Pays-Bas Rechtbank Overijssel Pénal 22 octobre 2025 N° 08.125312.25, 08.174843.24, 08.186620.24, 08.262621.24, 08.278482.24, 08.286098.24, 08.316732.24, 08.338754.24, 08.340162.24 en 08.343015.24 (allen gev.ttz). NL

ECLI:NL:RBOVE:2025:6180 Rechtbank Overijssel , 22-10-2025 / 08.125312.25, 08.174843.24, 08.186620.24, 08.262621.24, 08.278482.24, 08.286098.24, 08.316732.24, 08.338754.24, 08.340162.24 en 08.343015.24 (allen gev.ttz).

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 205 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, het betalen van schadevergoedingen en stelt dat ze zich meldt bij de Reclassering. De verdachte is schuldig bevonden aan diefstal, vernieling, meermalen gepleegd, mishandeling van de eigen vader, belediging van ambtenaren in functie, meermalen gepleegd en handelen in strijd met een gedr...

Source officielle

47 min de lecture 10 172 mots

Inhoudsindicatie. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 205 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, het betalen van schadevergoedingen en stelt dat ze zich meldt bij de Reclassering.

Inhoudsindicatie. De verdachte is schuldig bevonden aan diefstal, vernieling, meermalen gepleegd, mishandeling van de eigen vader, belediging van ambtenaren in functie, meermalen gepleegd en handelen in strijd met een gedragsaanwijzing.

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08.125312.25, 08.174843.24, 08.186620.24, 08.262621.24, 08.278482.24, 08.286098.24, 08.316732.24, 08.338754.24, 08.340162.24 en 08.343015.24 (allen gev.ttz).

Datum vonnis: 22 oktober 2025

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in FPA [locatie] .

1Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 mei 2025, 31 juli 2025, 19 augustus 2025, 23 september 2025 en 8 oktober 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. J.C. Stam, advocaat in Borne , naar voren is gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van hetgeen namens de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] door [aangever 1] is aangevoerd.

2De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de zaak met parketnummer 08.125312.25

op 23 april 2025 te Enschede levensmiddelen heeft gestolen;

in de zaak met parketnummer 08.174843.24

feit 1: op 27 mei 2024 te Enschede ruiten heeft vernield;

feit 2: op 27 mei 2024 te Enschede een auto heeft vernield;

in de zaak met parketnummer 08.186620.24

op 6 juni 2024 te Almelo een auto heeft vernield;

in de zaak met parketnummer 08.262621.24

op 16 augustus 2024 te Almelo ruiten en/of een ladeblok heeft vernield;

in de zaak met parketnummer 08-278482-24

op 29 augustus 2024 te [plaats] haar vader, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld;

in de zaak met parketnummer 08.286098.24

feit 1: op 27 augustus 2024 te Almelo ruiten heeft vernield;

feit 2: op 6 september 2024 te Almelo een ruit heeft vernield;

feit 3: op 6 september 2024 te Almelo een auto heeft vernield;

feit 4: op 6 september 2024 te Almelo [slachtoffer 4] heeft mishandeld;

feit 5: op 6 september 2024 te Almelo [slachtoffer 4] heeft beledigd;

in de zaak met parketnummer 08.316732.24

feit 1: op 20 september 2024 te Almelo een agent heeft mishandeld;

feit 2: op 20 september 2024 te Almelo planten heeft vernield;

feit 3: op 20 september 2024 te [plaats] een arrestantenbewaarder heeft beledigd;

in de zaak met parketnummer 08.338754.24

op 24 oktober 2024 te Almelo ruiten heeft vernield;

in de zaak met parketnummer 08.340162.24

op 27 oktober 2024 te Almelo agenten heeft beledigd;

in de zaak met parketnummer 08.343015.24

op 29 oktober 2024 te [plaats] in strijd met een gedragsaanwijzing heeft gehandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

in de zaak met parketnummer 08.125312.25

zij op of omstreeks 23 april 2025 te Enschede

levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Jumbo

(Noorderhagen 75), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

in de zaak met parketnummer 08.174843.24

1

zij op of omstreeks 27 mei 2024 te Enschede

opzettelijk en wederrechtelijk één of meer ruit(en) (van een pand aan de

Broekheurne-Ring 1050), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan

Mediant, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd,

onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2

zij op of omstreeks 27 mei 2024 te Enschede

opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk: Volvo), in elk geval enig goed, dat/die

geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander

toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of

weggemaak;

in de zaak met parketnummer 08.186620.24

zij, op of omstreeks 6 juni 2024 te Almelo

opzettelijk en wederrechtelijk een auto met kenteken [kenteken 1] , in elk geval enig goed,

dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

in de zaak met parketnummer 08.262621.24

zij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Almelo

opzettelijk en wederrechtelijk een (of meerdere) ruit(en) en/of een ladeblok, in elk

geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Thuis Team Twente, in elk geval aan

een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

in de zaak met parketnummer 08.278482.24

zij, op of omstreeks 29 augustus 2024 te [plaats]

haar vader tot wie zij in familierechtelijke betrekking staat, [slachtoffer 1] ,

heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

– met een mes, althans een scherp- en/of puntig voorwerp, in zijn arm, althans zijn

lichaam, te steken en/of te snijden;

in de zaak met parketnummer 08.286098.24

1

zij op of omstreeks 27 augustus 2024 te Almelo, althans in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2

zij op of omstreeks 6 september 2024 te Almelo, althans in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan ThuisTeam Twente, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3

zij op of omstreeks 6 september 2024 te Almelo, althans in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Peugeot 3008 gekentekend

[kenteken 2] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] , in elk

geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar

gemaakt en/of weggemaakt;

4

zij op of omstreeks 6 september 2024 te Almelo

[slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] een of meerdere malen

– te bijten op de linkerborst en/of de rechter onderarm, en/of

– te krabben op de linker wang en/of de rechter onderarm;

5

zij op of omstreeks 6 september 2024 te Almelo

opzettelijk [slachtoffer 4] , in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden,

heeft beledigd, door die [slachtoffer 4] in het gezicht te spugen en/of in de richting van die [slachtoffer 4] te spugen;

in de zaak met parketnummer 08.316732.24

1

zij op of omstreeks 20 september 2024 te Almelo,

een ambtenaar, [slachtoffer 2] (agent bij de Eenheid Oost-Nederland), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door

– voornoemde [slachtoffer 2] (krachtig) in/op de (onder)arm, althans in/op het lichaam te bijten, en/of

– voornoemde [slachtoffer 2] (krachtig) in/op de hand, althans in/op het lichaam te krabben;

2

zij op of omstreeks 20 september 2024 te Almelo

opzettelijk en wederrechtelijk één of meerdere planten en/of bloemen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Gemeente Almelo, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3

zij op of omstreeks 20 september 2024 te [plaats]

opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 8] (arrestantenbewaarder bij de Eenheid

Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd,

door (speeksel) in/op/tegen het gezicht (met een open wondje), althans in/op/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 8] te spugen;

in de zaak met parketnummer 08.338754.24

zij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Almelo

opzettelijk en wederrechtelijk een (auto)ruit en/of een (woning)ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

in de zaak met parketnummer 08.340162.24

zij op of omstreeks 27 oktober 2024 te Almelo

opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 10] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland en/of [slachtoffer 11] , werkzaam als aspirant bij de Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Kankerlijers" en/of "kankeridioten", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

in de zaak met parketnummer 08.343015.24

zij op omstreeks 29 oktober 2024 te [plaats]

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel

509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 31 augustus 2024, gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland door zich op te houden en/of te bevinden in/aan de [adres] en/of in de directe nabijheid van de woning gelegen aan de [adres] en/of door contact op te nemen/te zoeken met [slachtoffer 1] .

3De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

in de zaak met parketnummer 08.125312.25

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 augustus 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] namens Jumbo Enschede Noorderhagen van 23 april 2025, p. 5-6.

in de zaak met parketnummer 08.174843.24

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 augustus 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] van 27 mei 2024, p. 5-7;

3. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 12] van 27 mei 2024, p. 8-10.

in de zaak met parketnummer 08.186620.24

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 augustus 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] van 6 juni 2024, inclusief fotobladen, p. 6-11.

in de zaak met parketnummer 08.262621.24

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 augustus 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] van 16 augustus 2024, p. 6-9;

3. het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [slachtoffer 13] van 17 augustus 2024, p. 20.

