ECLI:NL:RBOVE:2022:2441 Rechtbank Overijssel , 11-07-2022 / 84.036880.21

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, het betalen van schadevergoedingen en stelt dat hij zich meldt bij de Reclassering. De verdachte is schuldig bevonden aan belastingfraude.

Source officielle

24 min de lecture 5 159 mots

Inhoudsindicatie. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, het betalen van schadevergoedingen en stelt dat hij zich meldt bij de Reclassering.

Inhoudsindicatie. De verdachte is schuldig bevonden aan belastingfraude.

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer : 84/036880-21 (P)

Datum vonnis : 11 juli 2022

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]
,

geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats].

1Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 juni 2022.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. T. Lucas en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.P.D. Visser, advocaat in Leiden, naar voren is gebracht.

2De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: van 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2020 opdracht tot, dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan, het opzettelijk niet (tijdig) doen van aangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]) over het 4e kwartaal 2017 tot en met het
4e kwartaal 2019;

feit 2: van 1 april 2017 tot en met 31 oktober 2017 opdracht tot, dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan, het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het 1e tot en met 3e kwartaal 2017;

feit 3: van 30 mei 2019 tot en met 2 juni 2020 in het kader van een faillissementsprocedure opzettelijk een vals geschrift, te weten een addendum, ter beschikking heeft gesteld aan zijn raadsman en de rechtbank;

feit 4: van 1 januari 2018 tot en met 19 augustus 2018 in het kader van het opstellen van de jaarrekening van [bedrijf 1] opzettelijk een vals geschrift, te weten een aangifte omzetbelasting, ter beschikking heeft gesteld aan zijn accountant.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

feit 1:

[bedrijf 1] B.V. op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2020 te Emmen, althans in Nederland,

telkens opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) elektronische aangifte(n) te naam gesteld van de besloten vennootschap [bedrijf 1] voor de omzetbelasting over:

– Het vierde kwartaal van 2017

– Het eerste kwartaal van 2018

– Het tweede kwartaal van 2018

– Het derde kwartaal van 2018

– Het vierde kwartaal van 2018

– Het eerste kwartaal van 2019

– Het tweede kwartaal van 2019

– Het derde kwartaal van 2019, en

– Het vierde kwartaal van 2019

niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Apeldoorn gestelde termijn heeft gedaan en/of door een ander heeft doen doen, terwijl dat feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geven,

tot het plegen van welk strafbare feit hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 2:

[bedrijf 1] B.V. op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 1 april 2017 tot en met 31 oktober 2017 te Emmen, althans in Nederland,

telkens opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) te naam gesteld van de besloten vennootschap [bedrijf 1] voor de omzetbelasting over:

– het eerste kwartaal van 2017,

– het tweede kwartaal van 2017, en

– het derde kwartaal van 2017

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of door een ander heeft doen doen, terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft [bedrijf 1] B.V. telkens opzettelijk in die aangifte(n)

– een onjuist bedrag aan voorbelasting, en/of

– een onjuist bedrag aan te betalen/terug te ontvangen omzetbelasting,

vermeld en/of doen vermelden en (vervolgens) die aangifte (elektronisch) bij de belastingdienst te Apeldoorn gedaan en/of doen doen,

tot het plegen van welk strafbare feit hij, verdachte, telkens opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

feit 3:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 mei 2019 tot en

met 2 juni 2020 te Nijverdal en/of Emmen, althans in Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van:

– een addendum (DOC-008)

zijnde een geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte,

– voornoemd addendum ter beschikking heeft gesteld en/of doen stellen aan zijn raadsman en/of de rechtbank in het kader van de faillissementsprocedure van [bedrijf 1] B.V., en

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat:

– in voornoemd addendum:

o [naam] als opdrachtgever vermeld is, en

o De datum 29 mei 2019 vermeld is, en

o is vermeld dat door de ondertekening partijen akkoord gaan met de inhoud van alle drie pagina’s, en

o de handtekening van [naam] is (gekopieerd en) toegevoegd,

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor

zodanig gebruik;

feit 4:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 19 augustus 2018 te Nijverdal en/of Emmen, althans in Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van:

– een aangifte omzetbelasting te naam gesteld van de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. betreffende het vierde kwartaal van 2017 (DOC-010)

zijnde een geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte,

– voornoemde aangifte omzetbelasting ter beschikking heeft gesteld en/of doen stellen aan zijn accountant, althans een ander, in het kader van het opstellen van de jaarrekening van [bedrijf 1] B.V. over het jaar 2017.

