ECLI:NL:RBOBR:2024:6811 Rechtbank Oost-Brabant , 05-09-2024 / 10444863 CV EXPL 23-2074
Werkzaamheden uitgevoerd voor aanleg van en onderhoud aan gazon in opeenvolgende jaren. Factuur voor werkzaamheden niet betaald. Volgens gedaagde zijn de werkzaamheden inbegrepen bij de prijs die hij heeft betaald voor de aanleg van het gazon. Uitleg van afspraken. Toewijzing vordering tot nakoming van betalingsverplichting.
7 min de lecture · 1 403 mots
Inhoudsindicatie. Werkzaamheden uitgevoerd voor aanleg van en onderhoud aan gazon in opeenvolgende jaren. Factuur voor werkzaamheden niet betaald. Volgens gedaagde zijn de werkzaamheden inbegrepen bij de prijs die hij heeft betaald voor de aanleg van het gazon. Uitleg van afspraken. Toewijzing vordering tot nakoming van betalingsverplichting.
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 10444863 \ CV EXPL 23-2074
Vonnis van 5 september 2024
in de zaak van
[eiser] h.o.d.n. [bedrijfsnaam 1 eiser], t.h.o.d.n. [bedrijfsnaam 2 eiser]
gevestigd te [plaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser]
gemachtigde: Juristu Incassodiensten B.V. (R. van Dijk)
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 4 april 2023 met producties;
– de aantekeningen van het mondelinge antwoord van 13 april 2023;
– het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 juni 2024, waarbij [gedaagde] niet is verschenen.
[gedaagde] is op de juiste manier opgeroepen. Uit de administratie van de rechtbank blijkt ook dat [gedaagde] de e-mail met de oproep voor de mondelinge behandeling heeft ontvangen op het door hem opgegeven e-mailadres. Bij brief van 19 juni 2024 is [gedaagde] niettemin alsnog in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de antwoorden en de toelichting die [eiser] heeft gegeven tijdens de mondelinge behandeling op 18 juni 2024. [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid.
De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat uiterlijk op 5 september 2024 een vonnis zal worden uitgesproken.
2De beoordeling
Wat is de kern?
[eiser] heeft werkzaamheden uitgevoerd aan het gazon van [gedaagde] in de periode van 6 februari 2022 tot en met 14 oktober 2022. Op 24 oktober 2022 heeft [eiser] voor deze werkzaamheden een bedrag van € 290,40 in rekening gebracht bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit bedrag niet betaald. [eiser] vordert daarom veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 290,40, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij niet hoeft te betalen voor deze werkzaamheden aan het gazon. Volgens [gedaagde] zijn deze werkzaamheden inbegrepen bij de prijs die [gedaagde] heeft betaald voor de aanleg van het gazon in 2021. [gedaagde] voert aan dat is afgesproken dat [eiser] het gazon tijdens de eerste periode na de aanleg netjes zou houden tegen de oorspronkelijk overeengekomen prijs en dat de in 2022 verrichte werkzaamheden daaronder vallen, zodat hij de factuur van [eiser] niet hoeft te betalen.
[eiser] krijgt in deze procedure gelijk. De vorderingen van [eiser] worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De afspraak over de aanleg en de eerste bemesting van het gazon
Tussen partijen staat vast dat [eiser] , in oktober 2021, in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden heeft uitgevoerd voor het (nieuwe) gazon van [gedaagde] . Niet betwist is dat partijen daarbij hebben afgesproken dat [eiser] het gazon nog één keer zou bemesten binnen een maand na de aanleg en dat die bemesting bij de prijs van de werkzaamheden in oktober 2021 was inbegrepen.
De werkzaamheden aan het gazon in 2022 zijn niet inbegrepen bij de aanleg-prijs
[eiser] stelt dat hij in oktober 2021 mondeling met [gedaagde] heeft afgesproken dat hij in 2022 aanvullende werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van het door hem aangelegde gazon en dat hij die werkzaamheden aan het gazon apart zou factureren. In 2022 heeft [eiser] verschillende werkzaamheden aan het gazon uitgevoerd en daarvoor een bedrag van € 290,40 bij [gedaagde] in rekening gebracht.