in de zaak met parketnummer 08.278482.24

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit kort na de aanhouding bij de politie heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 30 augustus 2024, p. 38-46, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 29 augustus 2024, inclusief fotobladen, p. 5-17.

in de zaak met parketnummer 08.286098.24

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 augustus 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 14] van 28 augustus 2024, p. 7-8;

3. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] van 6 september 2024, inclusief fotobladen, p. 36-45;

4. het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie van 9 september 2024, p. 49-50;

5. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7] van 6 september 2024, inclusief fotobladen, p. 59-66.

in de zaak met parketnummer 08.316732.24

Feit 1

De rechtbank stelt op basis van het in de bijlage opgenomen bewijsmiddel (een ambtsedig

proces-verbaal van een opsporingsambtenaar als bedoeld in 344 lid 2 Sv) vast dat

verdachte politieagent [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar in de arm te bijten en op de hand

te krabben. Zij acht het tenlastegelegde onder 1 dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 2 en 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 augustus 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 15] van 20 september 2024, p. 7-9;

3. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 8] van 20 september 2024, p. 44-47.

in de zaak met parketnummer 08.338754.24

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 augustus 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 9] van 24 oktober 2024, p. 5-7.

in de zaak met parketnummer 08.340162.24

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 augustus 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aanhouding verdachte van verbalisanten [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] van 27 oktober 2024, p. 5-7.

in de zaak met parketnummer 08.343015.24

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 augustus 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

2. het proces-verbaal van aanhouding verdachte van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 29 oktober 2024, p. 12-14;

3. de gedragsaanwijzing van 31 augustus 2024 en de akte van uitreiking, p. 5-9.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 08.125312.25

zij op 23 april 2025 te Enschede

levensmiddelen die aan Jumbo (Noorderhagen 75) toebehoorde heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

in de zaak met parketnummer 08.174843.24

1

zij op 27 mei 2024 te Enschede

opzettelijk en wederrechtelijk ruiten (van een pand aan de Broekheurne-Ring 1050), die aan Mediant toebehoorde heeft vernield;

2

zij op 27 mei 2024 te Enschede

opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk: Volvo) die aan [slachtoffer 5]

toebehoorde heeft vernield;

in de zaak met parketnummer 08.186620.24

zij op 6 juni 2024 te Almelo

opzettelijk en wederrechtelijk een auto met kenteken [kenteken 1] die aan [slachtoffer 6] toebehoorde heeft vernield;

in de zaak met parketnummer 08.262621.24

zij op 16 augustus 2024 te Almelo

opzettelijk en wederrechtelijk ruiten en een ladeblok die aan Thuis Team Twente toebehoorde heeft vernield;

in de zaak met parketnummer 08.278482.24

zij op 29 augustus 2024 te [plaats]

haar vader tot wie zij in familierechtelijke betrekking staat, [slachtoffer 1] ,

heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] met een mes in zijn arm te steken/snijden;

in de zaak met parketnummer 08.286098.24

1

zij op 27 augustus 2024 te Almelo

opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, die [bedrijf] toebehoorde heeft vernield;

2

zij op 6 september 2024 te Almelo,

opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, die aan ThuisTeam Twente toebehoorde heeft vernield;

3

zij op 6 september 2024 te Almelo,

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Peugeot 3008 [kenteken 2] ) die aan [slachtoffer 7] toebehoorde heeft vernield;

4

zij op 6 september 2024 te Almelo

[slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4]

– te bijten op de linkerborst en de rechter onderarm, en

– te krabben op de linker wang en de rechter onderarm;

5

zij op 6 september 2024 te Almelo

opzettelijk [slachtoffer 4] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden,

heeft beledigd, door die [slachtoffer 4] in het gezicht te spugen;

in de zaak met parketnummer 08.316732.24

1

zij op 20 september 2024 te Almelo,

een ambtenaar, [slachtoffer 2] (agent bij de Eenheid Oost-Nederland), gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door

– voornoemde [slachtoffer 2] (krachtig) in de onderarm te bijten, en

– voornoemde [slachtoffer 2] (krachtig) op de hand te krabben;

2

zij op 20 september 2024 te Almelo

opzettelijk en wederrechtelijk planten en/of bloemen die aan Gemeente Almelo toebehoorde heeft vernield;