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat:

– in voornoemde aangifte omzetbelasting vermeld staat dat

o deze is ingezonden op 30 januari 2018 om 21:02 uur

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik.

3De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit naar voren gebracht dat verdachte de aangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het 4e kwartaal 2017 tot en met het 4e kwartaal 2019 weliswaar niet heeft gedaan, maar dat hij voornemens was om schoon schip te maken. Om die reden had hij accountant [name] (hierna: [name]) opdracht gegeven om over voornoemde jaren suppleties in te dienen. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat [name] de suppleties daadwerkelijk bij de Belastingdienst had ingediend. Dit brengt volgens de raadsman mee dat de inkeerregeling van toepassing is, althans vergelijkbaar toegepast kan worden, wat moet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen suppleties zijn ingediend en van inkeer daarom geen sprake kan zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 69 lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) maakt het voor belastingplichtigen mogelijk om in te keren nadat een aangifte opzettelijk niet (tijdig) of onjuist of onvolledig is ingediend. Een belastingplichtige kan inkeren door alsnog een juiste en volledige aangifte te doen vóórdat de onjuistheid van de aangifte bij de Belastingdienst bekend is geworden of dreigt te worden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 mei 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB1760) geoordeeld dat de inkeer op een zodanige wijze moet plaatsvinden dat het voor de Belastingdienst redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat de belastingplichtige daarmee zijn eerdere onjuiste aangifte verbetert. Als aan voornoemde voorwaarden wordt voldaan en het Openbaar Ministerie, ondanks de inkeer, toch tot strafvervolging overgaat, dan leidt dat tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging en niet, zoals de raadsman heeft gesteld, tot ontslag van alle rechtsvervolging.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte op verschillende momenten en op verschillende manieren zijn intentie om schoon schip te willen maken heeft geuit, maar dat hij vervolgens niet alsnog juiste en volledige aangiften heeft gedaan of door [name] heeft laten doen. In de systemen van de Belastingdienst zijn immers geen ingediende suppleties geregistreerd die betrekking hebben op de jaren 2017 tot en met 2019. De enkele intentie van verdachte om te willen inkeren – welke intentie de rechtbank overigens tot op zekere hoogte wel wil aannemen – kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op de wettelijke vereisten niet aan een daadwerkelijke inkeer worden gelijk gesteld. De rechtbank oordeelt dan ook dat verdachte geen succesvol beroep kan doen op de inkeerregeling en ziet daarom, maar ook overigens, geen reden om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging.

De schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Zoals onder 3.3.1 weergegeven heeft de raadsman met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In het geval de rechtbank hierin niet meegaat, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat [name] als getuige moet worden gehoord, zodat hij (preciezer) kan verklaren hoe het is gegaan met de suppletie over het jaar 2019.

Met betrekking tot de onder 2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot het (voorwaardelijk) verzoek om een getuige te horen

De rechtbank wijst het (voorwaardelijk) verzoek om [name] als getuige te horen af.

In dit verband overweegt de rechtbank – in aanvulling op hetgeen zij onder 3.3.3 heeft overwogen – dat zelfs als [name] (in het voor verdachte meest gunstige geval) zou verklaren dat hij, ondanks de opdracht daartoe van verdachte, geen suppletie(s) heeft ingediend en dus in zijn werk tekort is geschoten, dit niet met zich brengt dat verdachte geen verwijt te maken valt. Verdachte had onder de omstandigheden die hem bekend waren als feitelijke leidinggever van [bedrijf 1] controle moeten uitoefenen op de activiteiten van [name], bijvoorbeeld door bij hem of bij de Belastingdienst na te gaan of de suppleties daadwerkelijk waren ingediend. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte dit niet heeft gedaan.

Gelet op het voorgaande zal een verklaring van [name] naar het oordeel van de rechtbank niet relevant zijn voor enige in de strafzaak op grond van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te nemen beslissing.

Feiten 1 tot en met 4

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten op grond van de hieronder vermelde bewijsmiddelen. De verdachte heeft deze feiten bekend en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal de rechtbank conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Sv volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

met betrekking tot feit 1:

– een geschrift, zijnde de ambtsedige verklaring omzetbelasting van 4 maart 2020, pagina 131 (DOC-002);

– de bekennende verklaring van verdachte, zoals opgenomen in het proces-verbaal van verhoor verdachte van 22 februari 2021, pagina 63 (V-002-02), en het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 juni 2022.

met betrekking tot feit 2:

– een geschrift, zijnde de ambtsedige verklaring omzetbelasting van 4 maart 2020, pagina’s 131 tot en met 143 (DOC-002);

