ECLI:NL:RBNNE:2025:5008 Rechtbank Noord-Nederland , 08-12-2025 / LEE 25/4777
De staatssecretaris heeft de NAM heffingsbesluiten opgelegd van 1,3 miljard euro. Hiertegen komt de NAM op. Het verzoek is kennelijk ongegrond verklaard omdat de NAM geen spoedeisend belang heeft en er geen sprake is van evidente onrechtmatige besluiten.
Calcul en cours · 0
Inhoudsindicatie. De staatssecretaris heeft de NAM heffingsbesluiten opgelegd van 1,3 miljard euro. Hiertegen komt de NAM op. Het verzoek is kennelijk ongegrond verklaard omdat de NAM geen spoedeisend belang heeft en er geen sprake is van evidente onrechtmatige besluiten.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4777
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 in de zaak tussen
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., uit Assen, verzoekster
(gemachtigden: mr. M.L. de Vries Lentsch en mr. J.E. van Uden),
en
de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(gemachtigde: mr. M-L. Sluijter).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de besluiten van de staatssecretaris waarin haar is opgedragen vóór 31 december 2025 een bedrag van ruim 1,3 miljard euro over te maken. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Met de bestreden besluiten, alle gedateerd op 18 november 2025, heeft de staatssecretaris verzoekster tussentijdse heffingen opgelegd van in totaal circa 1,3 miljard euro. De staatssecretaris heeft verzoekster verzocht dit bedrag binnen zes weken na datum van de besluiten over te maken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 20 november 2025 heeft zij de staatssecretaris om uitstel van betaling verzocht. De staatssecretaris heeft dit verzoek op 25 november 2025 afgewezen. Daarop heeft verzoekster op 26 november 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht de heffingsbesluiten van 18 november 2025, en daarmee de betalingsverplichting, te schorsen tot zes weken nadat de staatssecretaris op het bezwaar heeft beslist, waarbij verzoekster voor deze periode geen wettelijke rente is verschuldigd.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen sprake is van een onomkeerbare situatie, zoals een dreigend faillissement of dat de continuïteit van de onderneming niet meer kan worden gewaarborgd, neemt de voorzieningenrechter aan dat een spoedeisend belang ontbreekt.
3. In haar e-mail van 28 november 2025 heeft verzoekster aangegeven dat er geen sprake is van een financiële noodsituatie dan wel dat de continuïteit van de onderneming in het geding is. Zij is van mening dat het verzoek om een voorlopige voorziening desalniettemin kan worden toegewezen door de voorzieningenrechter omdat naar haar mening sprake is van evident onrechtmatige besluiten.
4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Bij het ontbreken van een spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. In het geval van het onderhavige verzoek, waarbij het belang louter van financiële aard is, is daarvan sprake als alleen al op basis van een eerste lezing van de meest essentiële stukken het buiten elke twijfel is dat aan de bestreden besluiten ernstige gebreken kleven waarvan vaststaat dat die niet meer kunnen worden hersteld in de bezwaarfase. Op grond van de inhoud van de bestreden besluiten, het verzoekschrift en de reactie van de staatssecretaris op dat verzoekschrift is de voorzieningenrechter van oordeel dat daar vooralsnog geen sprake van is. Hij ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...