3

zij op 20 september 2024 te [plaats]

opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 8] (arrestantenbewaarder bij de Eenheid

Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd,

door (speeksel) in/op/tegen het gezicht (met een open wondje) van voornoemde [slachtoffer 8] te spugen;

in de zaak met parketnummer 08.338754.24

zij op 24 oktober 2024 te Almelo

opzettelijk en wederrechtelijk een (auto)ruit en een (woning)ruit, die aan [slachtoffer 9] , toebehoorde heeft vernield;

in de zaak met parketnummer 08.340162.24

zij op 27 oktober 2024 te Almelo

opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 10] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland en [slachtoffer 11] , werkzaam als aspirant bij de Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "Kankerlijers" en "kankeridioten";

in de zaak met parketnummer 08.343015.24

zij op 29 oktober 2024 te [plaats]

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel

509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 31 augustus 2024, gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland door zich op te houden en te bevinden in/aan de [adres] en in de directe nabijheid van de woning gelegen aan de [adres] en door contact op te nemen/te zoeken met [slachtoffer 1] .

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 184a, 266, 267, 300, 304, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 08.125312.25

het misdrijf: diefstal;

in de zaak met parketnummer 08.174843.24

(telkens) het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

in de zaak met parketnummer 08.186620.24

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

in de zaak met parketnummer 08.262621.24

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;

in de zaak met parketnummer 08.278482.24

het misdrijf: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat;

in de zaak met parketnummer 08.278482.24

feiten 1, 2 en 3 (telkens): opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 4: mishandeling;

feit 5: eenvoudige belediging;

in de zaak met parketnummer 08.316732.24

feit 1: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

in de zaak met parketnummer 08.338754.24

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;

in de zaak met parketnummer 08.340162.24

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

in de zaak met parketnummer 08.343015.24

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.

5De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6De op te leggen straf of maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en één maand voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de straf dadelijk uitvoerbaar zal worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de door de officier van justitie voorgestelde proeftijd te matigen tot twee jaren.

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft in een periode van elf maanden zeventien strafbare feiten gepleegd. Zo heeft zij zich schuldig gemaakt aan meerdere vernielingen van (de ruiten van) auto’s en gebouwen. Ook heeft zij planten van de gemeente Almelo vernield. Dit betreffen hinderlijke en overlastgevende feiten. Door zo te handelen heeft verdachte veel schade veroorzaakt.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 4] van

Thuisteam Twente, agent [slachtoffer 2] en haar vader [slachtoffer 1] . Ook heeft zij zich

schuldig gemaakt aan de overtreding van de gedragsaanwijzing, inhoudende een verbod om

contact op te nemen met haar vader en om zich te bevinden bij zijn woning. Door aldus te

handelen heeft verdachte bij de slachtoffers angst, pijn en letsel veroorzaakt. Behalve de

impact die de feiten op de slachtoffers hebben gehad, dragen misdrijven als deze ook bij aan

algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan meerdere beledigingen. Zo heeft zij twee politieagenten in functie beledigd door hen uit te schelden. Daarnaast heeft zij arrestantenbewaarder [slachtoffer 8] en [slachtoffer 4] van Thuisteam Twente in het gezicht gespuugd. De verdachte heeft daarmee de slachtoffers in hun eer en goede naam aangetast. Door de slachtoffers in het gezicht te spugen heeft zij bovendien een voor hen zeer onsmakelijke en onhygiënische situatie geschapen. Tevens heeft verdachte het respect en het gezag ten aanzien van ambtenaren die een publieke taak verrichten ondermijnd.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van levensmiddelen bij de Jumbo. Een winkeldiefstal veroorzaakt overlast en schade bij de ondernemer.

Persoon van verdachte

Bij de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 24 april 2025. Uit het strafblad blijkt van (meerdere) veroordelingen van een datum na de pleegperiode van (een deel van) onderhavige bewezen verklaarde feiten, waardoor de rechtbank toepassing geeft aan artikel 63 Sr.