– de bekennende verklaring van verdachte, zoals opgenomen in het proces-verbaal van verhoor verdachte van 22 februari 2021, pagina’s 62 en 63 (V-002-02), en het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 juni 2022.

met betrekking tot feit 3:

– een geschrift, zijnde een addendum van 29 mei 2019, pagina’s 233 tot en met 235 (DOC-008);

– het proces-verbaal van ambtshandeling van 23 maart 2021, pagina’s 101 en 102 (AMB-009);

– de bekennende verklaring van verdachte, zoals opgenomen in het proces-verbaal van verhoor verdachte van 23 februari 2021, pagina 69 (V-002-03), en het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 juni 2022.

met betrekking tot feit 4:

– een geschrift, zijnde de op 30 januari 2018 afgedrukte aangifte omzetbelasting
4e kwartaal 2017, pagina 246 (DOC-010);

– het proces-verbaal van ambtshandeling van 8 maart 2021, pagina’s 99 en 100 (AMB-008);

– de bekennende verklaring van verdachte, zoals opgenomen in het proces-verbaal van verhoor verdachte van 23 februari 2021, pagina 68 (V-002-03), en het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 juni 2022.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

[bedrijf 1] B.V. in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2020 in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een elektronische aangifte te naam gesteld van de besloten vennootschap [bedrijf 1] voor de omzetbelasting over:

– het vierde kwartaal van 2017

– het eerste kwartaal van 2018

– het tweede kwartaal van 2018

– het derde kwartaal van 2018

– het vierde kwartaal van 2018

– het eerste kwartaal van 2019

– het tweede kwartaal van 2019

– het derde kwartaal van 2019, en

– het vierde kwartaal van 2019

niet heeft gedaan, terwijl dat feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk strafbare feit hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven;

Feit 2:

[bedrijf 1] B.V. in de periode 1 april 2017 tot en met 31 oktober 2017 in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een digitale aangifte te naam gesteld van de besloten vennootschap [bedrijf 1] voor de omzetbelasting over:

– het eerste kwartaal van 2017

– het tweede kwartaal van 2017, en

– het derde kwartaal van 2017

onjuist heeft gedaan, terwijl dat feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers heeft [bedrijf 1] B.V. telkens opzettelijk in die aangiften

– een onjuist bedrag aan voorbelasting, en

– een onjuist bedrag aan terug te ontvangen omzetbelasting,

vermeld en vervolgens die aangifte elektronisch bij de belastingdienst te Apeldoorn gedaan,

aan welke verboden gedraging hij, verdachte, telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

Feit 3:

hij in de periode van 30 mei 2019 tot en met 2 juni 2020 in Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van:

– een addendum

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte,

– voornoemd addendum ter beschikking heeft gesteld aan zijn raadsman en de rechtbank in het kader van de faillissementsprocedure van [bedrijf 1] B.V. en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat:

– in voornoemd addendum:

o [naam] als opdrachtgever vermeld is, en

o de datum 29 mei 2019 vermeld is, en

o is vermeld dat door de ondertekening partijen akkoord gaan met de inhoud van alle drie pagina’s, en

o de handtekening van [naam] is gekopieerd en toegevoegd,

terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;

Feit 4:

hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 19 augustus 2018 in Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van:

– een aangifte omzetbelasting te naam gesteld van de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. betreffende het vierde kwartaal van 2017

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte,

– voornoemde aangifte omzetbelasting ter beschikking heeft gesteld aan zijn accountant in het kader van het opstellen van de jaarrekening van [bedrijf 1] B.V. over het jaar 2017 en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat:

– in voornoemde aangifte omzetbelasting vermeld staat dat

o deze is ingezonden op 30 januari 2018 om 21:02 uur

terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat

zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de

bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 68 lid 1 en 69 lid 1 en 2 Awr en artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl

het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door

een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft

gegeven, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen,

terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feiten 3 en 4, telkens:

het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

6De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zo is hij vlak voor de ten laste gelegde periode hersteld van kanker, waarna zijn vrouw in 2016/2017 kanker kreeg. Door de zorg voor zijn vrouw en het daarnaast blijven werken, heeft verdachte zichzelf medisch gezien verwaarloosd. Hij is in de ten laste gelegde periode meermalen opgenomen geweest in het ziekenhuis, onder andere vanwege een longembolie, en bij de spoedeisende hulp. Deze omstandigheden, in combinatie met de grote groei van zijn bedrijf, hebben ervoor gezorgd dat verdachte zijn administratie niet meer op orde had en geen grip meer had op zijn onderneming(en). Verdachte heeft evenwel geprobeerd om schoon schip te maken, iets waar de rechtbank volgens de raadsman ook rekening mee moet houden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte al het nodige nadeel heeft ondervonden van deze zaak. Hij is zowel privé als zakelijk failliet verklaard en heeft zijn woning moeten verkopen. Hij woont nu met zijn vrouw op een kleine kamer. Verdachte heeft bovendien een enorme schuldenlast. Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat het gaat om een bedrag van ongeveer één miljoen euro. Om zijn schulden af te lossen, is verdachte aan het werk als adviseur in het verduurzamen en reduceren van energiekosten. De raadsman heeft de rechtbank erop gewezen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ertoe zou leiden dat verdachte zijn baan hoogstwaarschijnlijk verliest als gevolg waarvan hij zijn schulden niet meer kan aflossen, maar hij ook niet meer de mogelijkheid heeft om pensioen op te bouwen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek, openheid van zaken heeft gegeven, zijn fouten heeft erkend en een blanco strafblad heeft. Tot slot heeft de raadsman bepleit dat het door de FIOD berekende nadeelbedrag van € 624.062,00 naar beneden moet worden bijgesteld. Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat een nadeelbedrag van € 300.000,00 meer realistisch is. Vanwege voornoemde omstandigheden zou met een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen worden volstaan, aldus de raadsman.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

[bedrijf 1] heeft zich over een periode van bijna drie jaren schuldig gemaakt aan belastingfraude, door de aangiften omzetbelasting over het 1e tot en met 3e kwartaal 2017 opzettelijk onjuist in te dienen en de aangiften omzetbelasting over het 4e kwartaal 2017 tot en met het 4e kwartaal 2019 opzettelijk niet in te dienen. Hierdoor werd te weinig belasting geheven. Verdachte heeft aan deze strafbare gedragingen, als enig aandeelhouder en bestuurder/algemeen directeur van [bedrijf 1], feitelijke leiding gegeven.

Verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment schoon schip wilde maken en om die reden een accountant had ingeschakeld. Deze accountant zou onder andere de jaarstukken vanaf 2015 opmaken. Verdachte heeft een aangifte omzetbelasting over het 4e kwartaal 2017 valselijk opgemaakt, zodat hij de accountant kon laten zien dat wel aangifte was gedaan en de accountant deze aangifte kon verwerken in de jaarstukken. Dat heeft de accountant ook gedaan, want in de jaarrekening 2017 staat achter “omzetbelasting laatste periode” een bedrag van € 7.413,00, welk bedrag overeenkomt met de valselijk opgemaakte aangifte. Daarmee heeft verdachte zijn accountant bewogen om op basis van door hem vervalste gegevens incorrecte jaarstukken op te maken, die voor derden zijn in te zien.

Nadat onder meer [bedrijf 2] B.V. het faillissement van [bedrijf 1] had aangevraagd, heeft verdachte ook een addendum valselijk opgemaakt. Hij heeft dit addendum verstrekt aan zijn advocaat, waarna die advocaat, die niet bekend was met de valsheid, het addendum in het kader van de faillissementsprocedure heeft verstrekt aan de rechtbank. Verdachte heeft zich dus meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.

Verdachte heeft over de belastingfraude verklaard dat hij wist dat de aangiften

omzetbelasting (juist) ingediend moesten worden, maar dat [bedrijf 1] financiële problemen had en hij de grip op [bedrijf 1] kwijt was. Daarnaast was zijn vrouw ziek en kampte hij ook zelf met gezondheidsproblemen. Het ging hem allemaal boven de pet. Toen ook nog het faillissement van [bedrijf 1] werd aangevraagd, naar eigen zeggen ten onrechte, raakte hij in paniek en pleegde hij valsheid in geschrifte. Over de valsheid in geschrifte heeft verdachte verklaard dat dit nooit had moeten gebeuren en als “oerstom” is te bestempelen.

De overheid, en daarmee, de samenleving, is als gevolg van voornoemde belastingfraude een bedrag aan belastingen misgelopen. De FIOD/Belastingdienst heeft berekend dat een totaalbedrag van € 624.062,00 te weinig aan belastingen is geheven. Verdachte meent dat het om ongeveer € 300.000,00 gaat.

Naast het fiscale nadeel heeft verdachte bovendien bijgedragen aan het ondermijnen van de belastingmoraal, omdat hij de verantwoordelijkheden, die de belastingwet aan het doen van aangifte stelt, niet serieus heeft genomen. Hij heeft namelijk geprobeerd om de financiële problemen van zijn bedrijf [bedrijf 1] op te lossen ten koste van de Belastingdienst.

