ECLI:NL:RBROT:2025:12907 Rechtbank Rotterdam , 05-11-2025 / C/10/702320 / HA ZA 25-547
Bevoegdheidsincident in vrijwaringszaak. Huurovereenkomst. Verwijzing vrijwaringszaak naar kanton. Ook verwijzing hoofdzaak naar kanton. Artikel 210 lid 3, laatste volzin, Rv.
8 min de lecture · 1 701 mots
Inhoudsindicatie. Bevoegdheidsincident in vrijwaringszaak. Huurovereenkomst. Verwijzing vrijwaringszaak naar kanton. Ook verwijzing hoofdzaak naar kanton. Artikel 210 lid 3, laatste volzin, Rv.
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummers / rolnummers:
vrijwaring C/10/702320 / HA ZA 25-547
hoofdzaak C/10/694994 / HA ZA 25-187
Vonnis van 5 november 2025
I. in (het incident en) de vrijwaringszaak van
[eiser]
, wonende te [plaats 1] ,
eiser in de vrijwaring, verweerder in het incident,
advocaat mr. B.J. de Deugd,
tegen
1 [gedaagde 1] V.O.F., gevestigd te [plaats 2] ,
advocaat mr. R.A.D. Blaauw,
2. [gedaagde 2], wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. R.A.D. Blaauw,
3. [gedaagde 3], wonende te [plaats 2] ,
niet verschenen,
gedaagden in de vrijwaring,
eisers (1 en 2) in het incident, hierna (1 en 2) ook gezamenlijk: [gedaagde 1] c.s.,
en
II. in de hoofdzaak van
HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V., gevestigd te Rotterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
advocaat: mr. E.A. van Nimwegen,
tegen
1 [gedaagde 4] , wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. B.J. de Deugd,
2. [gedaagde 1] V.O.F., gevestigd te [plaats 2] ,
advocaat mr. R.A.D. Blaauw,
3. [gedaagde 2], wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. R.A.D. Blaauw,
4. [gedaagde 3], wonende te [plaats 2] ,
niet verschenen,
gedaagden in de hoofdzaak.
1De procedure in de vrijwaring
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 5 juni 2025, met producties 1 tot en met 5;
de incidentele conclusie ex artikel 71 lid 2 Rv tevens conclusie van antwoord;
de conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De vordering van [eiser] in de vrijwaring
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Primair
Voor recht verklaart dat [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade aan de bodem van het Terrein ( [adres] te Rotterdam) veroorzaakt door bodemverontreinigingen die zich sinds 17 februari 1950 hebben voorgedaan.
[gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt [eiser] te vrijwaren voor de kosten van sanering van het Terrein ( [adres] te Rotterdam) conform het Bodemprotocol van het HbR (productie 26 bij dagvaarding in de hoofdzaak).
[gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt aan [eiser] te vergoeden de kosten van het nog te verrichten bodemonderzoek van het Terrein ( [adres] te Rotterdam) conform het Bodemprotocol van het HbR (productie 26 bij dagvaarding in de hoofdzaak), indien blijkt dat de verontreiniging ernstiger is dan hetgeen is vastgesteld in het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Rotterdam van 20 april 2000, met diverse onderliggende stukken en rapporten, een en ander zoals opgenomen in productie 25 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
Subsidiair
4. Voor recht verklaart dat [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de additionele schade aan de bodem van het Terrein ( [adres] te Rotterdam) veroorzaakt door bodemverontreinigingen die zich sinds 20 april 2000 hebben voorgedaan.
5. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt [eiser] te vrijwaren voor de additionele kosten van sanering van het Terrein ( [adres] te Rotterdam) conform het Bodemprotocol van het HbR (productie 26 bij dagvaarding in de hoofdzaak), zijnde de meerkosten ten opzichte van de bodemsanering welke noodzakelijk is op grond van besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Rotterdam van 20 april 2000, met diverse onderliggende stukken en rapporten, een en ander zoals opgenomen in productie 25 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
6. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt aan [eiser] te vergoeden de kosten van het nog te verrichten bodemonderzoek van het Terrein ( [adres] te Rotterdam) conform het Bodemprotocol van het HbR (productie 26 bij dagvaarding in de hoofdzaak), indien blijkt dat de verontreiniging ernstiger is dan hetgeen is vastgesteld in het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Rotterdam van 20 april 2000, met diverse onderliggende stukken en rapporten, een en ander zoals opgenomen in productie 25 bij dagvaarding in de hoofdzaak.
Primair en subsidiair
[gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van twee weken na de datum van het in dezen te wijzen vonnis.
Hieraan legt [eiser] het volgende ten grondslag.
De onderhavige dagvaarding strekt tot oproeping van gedaagden in vrijwaring als bedoeld in artikel 210 e.v. Rv. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn vennoten van [gedaagde 1] en uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen van de vennootschap. [gedaagde 1] is gevestigd in een bedrijfsruimte aan [adres] te Rotterdam, welk pand in gebruik is op grond van een huurovereenkomst met een rechtsvoorganger van [eiser] . [gedaagde 1] oefent in het pand een (garage)bedrijf uit. Op de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde 1] is een huurovereenkomst van toepassing, [eiser] heeft het pand in 2016 op een executieveiling gekocht en is op grond van artikel 7:226 BW in de positie van verhuurder getreden. Het betreft een recht van erfpacht, gevestigd op een perceel waarvan het bloot eigendom toekomt aan de
Gemeente Rotterdam, in dit verband vertegenwoordigd door de gemachtigde en economisch eigenaar Havenbedrijf Rotterdam N.V. De duur waarvoor de erfpacht is gevestigd is per 1 mei 2024 ten einde gekomen.
