ECLI:NL:RBROT:2025:7976 Rechtbank Rotterdam , 02-07-2025 / C/10/661453 / HA ZA 23-573
Tussenvonnis: benoeming deskundige en vaststelling voorschot. Pensioenkwestie na echtscheiding. Vervolg op eerder tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2025:551).
8 min de lecture · 1 599 mots
Inhoudsindicatie. Tussenvonnis: benoeming deskundige en vaststelling voorschot. Pensioenkwestie na echtscheiding. Vervolg op eerder tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2025:551).
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/661453 / HA ZA 23-573
Vonnis van 2 juli 2025
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. H.M.J. van den Hurk te Tilburg,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 2] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 3] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 4] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland.
Hierna zal eiseres als de vrouw worden aangeduid en gedaagde 1 als de man. Gedaagde 2 wordt aangeduid als de Beheer B.V ., gedaagde 3 als de Orthopedie B.V ., en gedaagde 4 als de Pensioen B.V . De vier gedaagden gezamenlijk worden als [gedaagde 1] c.s. aangeduid.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 15 januari 2025;
diverse correspondentie van partijen inzake de benoeming van een deskundige;
de brief van de rechtbank aan partijen en de brief van de rechtbank aan de heer drs. R. Van Woerden (hierna: Van Woerden of de deskundige), allebei van 5 juni 2025;
het e-mailbericht van Van Woerden aan de rechtbank van 11 juni 2025;
het e-mailbericht van de rechtbank aan Van Woerden van 25 juni 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
Het tussenvonnis
In het tussenvonnis heeft de rechtbank een schriftelijk deskundigenbericht bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Wilt u de omvang van het recht van de vrouw op (periodieke) uitbetaling van ouderdomspensioen en van het bijzonder partnerpensioen, en/of het door conversie te verkrijgen pensioen vaststellen, zulks naar de toestand en op het tijdstip van de echtscheiding?
2. Is er sprake van backservices die nog voldaan moeten worden gezien de eindloonregeling in de Pensioenovereenkomst 2014? Wilt u de hoogte daarvan berekenen? Wilt u bij het berekenen van de aanspraak onder 1 rekening houden met deze eventuele backservices?
3. Beschikt de Pensioen B.V . over voldoende middelen om te voldoen aan deze aanspraken van de vrouw berekend naar de commerciële waarde van die aanspraak op het tijdstip van de afstorting door de Pensioen B.V .?
4. Zo niet, hoe komt dit? Zijn er aanwijzingen dat dit (mede) te wijten is aan onzorgvuldig (financieel) beheer van de man? Zijn er aanwijzingen dat het anderszins aan de man is toe te rekenen dat een tekort is ontstaan of een tekort is opgelopen?
5. Zo die aanwijzingen er zijn: kunt u aangeven wat bij (wel) zorgvuldig (financieel) beheer/ een niet aan de man toe te rekenen (nader) tekort de mogelijkheid zou zijn geweest tot afstorting, in bedragen?
6. Wat zijn op dit moment de mogelijkheden tot afstorting vanuit de Pensioen B.V ., in bedragen, rekening houdend met de liquiditeit en solvabiliteit, en waarbij de pensioenrechten – gezien de post-relationele solidariteit – evenredig over de ex-echtgenoten verdeeld worden (naar rato van de aanspraken van de man en de vrouw)?
7. Is er vanuit de Pensioen B.V . ruimte voor het indexeren van de pensioenaanspraken met twee procent of een ander (lager) percentage, rekening houdend met de hiervoor genoemde uitgangsposities?
8. Is de man in staat (aanvullend) de benodigde financiële middelen aan de Pensioen B.V . ter beschikking te stellen om aan de afstortingsverplichting te voldoen en tot welk bedrag?
9. Zijn de Beheer B.V . en/ of de Orthodontie B.V. in staat (aanvullend) de benodigde financiële middelen aan de Pensioen B.V . ter beschikking te stellen om aan de afstortingsverplichting aan de vrouw te voldoen en tot welk bedrag, waarbij:
a. de bedrijfsvoering van deze andere vennootschappen qua continuïteit niet in gevaar komt, rekening houdend met de liquiditeit en solvabiliteit?
b. de pensioenrechten – gezien de post-relationele solidariteit – evenredig over de ex-echtgenoten verdeeld worden (naar rato van de aanspraken van de man en de vrouw)?
10. Wilt u bij het voorgaande rekening houden met conversie?
11. Wilt u bij het voorgaande rekening houden met de commerciële waarde van de aanspraak op het tijdstip van de afstorting?