Wat de rechtbank verdachte daarnaast en bijzonder zwaar aanrekent is, dat hij, middels zijn advocaat, een valselijk opgemaakt geschrift aan de rechtbank heeft verstrekt, met als doel om de rechtbank op het verkeerde been te zetten. Juist in een rechtszaak moet erop vertrouwd kunnen worden dat de ingediende stukken correct zijn, omdat de rechtbank, of een andere gerechtelijke instantie, op basis hiervan een voor verschillende partijen (vaak ingrijpende) beslissing neemt. Dat verdachte hier niet bij heeft stilgestaan, maar slechts oog heeft gehad voor zijn eigen belangen, neemt de rechtbank hem zeer kwalijk.

Bij de strafbepaling heeft de rechtbank gelet op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. In het voordeel van verdachte gaat de rechtbank uit van een nadeelbedrag van
€ 300.000,00, bij welk bedrag als uitgangspunt geldt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden wordt opgelegd.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Uit het strafdossier volgt evenwel dat de Belastingdienst in 2015 een onderzoek heeft gedaan naar Sihard B.V., de toenmalige onderneming van verdachte. Toen [bedrijf 1] werd opgericht, werd ook deze onderneming meegenomen in het onderzoek. Het onderzoek heeft onder meer geresulteerd in een naheffingsaanslag van € 144.671,00 voor [bedrijf 1] en een vergrijpboete van € 69.812,00. Verdachte was dus een gewaarschuwd man. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om vanaf 2017 structureel belastingfraude te plegen.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat hij, eenmaal tegen de lamp gelopen, heeft meegewerkt aan het onderzoek en openheid van zaken heeft gegeven en dat hij bezig was met (een poging tot) schoon schip maken.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank realiseert zich dat een dergelijke straf zowel privé als zakelijk enorme gevolgen voor verdachte zal hebben, maar is vanwege de ernst en de omvang van het bewezen verklaarde van oordeel dat een taakstraf een gepasseerd station is. Zou verdachte ‘enkel’ de belastingfeiten hebben gepleegd, dan zou de rechtbank gelet op de bijzondere en zwaar ingrijpende persoonlijke belangen van verdachte en zijn echtgenote, als straf een (hoge) taakstraf aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf in overweging hebben genomen. Dat verdachte heeft getracht een rechterlijke instantie te bewegen een door verdachte gewenste beslissing te nemen op basis van door hem vervalste documenten, brengt de rechtbank er uiteindelijk toe om aan het voorstel van de raadsman voorbij te gaan. Omdat de rechtbank uitgaat van een lager nadeelbedrag, zal de rechtbank hem een minder lange gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie geëist, namelijk een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, moet hiervan worden afgetrokken. Aan het voorwaardelijke strafdeel koppelt de rechtbank een proeftijd van drie jaren.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

8De schade van benadeelde

De vordering van de benadeelde partij

[naam] (hierna: [naam]) heeft zich, middels mr. H. te Woerd, advocaat in Almelo, namens [bedrijf 2] B.V. en “gelieerde dochterondernemingen” (hierna: [bedrijf 2]) als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. [naam] heeft gevorderd om verdachte wegens “niet afronden turn key project zonnepanelen” te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een bedrag van € 1.448.845,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

Het oordeel van de rechtbank

In het schadevergoedingsformulier wordt [bedrijf 2], met [naam] als vertegenwoordiger, als benadeelde partij genoemd. Een uittreksel van de Kamer van Koophandel of ander stuk, zoals een volmacht van de directie/het bestuur van [bedrijf 2], waaruit blijkt dat [naam] dit bedrijf mag vertegenwoordigen, ontbreekt echter. Nu de rechtbank (alleen al) niet kan vaststellen of [naam] vertegenwoordigingsbevoegd is, zal zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 51 en 57 Sr.

10De beslissing

De rechtbank:

afwijzing voorwaardelijk verzoek

– wijst af het verzoek van de verdediging tot het horen van getuige [name];

bewezenverklaring

– verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

– verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

– verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

– verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl

het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door

een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft

gegeven, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen,

terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feiten 3 en 4, telkens:

het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

strafbaarheid verdachte

– verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde;

straf

– veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

– bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

– stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte:

– zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

– bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

– bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 2] B.V. in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, mr. J. Wentink en
mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2022.

Buiten staat:

Mr. M.S. de Waard is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen

Voetnoten

  1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD / Belastingdienst met onderzoeksnummer 67530 (Birmingham). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.