De rechtbank heeft acht geslagen op de over verdachte opgemaakte Pro Justitie rapportage van 18 juli 2025. Bij verdachte is sprake van een autismespectrumstoornis en polymiddelengebruik. Het intelligentieprofiel is disharmonisch en de verwerkingssnelheid is zwak. Verdachte begrijpt zichzelf en de wereld om haar heen niet goed. Haar begrip wordt gekleurd door psychotische belevingen, meer specifiek dat zij wordt bestuurd door een microchip en dat de wereld om haar heen nep is. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde (sterk) verminderd aan verdachte toe te rekenen. Het risico op herhaling van een geweldsdelict wordt hoog ingeschat. Er zijn nauwelijks beschermende factoren. Verdachte neigt tot het mijden van hulp, ingegeven door een gebrekkig ziekte-inzicht, en loopt het risico om terug te vallen in middelengebruik en te komen tot delictgedrag, waarbij de verwachting is dat zij opnieuw een gevaar voor zichzelf of anderen zal zijn. De psycholoog adviseert een langdurige specialistische (gedwongen) behandeling met een matig beveiligingsniveau. Daarbij wordt gedacht aan een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel of een zorgmachtiging op grond van art. 2.3 Wfz.

Ter terechtzitting van 19 augustus 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de route van een zorgmachtiging geen uitkomst biedt. De rechtbank neemt de in voornoemde rapportage vermelde conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over en oordeelt dat de bewezen verklaarde feiten in (sterk) verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Voor wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank ook rekening met de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapportages. Uit het laatste rapport van 3 oktober 2025 blijkt het volgende.

Verdachte toont agressief en overlastgevend gedrag en wordt daarom besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis Twente. Middels ambulante hulpverlening en verplichte opnames is tevergeefs geprobeerd te werken aan de psychiatrische problematiek van verdachte, het middelengebruik en het overlastgevende gedrag. Het verblijf in het PCC heeft verdachte gekalmeerd, maar geen ziekte-inzicht of behandelmotivatie gegeven. Het recidiverisico wordt dan ook hoog ingeschat. De zorgprofessionals die betrokken zijn bij verdachte adviseren een langdurige klinische behandeling. Teneinde de route naar een klinische behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde te onderzoeken, heeft de reclassering verdachte aangemeld bij het IFZ. Ten tijde van het schrijven van het rapport was er nog geen geschikte kliniek (op korte termijn) gevonden.

De reclassering schrijft dat een ambulant reclasseringstoezicht niet uitvoerbaar is. Zij adviseert derhalve een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Indien de rechtbank alsnog een voorwaardelijke straf oplegt, adviseert zij onderstaande voorwaarden:

– een meldplicht;

– opname in een zorginstelling;

– ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);

– begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

Daarnaast adviseert zij dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.

Ter terechtzitting van 8 oktober 2025 is gebleken dat verdachte per 9 oktober 2025 kan worden opgenomen bij [locatie] . Vervolgens heeft de rechtbank schorsing van de voorlopige hechtenis, onder door de reclassering voorgestelde voorwaarden, bevolen.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met de hiervoor

omschreven omstandigheden. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), alsmede op straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd.

Alles overwegend, zal aan verdachte worden opgelegd een gevangenisstraf van 205 dagen,

waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank verbindt aan de

voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering

zijn voorgesteld, nu verdachte ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard open te staan behandeling en begeleiding. Het voorwaardelijke strafdeel dient verdachte er tevens van te weerhouden om in de toekomst (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er, gelet op de hiervoor beschreven psychische problematiek en het feit dat verdachte nog aan het begin van de behandeling staat, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.

Het in beslag genomen voorwerp

In de zaak met parketnummer 08.186620.24

De raadsman heeft verzocht om teruggave van het inbeslaggenomen longboard.

De officier van justitie heeft ter zitting toegezegd te achterhalen waar het longboard is gebleven, zodat het kan worden teruggegeven aan verdachte.

Gelet op deze toezegging zal de rechtbank zich onthouden van een beslissing met betrekking tot het inbeslaggenomen voorwerp.

7De schade van de benadeelden

De vordering van de benadeelde partijen

In de zaak met parketnummer 08.174843.24

7.1.1.1 De vordering van Mediant

Mediant heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering is ingediend door [aangever 4] en [aangever 5] . De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om materiële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 4.328,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit de kosten voor vervanging van de ruit.

7.1.1.2 De vordering van [slachtoffer 5]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om materiële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.228,15, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit de kosten voor reparatie van de auto.