Omdat [gedaagde 1] het gehuurde niet wenst te verlaten, is thans bij de rechtbank een procedure aanhangig waarin het Havenbedrijf diverse vorderingen instelt tegen [eiser] , [gedaagde 1] en haar vennoten. Dat is de hoofdzaak, die als kenmerk 694994 HA ZA 25-187 heeft.
De vrijwaringszaak beperkt zich tot één onderdeel van de vorderingen in de hoofdzaak, te weten de door het Havenbedrijf gestelde aansprakelijkheid van [eiser] voor de bodemverontreiniging van het terrein. De rechtsverhouding tussen [gedaagde 1] en [eiser] wordt geregeerd door de huurovereenkomst en de daarbij behorende algemene bepalingen. Hierin is in artikel 8 respectievelijk artikel 6 bepaald dat het de huurder niet is toegestaan de bodem te verontreinigen, althans dat hij aansprakelijk is voor schade dienaangaande. [eiser] heeft er belang bij dat de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor de (additionele) bodemverontreiniging wordt vastgesteld. Als de (additionele) bodemverontreiniging wordt aangetoond, dan volgt uit artikel 8 van de huurovereenkomst, met artikel 6 algemene bepalingen en uit de wet (artikel 6:175 lid 1 BW) dat [gedaagde 1] daarvoor (tevens jegens [eiser] ) aansprakelijk is. Nu het Havenbedrijf niet alleen een verklaring voor recht vordert, maar ook vordert te bepalen dat [eiser] onderzoek en sanering dient uit te voeren op eigen kosten, subsidiair schadevergoeding ter zake vordert, heeft [eiser] er recht en belang dat [gedaagde 1] ter zake zal worden veroordeeld.
3Het geschil in het incident
[gedaagde 1] c.s. vorderen verwijzing van de zaak naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank op grond van artikel 71 lid 2 Rv
Hieraan leggen [gedaagde 1] c.s. het volgende ten grondslag. Op grond van de dagvaarding in deze vrijwaring wordt de relatie tussen partijen beheerst door een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte. Daarom is de kantonrechter exclusief bevoegd om van het geschil kennis te nemen en moet de zaak op grond van artikel 71 lid 2 Rv verwezen worden naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
ier
In zijn incidentele conclusie van antwoord wijst [eiser] op artikel 210 Rv en op de bij de kantonrechter aanhangige procedure tussen partijen waarin onder meer gegrondverklaring van de opzegging wordt gevorderd (kenmerk 10248911 CV EXPL 22-38890). [eiser] concludeert tot toewijzing van de incidentele vordering, met verwijzing van de onderhavige zaak en van de hoofdzaak (kenmerk 694994 HA ZA 25-187) op de voet van artikel 210 lid 3 en/of 220 Rv naar de sector kanton (te Rotterdam), zo nodig met voeging met de daar tussen partijen aanhangige zaak.
4De beoordeling in het incident, de vrijwaring en de hoofdzaak
Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank in de zin van artikel 71 lid 3 Rv betreft de vrijwaringszaak een huurovereenkomst tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde 1] anderzijds, waaraan ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als vennoten van [gedaagde 1] zijn gebonden. Gezien deze aard van de zaak is op grond van artikel 93 onder c Rv uitsluitend de kantonrechter bevoegd om deze zaak te behandelen en beslissen.
De rechtbank zal dan ook op de voet van artikel 71 lid 2 Rv de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, doorverwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
Hier doet zich bovendien de situatie van artikel 210 lid 3, laatste volzin, Rv voor, dat voorschrijft dat als de zaak in vrijwaring een vordering betreft die ongeacht het beloop of de waarde door de kantonrechter moet worden behandeld, de rechter beide zaken – ook de hoofdzaak – naar de kantonrechter verwijst.
Havenbedrijf Rotterdam N.V. heeft zich, bij bericht van 23 oktober 2025, voor wat betreft de door de wet voorgeschreven verwijzing gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal daarom ook de hoofdzaak naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank verwijzen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
in het incident en in de vrijwaringszaak (C/10/702320 / HA ZA 25-547):
verwijst de vrijwaringszaak naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Rotterdam;
compenseert de kosten van het incident aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak (C/10/694994 / HA ZA 25-187):
verwijst de hoofdzaak naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Rotterdam;
in de vrijwaring en in de hoofdzaak:
wijst partijen er op dat zij in het vervolg van de procedure bij de kantonrechter niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
wijst partijen er op dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel
8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal
worden teruggestort;
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 12 november 2025 om 10:00 uur, op welke rolzitting de kantonrechter zal beslissen over het vervolg van de zaak.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
901/1694
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...