12. Hebt u verder nog op- of aanmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang zijn?
Benoeming van de deskundige
In het tussenvonnis is nog geen deskundige benoemd. In dit vonnis zal de rechtbank de deskundige benoemen.
De rechtbank heeft partijen op 5 juni 2025 bericht over haar voornemen om Van Woerden als deskundige te benoemen. De vrouw had deze deskundige voorgesteld nadat zij concludeerde, na de kostenopgave van de eerder gezamenlijk voorgestelde deskundige, dat zijn rapportage te duur zou worden. [gedaagde 1] c.s. hebben geen inhoudelijke bezwaren geuit tegen de benoeming van Van Woerden. De begroting en het uurtarief van Van Woerden komen aanzienlijk lager uit dan die van de eerder gezamenlijk voorgestelde deskundige. Van Woerden heeft de rechtbank per e-mail van 11 juni 2025 bericht dat hij bereid is te rapporteren volgens zijn kostenbegroting en dat er geen inhoudelijk overleg is geweest met de advocaat van de vrouw. De veronderstelling van [gedaagde 1] c.s. dat dat overleg er wèl zou zijn geweest is dus niet juist, zodat dat bezwaar van [gedaagde 1] c.s. wordt gepasseerd.
De rechtbank zal thans Van Woerden als deskundige benoemen, zie hierna onder de beslissing.
Voorschot
De deskundige heeft zijn kosten begroot op een bedrag tussen € 9.000 en
€ 12.000,- exclusief btw. Inclusief btw moet rekening worden gehouden met € 10.900,- tot
€ 15.480,- . De rechtbank zal voor wat betreft het voorschot uitgaan van het laatst genoemde bedrag.
Het voorschot dient door beide partijen, ieder voor de helft te worden betaald, zoals reeds bepaald is in het tussenvonnis (5.51).
Overige verplichtingen
De rechtbank wijst partijen erop dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De rechtbank
benoemt tot deskundige:
Dhr. drs. R van Woerden
[adres]
[postcode] [woonplaats 3]
e-mail: [mailadres]
het voorschot
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op
€ 15.480,-. (inclusief btw),
bepaalt dat partijen ieder de helft van het voorschot moeten overmaken binnen twee weken na de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
bepaalt dat de vrouw haar procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
wijst de deskundige er op dat:
– de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op http://www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
het schriftelijk rapport
draagt de deskundige op om, uiterlijk 3 maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot, een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
wijst de deskundige er op dat:
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
de deskundige (eerst) een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 1 oktober 2025,
draagt de griffier op om de zaak op een eerdere rol te plaatsen als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken,
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
verwijst voor het overige naar de beslissingen in het tussenvonnis in deze zaak van
15 januari 2025, in het bijzonder naar het onder 5.53. overwogene: “De rechtbank is voornemens een zitting te bepalen nadat de deskundige zijn rapport heeft opgemaakt. De bedoeling van de rechtbank is om op de zitting het rapport met de deskundige en partijen te bespreken en daarbij de mogelijkheid van een schikking nader te onderzoeken, op basis van de uitgangspunten van de deskundigenrapportage.”, waaruit voortvloeit dat – vooralsnog – het uitgangspunt is dat de zaak niet zal worden verwezen naar de rol voor het nemen, over en weer, van een conclusie na deskundigenbericht,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus. Het is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 2 juli 2025.
3246/ 638
Sources officielles : consulter la page source
Rechtspraak.nl open data, Creative Commons Zero. Volume cible 1.8M decisions.
Articles similaires
A propos de cette decision
Décisions similaires
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8957 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6741
Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat medische behandeling in het kader van transitie niet mogelijk is in Spanje, artikel 17 Dublinverordening, aangifte zedenmisdrijf en stalking, eiseres heeft aangifte in Spanje kunnen doen, maar heeft het verdere verloop van de aangifte niet afgewacht, beroep ongegrond.
Pays-Bas
Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:8963 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.6742
Dublin, plakvovo, vovo afgewezen.
Pays-Bas
College van Beroep voor het bedrijfsleven
ECLI:NL:CBB:2026:154 College van Beroep voor het bedrijfsleven , 14-04-2026 / 23/1796
Redelijk rendement voor warmteleveranciers, WACC-besluit. Het College volgt de door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundigen en oordeelt dat de ACM bij de vaststelling van de WACC een generieke opslag van 1% op de kostenvoet eigen vermogen moet toepassen. Aan een inhoudelijk beoordeling van de bepaling in de gewijzigde beleidsregel rendementstoets warmte over de wijze waarop rekening wo...