In de zaak met parketnummer 08.186620.24

7.1.2.1 De vordering van [slachtoffer 6]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om materiële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 184,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit de kosten voor reparatie van de auto.

In de zaak met parketnummer 08.286098.24

7.1.3.1 De vordering van [bedrijf]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering is ingediend door [slachtoffer 14] . De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om materiële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 665,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit de kosten voor vervanging van de ruit en reparatie van de deur.

7.1.3.2 De vordering van Thuisteam Twente

Thuisteam Twente heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering is ingediend door [slachtoffer 4] . De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om materiële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.071,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit de kosten voor vervanging van de ruit.

7.1.3.3 De vordering van [slachtoffer 7]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om materiële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 1.965,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit de kosten voor reparatie van de auto.

In de zaak met parketnummer 08.316732.24

7.1.4.1 De vordering van [slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering is ingediend door [aangever 6] . De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om immateriële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

7.1.4.2 De vordering van [slachtoffer 8]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering is ingediend door [aangever 6] . De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om immateriële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 415,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

7.1.4.3 De vordering van de gemeente Almelo

De gemeente Almelo heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De vordering is ingediend door [aangever 7] . De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om materiële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 405,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schade bestaat uit de kosten voor vervanging van de planten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 14] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard nu deze onvoldoende zijn onderbouwd. De vorderingen van de overige benadeelde partijen kunnen in het geheel worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vorderingen van Mediant, [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [bedrijf] af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast heeft hij verzocht om de vordering van Thuisteam Twente niet-ontvankelijk te verklaren en de vorderingen van [slachtoffer 2] en de gemeente Almelo te matigen. Voor zover nodig zal de rechtbank hierna ingaan op de gevoerde verweren.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van Mediant

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. Uit de nagezonden offerte blijkt dat de geleden schade € 4.328,00 bedraagt. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 4.328,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is voldoende onderbouwd en aannemelijk. Uit de stukken is niet gebleken dat de verzekering de geleden schade reeds heeft vergoed. Het staat een benadeelde partij bovendien (ook in het geval sprake is van verzekeringsdekking) vrij om ervoor te kiezen zijn schade te verhalen op de aansprakelijke partij. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.228,15, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 6]

De opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid dan ook niet bieden.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering van [bedrijf]

De opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid dan ook niet bieden.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering van Thuisteam Twente

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 3.071,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Gelet op het verweer van de raadsman ten aanzien van de bevoegdheid tot het indienen van de vordering overweegt de rechtbank het volgende.

De vordering is ingediend door werknemer [slachtoffer 4] . Hij heeft ook namens Thuisteam Twente aangifte gedaan. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat aldus kan worden aangenomen dat hij bevoegd is om namens Thuisteam Twente de vordering in te dienen. Dit alles geldt te meer nu de verdediging niet (concreet) heeft onderbouwd wat er mis is met de (interne) bevoegdheid van deze persoon tot vertegenwoordiging van de benadeelde partij (vgl. ECLI:NL:HR:2018:2006).

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 7]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.965,40 , te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 8]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De benadeelde partij is in zijn eer of goede naam geschaad. De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 415,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ten aanzien van de vordering van gemeente Almelo

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk, met uitzondering van de schadepost ‘kosten voor het eerder weghalen van de plantenbakken’ en de BTW onder de schadepost ‘nieuwe planten’. Het woord ‘eerder’ impliceert dat de plantenbakken anders op een later moment zouden zijn weggehaald. De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd dat het eerder weghalen extra kosten met zich heeft meegebracht. Daarnaast kan niet worden vastgesteld of de gemeente Almelo de BTW voor de aanschaf van de nieuwe planten kan terugvragen bij het BTW- compensatiefonds.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de hierboven genoemde kosten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet voorgaande zal de rechtbank het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 188,39, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsman heeft verzocht om de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten voor de gemeente Almelo en de bedrijven die een vordering hebben ingediend. In het geval dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, heeft de verdediging verzocht te bepalen dat de gijzeling wordt beperkt tot één dag.

