jeugd)reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en zich meldt bij de (jeugd)reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de (jeugd)reclasseringsinstelling dit in overleg met de officier van justitie, noodzakelijk acht;
meewerkt aan het vinden van een passende dagbesteding;
meewerkt aan continuering van de al ingezette hulpverlening van de IFA-coach van El Caminar;
– op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met medeverdachte [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit in overleg met het Openbaar Ministerie noodzakelijk acht, waarbij de politie toezicht houdt op de naleving van dit contactverbod.
Geeft opdracht aan de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 49 (negenenveertig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beslissing over het beslag
Onttrekt aan het verkeer:
3 STK Patroonhouder ( [nummer] );
40 STK Munitie ( [nummer] );
1 STK Hashish ( [nummer] );
1 STK Poeder (PL1100-2023270001-G1557904).
Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging
Verlengt de bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, in de zaak met parketnummer 15/060725-23 opgelegde proeftijd, verbonden aan de niet ten uitvoer gelegde werkstraf voor de duur van 20 uren, met één jaar.
Beslissing over de voorlopige hechtenis
Heft op de reeds geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde in de zaken met parketnummers 15/341881-23 en 15/177642-24.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. Lintjer, voorzitter en tevens kinderrechter,
mrs. N. Cuvelier en T. Fuchs, (kinder)rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. L.A. Spoelstra en M.C. Kramer,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2025.
mr. T. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...