Voor het beoordelen van de vorderingen van [eiser] is van belang wat partijen over en weer hebben verklaard, waar zij daaruit hebben afgeleid en wat zij daaruit, in de gegeven omstandigheden, redelijkerwijs mochten afleiden.
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat en waarom de uitleg die [gedaagde] aan de afspraken geeft, niet juist is. [eiser] heeft toegelicht dat bij de aanleg van het gazon in oktober 2021 is afgesproken dat [eiser] het gazon de eerste tijd netjes zou houden voor [gedaagde] . [eiser] heeft verder verklaard dat met die afspraak is bedoeld dat [eiser] zou zorgen voor de eerste bemesting een maand na het leggen/inzaaien van het gazon en dat alleen die bemesting bij de prijs van de aanleg van het gazon was inbegrepen. [eiser] heeft ook toegelicht dat hij met [gedaagde] heeft afgesproken daarna nog een aantal keer langs te komen om nieuwe werkzaamheden aan het gazon uit te voeren. Volgens [eiser] wist [gedaagde] dat deze latere werkzaamheden, die op vijf verschillende momenten in 2022 zijn verricht, niet bij de prijs van de aanleg van het gazon waren inbegrepen. Dat wist [gedaagde] omdat partijen over die werkzaamheden met elkaar hadden afgesproken dat [eiser] die werkzaamheden op rekening zou zetten en daarna bij [gedaagde] in rekening zou brengen. Het ging daarbij volgens [eiser] om het strooien van kalk en kunstmest op vijf verschillende momenten op een stuk grond van 114m2, waarbij de kosten in redelijke verhouding tot de omvang van het stuk land staan.
[gedaagde] heeft dit standpunt van [eiser] niet voldoende gemotiveerd betwist. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om nader toe te lichten waarom hij ervanuit mocht gaan dat “de eerste periode netjes houden” zou betekenen dat (ook) de werkzaamheden in 2022 zouden worden verricht door [eiser] zonder dat [gedaagde] daar een aparte factuur voor kreeg. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
[gedaagde] heeft ook niet betwist dat partijen afspraken hebben gemaakt over het uitvoeren van nieuwe werkzaamheden aan het gazon en het factureren daarvan. De kantonrechter gaat daarom uit van het bestaan van de afspraken zoals die zijn beschreven door [eiser] . De kantonrechter overweegt verder dat het, zonder enige toelichting, die ontbreekt aan de zijde van [gedaagde] , niet vanzelfsprekend is dat onderhoudskosten, zoals de kosten voor het strooien van kalk en kunstmest om het aangelegde gazon gezond te houden, bij de prijs van de aanleg van een gazon zouden zijn inbegrepen.
Een redelijke uitleg van de afspraak dat [eiser] het gazon de eerste periode netjes houdt, brengt in de gegeven omstandigheden met zich mee dat [eiser] moest zorgen voor de eerste bemesting een maand na het leggen/inzaaien van het gazon en dat alleen die bemesting bij de prijs van de aanleg van het gazon is inbegrepen. Dit betekent ook dat de (onderhouds)werkzaamheden in 2022 niet bij die prijs zijn inbegrepen.
Niet betwist is dat [eiser] de gefactureerde (onderhouds)werkzaamheden aan het gazon van [gedaagde] heeft uitgevoerd. Voor deze (onderhouds)werkzaamheden moet [gedaagde] dan ook betalen. Omdat [gedaagde] de bijbehorende factuur van € 290,40 onbetaald heeft gelaten, zal de kantonrechter de vorderingen van [eiser] toewijzen.
Wettelijke rente over de hoofdsom
De wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan hoofdsom zal worden toegewezen met ingang van het moment van intreden van het verzuim, te weten vanaf 7 november 2022.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom zal de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 43,56 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.
[gedaagde] verliest deze rechtszaak. Hij zal daarom worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op:
– kosten van de dagvaarding
€
107,84
– griffierecht
€
86,00
– salaris gemachtigde
€
82,00
(1,00 punten × € 82,00)
– nakosten
€
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
316,84
3De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 290,40 (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 7 november 2022 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 43,56 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 316,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.M. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2024.
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...