De rechtbank zal ten aanzien van iedere voornoemde vordering de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het feit aan de benadeelde partijen is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting per opgelegde schadevergoedingsmaatregel worden aangevuld met één dag gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

9De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

– verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven onder rechtsoverweging 3 omschreven;

– verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

– verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

– verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert, zoals hierboven onder rechtsoverweging 4 omschreven;

strafbaarheid verdachte

– verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde, zoals hierboven beschreven;

straf

– veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 205 (tweehonderdvijf) dagen;

– bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 30 (dertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

– stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de

proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

– stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

– zich gedurende de proeftijd meldt bij de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;

– zich laat opnemen in de FPA [locatie] , dan wel een soortgelijke (zorg)instelling. De opname duurt maximaal een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

– zich (aansluitend op klinische behandeling) laat behandelen door een forensische

polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal betrokkene zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.

– verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er een geschikte plek gevonden is. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

– draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

– ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

– medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

– beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

– bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

– heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden.

schadevergoeding

– bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 6] (08.186620.24) en [bedrijf] (08.286098.24; feit 1) in het geheel niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

– veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

– veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Mediant (08.174843.24; feit 1) van een bedrag van € 4.328,00 (bestaande uit materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2024;

– veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

– legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.328,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van één dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

– bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

– veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] (08.174843.24; feit 2) van een bedrag van € 1.228,15 (bestaande uit materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2024;

– veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

– legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.228,15, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van één dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

– bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

– veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Thuisteam Twente (08.286098.24; feit 2) van een bedrag van € 3.071,00 (bestaande uit materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 2024;

– veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

– legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.071,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van één dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

– bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

– veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] (08.286098.24; feit 3) van een bedrag van € 1.965,40 (bestaande uit materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 2024;

– veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

– legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.965,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van één dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

– bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

– veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (08.316732.24; feit 1) van een bedrag van € 500,00 (bestaande uit immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2024;

– veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

– legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van één dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

– bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

– veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] (08.316732.24; feit 3) van een bedrag van € 415,00 (bestaande uit immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2024;

– veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

– legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 415,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van één dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

– bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

– wijst de vordering van de benadeelde partij gemeente Almelo toe tot een bedrag van € 188,39;

– veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij gemeente Almelo (08.316732.24; feit 2) van een bedrag van € 188,39 (bestaande uit materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2024;

– veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

– legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 188,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van één dag kan worden toegepast.

Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

– bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

– bepaalt dat de benadeelde partij gemeente Almelo voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Vis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.

Buiten staat

Mr. Postma is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024441437. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 20 september 2024, p. 39-40, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) Almelo (…) 20 september 2024 (…) [slachtoffer 2] (…) Ik ben als agente werkzaam voor de politie (…) Ik was belast met de incidentenafhandeling (…) Op het moment dat ik haar rechterarm vastpakte, beet [verdachte] mij bovenop mijn linker onderarm. (…) Ik voelde direct een pijnscheut (…) Ik (…) zag (…) een rode en een licht verdikte vlek op mijn linker onderarm. (…) Ik voelde dat zij mij met haar nagels over mijn rechterhand krabde. (…) Ik (…) zag (…) twee krassen bovenop mijn rechterhand. (…)

Voetnoten

  1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2025187326. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
  2. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024242852. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
  3. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024259039. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
  4. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024381822. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
  5. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024404592. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
  6. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024418538. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
  7. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024441437. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
  8. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024500108. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
  9. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024505633. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
  10. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2024508706. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.

A propos de cette decision

Décisions similaires

Pays-Bas

Rechtbank Den Haag

Commercial NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741

Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.

Pays-Bas

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Divers NL

ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796

Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...

Analyse stratégique offerte

Envoyez vos pièces. Recevez une stratégie.

Transmettez-nous les pièces de votre dossier. Maître Hassan KOHEN vous répond personnellement sous 24 heures avec une première analyse stratégique de votre situation.

  • Première analyse offerte et sans engagement
  • Réponse personnelle de l'avocat sous 24 heures
  • 100 % confidentiel, secret professionnel garanti
  • Jusqu'à 1 Go de pièces, dossiers et sous-dossiers acceptés

Cliquez ou glissez vos fichiers ici
Tous formats acceptes (PDF, Word, images, etc.)

Envoi en cours...

Vos donnees sont utilisees uniquement pour traiter votre demande. Politique de confidentialite.